Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-03-11
ECLI:NL:OGHACMB:2025:86
Strafrecht
Hoger beroep
18,352 tokens
Inleiding
Zaaknummer: H-50/24
Parketnummer: 400.00381/23
Uitspraak: 11 maart 2025 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, (hierna: het Gerecht) van 17 april 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres A],
thans gedetineerd in het huis van bewaring op Bonaire.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder 6 en 7 ten laste gelegde vrijgesproken. Het Gerecht heeft het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen verklaard. Het onder 2 bewezen verklaarde is door het Gerecht voor zover het betreft het “verkopen, afleveren en vervoeren van hennep” niet strafbaar verklaard. Het Gerecht heeft de verdachte ten aanzien van dit deel van het ten laste gelegde ontslagen van alle rechtsvervolging.
Voor de overige ten laste gelegde feiten heeft het Gerecht de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijfendertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Als bijzondere voorwaarde is opgelegd dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Stichting Reclassering Caribisch Nederland, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven over de in beslag genomen voorwerpen.
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De officier van justitie heeft het hoger beroep niet bij akte beperkt. Uit de appelschriftuur die de officier van justitie heeft ingediend, blijkt dat de grieven van het openbaar ministerie zich uitsluitend richten tegen het door het Gerecht uitgesproken ontslag van rechtsvervolging voor het onder feit 2 ten laste gelegde “verkopen, afleveren en vervoeren van hennep.” De procureur-generaal heeft ter terechtzitting van het Hof bevestigd dat het hoger beroep zich enkel en alleen richt tegen de door het Gerecht uitgesproken ontslag van rechtsvervolging voor het onder feit 2 ten laste gelegde. Als het hoger beroep van de officier van justitie bij akte zou zijn beperkt, zouden de beslissingen regarderende de overige tenlastegelegde feiten in hoger beroep zijn beschermd. Nu dat niet het geval is, zijn strikt genomen alle feiten aan beoordeling in hoger beroep onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van dinsdag 25 februari 2025. Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. S. Verheijen, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. E.J. Winkel, naar voren is gebracht.
Het appel strekt ertoe dat alle beslissingen van het Gerecht door het Hof zullen worden overgenomen, met uitzondering van de beslissing om de verdachte voor het onder 2 bewezen verklaarde “verkopen, afleveren en vervoeren van hennep” te ontslaan van alle rechtsvervolging. De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen om proces-technische redenen, omdat het gevorderde niet te verenigen is met het in stand blijven van het vonnis van het Gerecht. De procureur-generaal vordert dat het Hof, opnieuw rechtdoende, ook ten aanzien van voornoemde handelingen de strafbaarheid vast zal stellen. Eén en ander dient – blijkens de vordering van de procureur-generaal – geen gevolgen te hebben voor de opgelegde straf en de beslissingen ten aanzien van de in beslag genomen goederen.
De raadsman refereert zich aan het oordeel van het Hof, met uitzondering van de op te leggen straf. De raadsman bepleit dat door de onjuiste beslissing en het om die reden ingestelde appel de verdachte geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid tot invrijheidsstelling onder elektronisch toezicht. Hij bepleit dat aan de verdachte een gevangenisstraf zal worden opgelegd die gelijk is aan de tijd die hij reeds in detentie heeft doorgebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof komt ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde tot een andere beslissing dan het Gerecht. Om redenen van doelmatigheid zal het Hof het vonnis in zijn geheel vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging ter terechtzitting in eerste aanleg d.d.
Dictum
Het Hof verenigt zich ook met de bewijsoverwegingen van het Gerecht. Het Hof neemt deze over en verwijst daarnaar.
Het verweer van de verdachte dat de bewezenverklaarde periode van feit 4 korter zou zijn geweest, wordt naar de mening van het Hof afdoende weerlegd door de door het Gerecht gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen en behoeft derhalve naar het oordeel van het Hof geen nadere motivering.
Overwegingen
Het Gerecht heeft ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde “verkopen, afleveren en vervoeren van hennep” beslist dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvolging, gelet op het feit dat in artikel 4 lid 1 onder A en B van de Opiumwet 1960 BES slechts het “invoeren, uitvoeren, doorvoeren, bezitten, aanwenden of aanwezig hebben van hennep” wordt verboden. Het “verkopen, afleveren en vervoeren van hennep” is in dit artikel niet opgenomen en derhalve evenmin strafbaar gesteld onder artikel 11 van voornoemde Landsverordening, zodat het geen strafbaar feit oplevert, aldus het Gerecht.
De procureur-generaal heeft in navolging van de appelschriftuur van de officier van justitie het standpunt ingenomen dat het verkopen van hennep wél een strafbaar feit oplevert, onder verwijzing naar de Ministeriële Regeling van 6 januari 2005 ter uitvoering van artikel 3, eerste lid, onder f, Opiumwet 1960 BES (hierna te noemen: de Regeling).
Het Hof overweegt ten aanzien van de strafbaarheid als volgt. In voornoemde Regeling wordt in artikel 1 verwezen naar twee lijsten, waarin een nadere uitwerking wordt gegeven van de handelingen en middelen die de wetgever in de Opiumwet 1960 BES heeft willen verbieden, waaronder, voor zover in de onderhavige casus van belang, het verkopen, afleveren en vervoeren van de door de minister aan te wijzen middelen, ex artikel 3, eerste lid, onder f en sub B van de Opiumwet 1960 BES. In de lijst genummerd II (voor soft drugs) wordt “hennep” specifiek als zodanig genoemd. Hieruit volgt dat het ten aanzien van de verdachte bewezen verklaarde “verkopen, afleveren en vervoeren van hennep” een strafbaar feit volgens het hierboven aangehaalde artikel oplevert. Er zijn geen andere feiten en omstandigheden die leiden tot het oordeel dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor dit handelen. Het Hof acht het feit strafbaar.
Kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 2a en strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, aanhef, onder a van Opiumwet 1960 BES.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met artikel 2a van de Opiumwet 1960 BES, meermalen gepleegd.
Het onder feit 2 bewezen verklaarde is voorzien bij:
artikel 3, eerste lid, aanhef, onder f, sub B van de Opiumwet 1960 BES, in verbinding met artikel 1 van de Regeling van 6 januari 2005 ter uitvoering van artikel 3, eerste lid, aanhef, onder f van de Opiumwet 1960 BES en de daarbij behorende lijst genummerd II, juncto art 49 van het Wetboek van Strafrecht BES en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van de Opiumwet 1960 BES en;
artikel 4, eerste lid, aanhef, onder b en d, sub B van de Opiumwet 1960 BES juncto art 49 van het Wetboek van Strafrecht BES en strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, aanhef, onder a van de Opiumwet 1960 BES.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid (onder B), van de Opiumwet 1960 BES, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid (onder B), van de Opiumwet 1960 BES, meermalen gepleegd.
Het onder feit 3 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 4, eerste lid, aanhef, onder b en d, sub B van de Opiumwet 1960 BES juncto art 49 van het Wetboek van Strafrecht BES en strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, aanhef, onder a van de Opiumwet 1960 BES.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid (onder B), van de Opiumwet 1960 BES.
Het onder feit 4 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, aanhef, onder d, sub B en C van de Opiumwet 1960 BES juncto art 49 van het Wetboek van Strafrecht BES en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van de Opiumwet 1960 BES.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid (onder B) van de Opiumwet 1960 BES, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid (onder C) van de Opiumwet 1960 BES, meermalen gepleegd.
Het onder feit 5 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, aanhef, onder d, sub C van de Opiumwet 1960 juncto art 49 van het Wetboek van Strafrecht BES en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van de Opiumwet 1960 BES.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid (onder C), van de Opiumwet 1960 BES.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Verweer strekkende tot strafvermindering
Het Hof stemt in met de overwegingen van het Gerecht ten aanzien van het verweer strekkende tot strafvermindering en neemt deze over.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit dat strafvermindering moet plaatsvinden omdat sprake is van een vormverzuim ex artikel 413 Sv BES, te weten schending van artikel 3 van het EVRM. Er is disproportioneel geweld gebruikt bij de aanhouding van verdachte en het verkrijgen van toegang tot de inhoud van zijn telefoon. De politie wilde door middel van de vingerafdruk van verdachte zijn telefoon ontgrendelen. Dit mag, mits er lichte dwang wordt toegepast. In dit geval was echter sprake van disproportioneel geweld en heeft verdachte letsel opgelopen. In de zaak Tomasi tegen Frankrijk heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onder beer bepaald dat de Staat een 'plausible explanation' moet geven voor het letsel dat een persoon oploopt terwijl hij in handen van de politie is. Aan de hand van de foto's in het dossier kan geconstateerd worden dat verdachte letsel heeft opgelopen mar aanleiding van het optreden van de politie. Dit wordt in het aanvullend proces-verbaal verzwegen door leden van de Groep Bijzondere Opdrachten van het Korps Politie Caribisch Nederland (hierna: GBO). Verdachte heeft hierdoor nadeel ondervonden omdat hij in zijn lichamelijke integriteit is geschaad en dit heeft een diepe impact op hem als persoon gehad. Strafvermindering is daarom in deze zaak op zijn plaats.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de politie geen disproportioneel geweld heeft toegepast. De camerabeelden zijn opgevraagd, maar er zijn geen camerabeelden beschikbaar van de cal waarin het geweld zon hebben plaatsge-vonden. Er waren alleen beelden van de gang beschikbaar. Vervolgens is er een uitgebreid proces-verbaal opgesteld over de handelingen die in de cel tegen verdachte zijn uitgeoefend. Er is geen sprake van een vormverzuim.
Feiten
Op 17 oktober 2023 is verdachte op heterdaad aangehouden door de politie, Volgens verdachte, medeverdachte en sommige getuigen is hier veel geweld bij gebruikt. Dit wordt verder niet omschreven in het proces-verbaal van aanhouding van verdachte. Gelijk na de aanhouding en bij de insluiting van verdachte is geprobeerd om verdachte zijn telefoon te laten ontgrendelen. Volgens het proces-verbaal moest dit onder dwang omdat verdachte niet vrijwillig wilde meewerken. Volgens verdachte was hij niet in staat om mee te werken omdat hij geboeid was en hij zijn hand niet in de juiste positie kon houden. Volgens verdachte zou hij hierbij meermalen bedreigd zijn met de dood, dan wel zware mishandeling door de politie. Toen er door iemand gezegd werd dat er in de gang camera's hingen, zou hij door leden van de GBO in een cel zijn gegooid, op zijn knieën zijn gezet met zijn hoofd tegen een bank. Ze zouden bijna zijn arm hebben gebroken en hij zou ook flauw zijn gevallen omdat hij bij zijn keel vastgehouden is tot hij niet meer kon ademen.
Vanaf het begin of aan heeft verdachte meermalen om de camerabeelden in de
ophoud cel gevraagd en hij heeft ook con klacht ingediend. Er zijn geen
videobeelden beschikbaar gekomen en verdachte heeft van KPCN een brief
ontvangen in reactie op zijn klacht, waarin staat dat uit intern onderzoek is
gebleken dat geen sprake is geweest van verwijtbaar gedrag.
Is door GBO geweld gebruikt tegen verdachte?
Er is een aanvullend proces-verbaal opgemaakt door een lid van de GBO over de omstandigheden waaronder en de wijze waarop verdachte is gedwongen tot ontgrendeling van de telefoon door middel van zijn vingerafdruk. Volgens dit proces-verbaal is op het politiebureau aan verdachte gevraagd of hij vrijwillig zijn inbeslaggenomen telefoon wilde ontgrendelen. De verdachte weigerde meermalen. Vervolgens heeft een lid van de GBO verdachte op het zitgedeelte in de ophoud cel gefixeerd, is met dwang eerst de linkerhand en daarna de rechterhand vastgehouden om met de duim de telefoon to ontgrendelen. Dit staat a1s volgt beschreven:
"Hierop hebben wij besloten de verdachte, wie op dat moment nog steeds in de boeien zat, op zijn knieën te plaatsen en zijn boven lichaam op de betonnen zitbank te laten leunen. Dit om hem uit balans te brengen en om zijn handen dan wel armen achter zijn rug vrij te krijgen en de mobiele telefoon bij zijn duim(en) te kunnen plaatsen. (...)
Vervolgens heeft een collega hem beetgepakt aan zijn polsen zodat hij zijn amen niet kon bewegen. Hiermee wilden wij voorkomen dat hij zijn polsen/onderarmen zou bezeren in de metalen boeien. Tenslotte heeft een andere collega, zijn rechterduim, met gepaste kracht, gestrekt gehouden om zijn vingerafdruk te kunnen plaatsen op de ontgrendelknop knop aan de zijkant van zijn mobiele telefoon,"
Het Gerecht stelt vast dat wat hier wordt beschreven, zonder meer betekent dat geweld jegens verdachte is gebruikt. Niet alleen is verdachte geboeid op zijn knieën voor een betonnen bank gezet, wat op zich al een vernederende behandeling oplevert. Dit is volgens het proces-verbaal ook nog gedaan met het duel 'verdachte uit balans te brengen'. Als je iemand geboeid, met de handen op de rug, op zijn knieën voor een betonnen bank laat zitten en hem dan uit balans brengt, dan ligt het voor de hand dat diegene tegen de betonnen bank aan kan vallen/stoten en dat dit (flinke) pijn en/of letsel kan veroorzaken.
Dat verdachte letsel heeft opgelopen door de dwang die is uitgeoefend bij ontgrendeling van de telefoon, staat niet beschreven in dit proces-verbaal van bevindingen. Dit volgt echter wel uit andere stukken in het dossier. Toen de verdachte voor het eerst werd verhoord door de politie, hebben de verhorende politieagenten geconstateerd dat verdachte letsel had aan zijn pols en dat hij een paar krassen in zijn nek had. Hiervan zijn foto's gemaakt en deze zijn aan het dossier toegevoegd. In het proces-verbaal wordt tevens opgemerkt dat het ambulancepersoneel verdachte onderzocht heeft. Er zijn geen breuken geconstateerd, wel zijn er medicijnen voorgeschreven.
Al met al stelt het Gerecht vast dat er inderdaad flink geweld tegen verdachte is gebruikt bij het proberen te ontgrendelen van zijn telefoon en dat verdachte hierbij ook letsel heeft opgelopen.
Normschending art. 3 EVRM door disproportioneel geweld?
In de zaak Tomasi tegen Frankrijk heeft het EHRM onder meer bepaald:
"145. Where a person is injured while in detention or otherwise under the control of the police, any such injury will give rise to a strong presumption that the person was subjected to ill-treatment (see Bursuc v. Romania, no. 42066/98, § 80, 12 October 2004). The Court also points out that where an individual, when taken into police custody, is in good health,
but is found to be injured at the time of release, it is incumbent on the State to provide a plausible explanation of how those injuries were caused, failing which a clear issue arises under Article 3 of the Convention (see Tomasi v. France, judgment of 27 August 1992, §§ 108-11, Series A no. 241-A, and Selmouni v. France (GCJ, cited above, § 87)."
Het Openbaar Ministerie heeft geen 'plausible explanation' voor het ontstane letsel bij verdachte gegeven, anders dan dat de telefoon moest worden ontgrendeld. Voor het Gerecht is onduidelijk wat de noodzaak is geweest om per direct onder dwang de telefoon te moeten ontgrendelen. De telefoon was al in beslag genomen en verdachte was aangehouden. Er was geen tijdsdruk in de zin dat eventueel bewijs op de telefoon verloren kon gaan. Mogelijk was het gebruik van geweld in het geheel niet nodig geweest, als men een paar dagen had gewacht en verdachte dan opnieuw had gevraagd om zijn telefoon te ontgrendelen, in bijzijn van zijn advocaat en in de rustige situatie van een verhoor.
De verdachte verklaart al vanaf het begin duidelijk en consistent over het geweld dat de politie op hem zou hebben uitgeoefend. Hij heeft ook vanaf het begin gevraagd om de camerabeelden veilig te stellen. Het feit dat het openbaar ministerie destijds niet meteen heeft gehandeld door de camerabeelden veilig te stellen of zelfs maar een proces-verbaal heeft laten opmaken over het al dan niet beschikbaar zijn van beelden, legt het Gerecht in het voordeel van de verdachte uit, in die zin dat hiermee het vermoeden van ill-treatment, oftewel disproportioneel geweld, verder wordt versterkt.
Op basis van de rechtspraak van de Hoge Raad mag de politie onder lichte dwang een telefoon door middel van een vingerafdruk ontgrendelen, maar alleen als daarbij lichte fysieke dwang wordt uitgeoefend. Gedacht kan worden aan het boeien van verdachte en het plaatsen van de duim op de scanner. In dit geval is de fysieke dwang veel groter geweest en het Gerecht stelt vast dat deze uitspraak van de Hoge Read hier dus niet van toepassing is, althans dat geen sprake is geweest van 'lichte dwang zoals de Hoge Read die omschrijft. Het Gerecht komt dan ook tot het oordeel dat sprake is geweest van disproportioneel geweld tegen verdachte, en daarmee van schending van artikel 3 EVRM.
Rechtsgevolg
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden van de toepassing van het disproportionele geweld door de politie, en dat dit nadeel voldoende ernstig is. Verdachte heeft een vernederende behandeling moeten ondergaan, waarbij disproportioneel geweld tegen hem is gebruikt en waarbij hij letsel heeft opgelopen. Zijn lichamelijke integriteit is geschonden. Gelet op de aard van het verzuim is strafvermindering de meest voor de hand liggende compensatie voor het verzuim.
Overwegingen
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan eon straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en reclasseringstoezicht.
De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat gemotiveerd bepleit dat het Gerecht er rekening mee zal houden dat verdachte onderdeel uitmaakte van eon groter geheel en niet heeft gehandeld als een 'one man army'. Daarnaast heeft de verdediging, zoals hierboven uiteen gezet, bepleit dat strafvermindering moet plaatsvinden vanwege schending van artikel 3 EVRM.
Voor de oplegging van de straf heeft het Gerecht aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor het met enige regelmaat verkopen/afleveren/verstrekken van gebruikershoeveel-heden harddrugs op straat voor meer dan zes maanden, als indicatie eon gevangenisstraf vanaf 18 maanden gegeven.
Het gaat in deze zaak om het verkopen van cocaïne voor de duur van een veel langere periode, namelijk twee jaren. Dat verdachte onder druk is gezet door leden van een organisatie om drugs te verkopen, zoals hij zelf verklaart, is niet gebleken. Het Gerecht gaat er wel vanuit dat sprake is van eon groter drugscircuit op of rond Bonaire, waarin verdachte een schakel is geweest. Gelet op de lange duur en de overige feiten waar verdachte zich schuldig aan heeft gemaakt, en het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor overtreden van de Opiumwet, is de eis van de officier van justitie passend.
Op te leggen straf.
Vanwege de schending van artikel 3 EVRM zal het Gerecht in deze zaak strafvermindering voor de duur van een maand toepassen. Dit betekent dat het Gerecht in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden zal opleggen, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.
Gelet op de adviezen zal het Gerecht reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde opleggen bij het voorwaardelijk strafdeel.
Hetgeen de raadsman in hoger beroep aanvullend met betrekking tot de strafoplegging heeft aangevoerd, geeft het Hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
In beslag genomen voorwerpen
Het Hof stemt in met de overwegingen van het Gerecht ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen en neemt deze over.
Ann de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Het gaat om twee auto's en een jetski:
- Toyota Hilux, kenteken [kenteken A] (eigenaar vader van verdachte)
- Dodge Ram, kenteken [kenteken B] (eigenaar: moeder van verdachte)
- Vaartuig, Seadoo [kenteken C] (eigenaar: medeverdachte [medeverdachte])
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto's verbeurd moeten worden verklaard.
De verdediging heeft bepleit om de auto's en de jetski terug te geven aan de rechthebbenden.
Uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte niet de eigenaar van beide auto's is, dit zijn de ouders van verdachte. Op grond van artikel 35 lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht BES kunnen deze auto's alleen verbeurd worden verklaard indien de ouders ermee bekend waren dat de auto's gebruikt werden in verband met de strafbare feiten. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten op basis waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat de ouders ermee bekend waren dat verdachte vanuit deze auto's drugs heeft verkocht. Nu de auto's niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, zal het Gerecht de teruggave van de auto's gelasten aan de ouders van de verdachte omdat zij de rechthebbenden zijn.
De in beslag genomen en nog niet teruggegeven jetski zal worden teruggegeven aan medeverdachte [medeverdachte], omdat zij de rechthebbende is en beide verdachten worden vrijgesproken van de verdenking dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 31, 58, 59 en 413 van het Wetboek van Strafrecht BES, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Dictum
Het Hof:
vernietigt het vonnis van het Gerecht en doet opnieuw recht;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feiten 6 en 7 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 (vijfendertig) maanden;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;
als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Stichting Reclassering Caribisch Nederland, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt;
gelast de teruggave van de Toyota Hilux met kenteken [kenteken A] aan [vader van verdachte];
gelast de teruggave van de Dodge RAM met kenteken [kenteken B] aan [moeder van verdachte];
gelast de teruggave van het vaartuig (jetski) Seadoo met kenteken [kenteken C] aan medeverdachte [medeverdachte].
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. M.L.A. Angela en mr. E.M.J. Brink, leden van het Hof, bijgestaan door mr. B.G. Scheepbouwer, (zittings)griffier, en op 11 maart 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao, met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Bonaire.
uitspraakgriffier:
Inleiding
Zaaknummer: H-50/24
Parketnummer: 400.00381/23
Uitspraak: 11 maart 2025 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, (hierna: het Gerecht) van 17 april 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres A],
thans gedetineerd in het huis van bewaring op Bonaire.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder 6 en 7 ten laste gelegde vrijgesproken. Het Gerecht heeft het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen verklaard. Het onder 2 bewezen verklaarde is door het Gerecht voor zover het betreft het “verkopen, afleveren en vervoeren van hennep” niet strafbaar verklaard. Het Gerecht heeft de verdachte ten aanzien van dit deel van het ten laste gelegde ontslagen van alle rechtsvervolging.
Voor de overige ten laste gelegde feiten heeft het Gerecht de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijfendertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Als bijzondere voorwaarde is opgelegd dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Stichting Reclassering Caribisch Nederland, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven over de in beslag genomen voorwerpen.
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De officier van justitie heeft het hoger beroep niet bij akte beperkt. Uit de appelschriftuur die de officier van justitie heeft ingediend, blijkt dat de grieven van het openbaar ministerie zich uitsluitend richten tegen het door het Gerecht uitgesproken ontslag van rechtsvervolging voor het onder feit 2 ten laste gelegde “verkopen, afleveren en vervoeren van hennep.” De procureur-generaal heeft ter terechtzitting van het Hof bevestigd dat het hoger beroep zich enkel en alleen richt tegen de door het Gerecht uitgesproken ontslag van rechtsvervolging voor het onder feit 2 ten laste gelegde. Als het hoger beroep van de officier van justitie bij akte zou zijn beperkt, zouden de beslissingen regarderende de overige tenlastegelegde feiten in hoger beroep zijn beschermd. Nu dat niet het geval is, zijn strikt genomen alle feiten aan beoordeling in hoger beroep onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van dinsdag 25 februari 2025. Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. S. Verheijen, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. E.J. Winkel, naar voren is gebracht.
Het appel strekt ertoe dat alle beslissingen van het Gerecht door het Hof zullen worden overgenomen, met uitzondering van de beslissing om de verdachte voor het onder 2 bewezen verklaarde “verkopen, afleveren en vervoeren van hennep” te ontslaan van alle rechtsvervolging. De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen om proces-technische redenen, omdat het gevorderde niet te verenigen is met het in stand blijven van het vonnis van het Gerecht. De procureur-generaal vordert dat het Hof, opnieuw rechtdoende, ook ten aanzien van voornoemde handelingen de strafbaarheid vast zal stellen. Eén en ander dient – blijkens de vordering van de procureur-generaal – geen gevolgen te hebben voor de opgelegde straf en de beslissingen ten aanzien van de in beslag genomen goederen.
De raadsman refereert zich aan het oordeel van het Hof, met uitzondering van de op te leggen straf. De raadsman bepleit dat door de onjuiste beslissing en het om die reden ingestelde appel de verdachte geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid tot invrijheidsstelling onder elektronisch toezicht. Hij bepleit dat aan de verdachte een gevangenisstraf zal worden opgelegd die gelijk is aan de tijd die hij reeds in detentie heeft doorgebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof komt ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde tot een andere beslissing dan het Gerecht. Om redenen van doelmatigheid zal het Hof het vonnis in zijn geheel vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging ter terechtzitting in eerste aanleg d.d.
Dictum
Het Hof verenigt zich ook met de bewijsoverwegingen van het Gerecht. Het Hof neemt deze over en verwijst daarnaar.
Het verweer van de verdachte dat de bewezenverklaarde periode van feit 4 korter zou zijn geweest, wordt naar de mening van het Hof afdoende weerlegd door de door het Gerecht gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen en behoeft derhalve naar het oordeel van het Hof geen nadere motivering.
Overwegingen
Het Gerecht heeft ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde “verkopen, afleveren en vervoeren van hennep” beslist dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvolging, gelet op het feit dat in artikel 4 lid 1 onder A en B van de Opiumwet 1960 BES slechts het “invoeren, uitvoeren, doorvoeren, bezitten, aanwenden of aanwezig hebben van hennep” wordt verboden. Het “verkopen, afleveren en vervoeren van hennep” is in dit artikel niet opgenomen en derhalve evenmin strafbaar gesteld onder artikel 11 van voornoemde Landsverordening, zodat het geen strafbaar feit oplevert, aldus het Gerecht.
De procureur-generaal heeft in navolging van de appelschriftuur van de officier van justitie het standpunt ingenomen dat het verkopen van hennep wél een strafbaar feit oplevert, onder verwijzing naar de Ministeriële Regeling van 6 januari 2005 ter uitvoering van artikel 3, eerste lid, onder f, Opiumwet 1960 BES (hierna te noemen: de Regeling).
Het Hof overweegt ten aanzien van de strafbaarheid als volgt. In voornoemde Regeling wordt in artikel 1 verwezen naar twee lijsten, waarin een nadere uitwerking wordt gegeven van de handelingen en middelen die de wetgever in de Opiumwet 1960 BES heeft willen verbieden, waaronder, voor zover in de onderhavige casus van belang, het verkopen, afleveren en vervoeren van de door de minister aan te wijzen middelen, ex artikel 3, eerste lid, onder f en sub B van de Opiumwet 1960 BES. In de lijst genummerd II (voor soft drugs) wordt “hennep” specifiek als zodanig genoemd. Hieruit volgt dat het ten aanzien van de verdachte bewezen verklaarde “verkopen, afleveren en vervoeren van hennep” een strafbaar feit volgens het hierboven aangehaalde artikel oplevert. Er zijn geen andere feiten en omstandigheden die leiden tot het oordeel dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor dit handelen. Het Hof acht het feit strafbaar.
Kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 2a en strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, aanhef, onder a van Opiumwet 1960 BES.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met artikel 2a van de Opiumwet 1960 BES, meermalen gepleegd.
Het onder feit 2 bewezen verklaarde is voorzien bij:
artikel 3, eerste lid, aanhef, onder f, sub B van de Opiumwet 1960 BES, in verbinding met artikel 1 van de Regeling van 6 januari 2005 ter uitvoering van artikel 3, eerste lid, aanhef, onder f van de Opiumwet 1960 BES en de daarbij behorende lijst genummerd II, juncto art 49 van het Wetboek van Strafrecht BES en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van de Opiumwet 1960 BES en;
artikel 4, eerste lid, aanhef, onder b en d, sub B van de Opiumwet 1960 BES juncto art 49 van het Wetboek van Strafrecht BES en strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, aanhef, onder a van de Opiumwet 1960 BES.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid (onder B), van de Opiumwet 1960 BES, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid (onder B), van de Opiumwet 1960 BES, meermalen gepleegd.
Het onder feit 3 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 4, eerste lid, aanhef, onder b en d, sub B van de Opiumwet 1960 BES juncto art 49 van het Wetboek van Strafrecht BES en strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, aanhef, onder a van de Opiumwet 1960 BES.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid (onder B), van de Opiumwet 1960 BES.
Het onder feit 4 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, aanhef, onder d, sub B en C van de Opiumwet 1960 BES juncto art 49 van het Wetboek van Strafrecht BES en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van de Opiumwet 1960 BES.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid (onder B) van de Opiumwet 1960 BES, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid (onder C) van de Opiumwet 1960 BES, meermalen gepleegd.
Het onder feit 5 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, aanhef, onder d, sub C van de Opiumwet 1960 juncto art 49 van het Wetboek van Strafrecht BES en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van de Opiumwet 1960 BES.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid (onder C), van de Opiumwet 1960 BES.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Verweer strekkende tot strafvermindering
Het Hof stemt in met de overwegingen van het Gerecht ten aanzien van het verweer strekkende tot strafvermindering en neemt deze over.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit dat strafvermindering moet plaatsvinden omdat sprake is van een vormverzuim ex artikel 413 Sv BES, te weten schending van artikel 3 van het EVRM. Er is disproportioneel geweld gebruikt bij de aanhouding van verdachte en het verkrijgen van toegang tot de inhoud van zijn telefoon. De politie wilde door middel van de vingerafdruk van verdachte zijn telefoon ontgrendelen. Dit mag, mits er lichte dwang wordt toegepast. In dit geval was echter sprake van disproportioneel geweld en heeft verdachte letsel opgelopen. In de zaak Tomasi tegen Frankrijk heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onder beer bepaald dat de Staat een 'plausible explanation' moet geven voor het letsel dat een persoon oploopt terwijl hij in handen van de politie is. Aan de hand van de foto's in het dossier kan geconstateerd worden dat verdachte letsel heeft opgelopen mar aanleiding van het optreden van de politie. Dit wordt in het aanvullend proces-verbaal verzwegen door leden van de Groep Bijzondere Opdrachten van het Korps Politie Caribisch Nederland (hierna: GBO). Verdachte heeft hierdoor nadeel ondervonden omdat hij in zijn lichamelijke integriteit is geschaad en dit heeft een diepe impact op hem als persoon gehad. Strafvermindering is daarom in deze zaak op zijn plaats.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de politie geen disproportioneel geweld heeft toegepast. De camerabeelden zijn opgevraagd, maar er zijn geen camerabeelden beschikbaar van de cal waarin het geweld zon hebben plaatsge-vonden. Er waren alleen beelden van de gang beschikbaar. Vervolgens is er een uitgebreid proces-verbaal opgesteld over de handelingen die in de cel tegen verdachte zijn uitgeoefend. Er is geen sprake van een vormverzuim.
Feiten
Op 17 oktober 2023 is verdachte op heterdaad aangehouden door de politie, Volgens verdachte, medeverdachte en sommige getuigen is hier veel geweld bij gebruikt. Dit wordt verder niet omschreven in het proces-verbaal van aanhouding van verdachte. Gelijk na de aanhouding en bij de insluiting van verdachte is geprobeerd om verdachte zijn telefoon te laten ontgrendelen. Volgens het proces-verbaal moest dit onder dwang omdat verdachte niet vrijwillig wilde meewerken. Volgens verdachte was hij niet in staat om mee te werken omdat hij geboeid was en hij zijn hand niet in de juiste positie kon houden. Volgens verdachte zou hij hierbij meermalen bedreigd zijn met de dood, dan wel zware mishandeling door de politie. Toen er door iemand gezegd werd dat er in de gang camera's hingen, zou hij door leden van de GBO in een cel zijn gegooid, op zijn knieën zijn gezet met zijn hoofd tegen een bank. Ze zouden bijna zijn arm hebben gebroken en hij zou ook flauw zijn gevallen omdat hij bij zijn keel vastgehouden is tot hij niet meer kon ademen.
Vanaf het begin of aan heeft verdachte meermalen om de camerabeelden in de
ophoud cel gevraagd en hij heeft ook con klacht ingediend. Er zijn geen
videobeelden beschikbaar gekomen en verdachte heeft van KPCN een brief
ontvangen in reactie op zijn klacht, waarin staat dat uit intern onderzoek is
gebleken dat geen sprake is geweest van verwijtbaar gedrag.
Is door GBO geweld gebruikt tegen verdachte?
Er is een aanvullend proces-verbaal opgemaakt door een lid van de GBO over de omstandigheden waaronder en de wijze waarop verdachte is gedwongen tot ontgrendeling van de telefoon door middel van zijn vingerafdruk. Volgens dit proces-verbaal is op het politiebureau aan verdachte gevraagd of hij vrijwillig zijn inbeslaggenomen telefoon wilde ontgrendelen. De verdachte weigerde meermalen. Vervolgens heeft een lid van de GBO verdachte op het zitgedeelte in de ophoud cel gefixeerd, is met dwang eerst de linkerhand en daarna de rechterhand vastgehouden om met de duim de telefoon to ontgrendelen. Dit staat a1s volgt beschreven:
"Hierop hebben wij besloten de verdachte, wie op dat moment nog steeds in de boeien zat, op zijn knieën te plaatsen en zijn boven lichaam op de betonnen zitbank te laten leunen. Dit om hem uit balans te brengen en om zijn handen dan wel armen achter zijn rug vrij te krijgen en de mobiele telefoon bij zijn duim(en) te kunnen plaatsen. (...)
Vervolgens heeft een collega hem beetgepakt aan zijn polsen zodat hij zijn amen niet kon bewegen. Hiermee wilden wij voorkomen dat hij zijn polsen/onderarmen zou bezeren in de metalen boeien. Tenslotte heeft een andere collega, zijn rechterduim, met gepaste kracht, gestrekt gehouden om zijn vingerafdruk te kunnen plaatsen op de ontgrendelknop knop aan de zijkant van zijn mobiele telefoon,"
Het Gerecht stelt vast dat wat hier wordt beschreven, zonder meer betekent dat geweld jegens verdachte is gebruikt. Niet alleen is verdachte geboeid op zijn knieën voor een betonnen bank gezet, wat op zich al een vernederende behandeling oplevert. Dit is volgens het proces-verbaal ook nog gedaan met het duel 'verdachte uit balans te brengen'. Als je iemand geboeid, met de handen op de rug, op zijn knieën voor een betonnen bank laat zitten en hem dan uit balans brengt, dan ligt het voor de hand dat diegene tegen de betonnen bank aan kan vallen/stoten en dat dit (flinke) pijn en/of letsel kan veroorzaken.
Dat verdachte letsel heeft opgelopen door de dwang die is uitgeoefend bij ontgrendeling van de telefoon, staat niet beschreven in dit proces-verbaal van bevindingen. Dit volgt echter wel uit andere stukken in het dossier. Toen de verdachte voor het eerst werd verhoord door de politie, hebben de verhorende politieagenten geconstateerd dat verdachte letsel had aan zijn pols en dat hij een paar krassen in zijn nek had. Hiervan zijn foto's gemaakt en deze zijn aan het dossier toegevoegd. In het proces-verbaal wordt tevens opgemerkt dat het ambulancepersoneel verdachte onderzocht heeft. Er zijn geen breuken geconstateerd, wel zijn er medicijnen voorgeschreven.
Al met al stelt het Gerecht vast dat er inderdaad flink geweld tegen verdachte is gebruikt bij het proberen te ontgrendelen van zijn telefoon en dat verdachte hierbij ook letsel heeft opgelopen.
Normschending art. 3 EVRM door disproportioneel geweld?
In de zaak Tomasi tegen Frankrijk heeft het EHRM onder meer bepaald:
"145. Where a person is injured while in detention or otherwise under the control of the police, any such injury will give rise to a strong presumption that the person was subjected to ill-treatment (see Bursuc v. Romania, no. 42066/98, § 80, 12 October 2004). The Court also points out that where an individual, when taken into police custody, is in good health,
but is found to be injured at the time of release, it is incumbent on the State to provide a plausible explanation of how those injuries were caused, failing which a clear issue arises under Article 3 of the Convention (see Tomasi v. France, judgment of 27 August 1992, §§ 108-11, Series A no. 241-A, and Selmouni v. France (GCJ, cited above, § 87)."
Het Openbaar Ministerie heeft geen 'plausible explanation' voor het ontstane letsel bij verdachte gegeven, anders dan dat de telefoon moest worden ontgrendeld. Voor het Gerecht is onduidelijk wat de noodzaak is geweest om per direct onder dwang de telefoon te moeten ontgrendelen. De telefoon was al in beslag genomen en verdachte was aangehouden. Er was geen tijdsdruk in de zin dat eventueel bewijs op de telefoon verloren kon gaan. Mogelijk was het gebruik van geweld in het geheel niet nodig geweest, als men een paar dagen had gewacht en verdachte dan opnieuw had gevraagd om zijn telefoon te ontgrendelen, in bijzijn van zijn advocaat en in de rustige situatie van een verhoor.
De verdachte verklaart al vanaf het begin duidelijk en consistent over het geweld dat de politie op hem zou hebben uitgeoefend. Hij heeft ook vanaf het begin gevraagd om de camerabeelden veilig te stellen. Het feit dat het openbaar ministerie destijds niet meteen heeft gehandeld door de camerabeelden veilig te stellen of zelfs maar een proces-verbaal heeft laten opmaken over het al dan niet beschikbaar zijn van beelden, legt het Gerecht in het voordeel van de verdachte uit, in die zin dat hiermee het vermoeden van ill-treatment, oftewel disproportioneel geweld, verder wordt versterkt.
Op basis van de rechtspraak van de Hoge Raad mag de politie onder lichte dwang een telefoon door middel van een vingerafdruk ontgrendelen, maar alleen als daarbij lichte fysieke dwang wordt uitgeoefend. Gedacht kan worden aan het boeien van verdachte en het plaatsen van de duim op de scanner. In dit geval is de fysieke dwang veel groter geweest en het Gerecht stelt vast dat deze uitspraak van de Hoge Read hier dus niet van toepassing is, althans dat geen sprake is geweest van 'lichte dwang zoals de Hoge Read die omschrijft. Het Gerecht komt dan ook tot het oordeel dat sprake is geweest van disproportioneel geweld tegen verdachte, en daarmee van schending van artikel 3 EVRM.
Rechtsgevolg
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden van de toepassing van het disproportionele geweld door de politie, en dat dit nadeel voldoende ernstig is. Verdachte heeft een vernederende behandeling moeten ondergaan, waarbij disproportioneel geweld tegen hem is gebruikt en waarbij hij letsel heeft opgelopen. Zijn lichamelijke integriteit is geschonden. Gelet op de aard van het verzuim is strafvermindering de meest voor de hand liggende compensatie voor het verzuim.
Overwegingen
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan eon straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en reclasseringstoezicht.
De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat gemotiveerd bepleit dat het Gerecht er rekening mee zal houden dat verdachte onderdeel uitmaakte van eon groter geheel en niet heeft gehandeld als een 'one man army'. Daarnaast heeft de verdediging, zoals hierboven uiteen gezet, bepleit dat strafvermindering moet plaatsvinden vanwege schending van artikel 3 EVRM.
Voor de oplegging van de straf heeft het Gerecht aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor het met enige regelmaat verkopen/afleveren/verstrekken van gebruikershoeveel-heden harddrugs op straat voor meer dan zes maanden, als indicatie eon gevangenisstraf vanaf 18 maanden gegeven.
Het gaat in deze zaak om het verkopen van cocaïne voor de duur van een veel langere periode, namelijk twee jaren. Dat verdachte onder druk is gezet door leden van een organisatie om drugs te verkopen, zoals hij zelf verklaart, is niet gebleken. Het Gerecht gaat er wel vanuit dat sprake is van eon groter drugscircuit op of rond Bonaire, waarin verdachte een schakel is geweest. Gelet op de lange duur en de overige feiten waar verdachte zich schuldig aan heeft gemaakt, en het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor overtreden van de Opiumwet, is de eis van de officier van justitie passend.
Op te leggen straf.
Vanwege de schending van artikel 3 EVRM zal het Gerecht in deze zaak strafvermindering voor de duur van een maand toepassen. Dit betekent dat het Gerecht in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden zal opleggen, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.
Gelet op de adviezen zal het Gerecht reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde opleggen bij het voorwaardelijk strafdeel.
Hetgeen de raadsman in hoger beroep aanvullend met betrekking tot de strafoplegging heeft aangevoerd, geeft het Hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
In beslag genomen voorwerpen
Het Hof stemt in met de overwegingen van het Gerecht ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen en neemt deze over.
Ann de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Het gaat om twee auto's en een jetski:
- Toyota Hilux, kenteken [kenteken A] (eigenaar vader van verdachte)
- Dodge Ram, kenteken [kenteken B] (eigenaar: moeder van verdachte)
- Vaartuig, Seadoo [kenteken C] (eigenaar: medeverdachte [medeverdachte])
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto's verbeurd moeten worden verklaard.
De verdediging heeft bepleit om de auto's en de jetski terug te geven aan de rechthebbenden.
Uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte niet de eigenaar van beide auto's is, dit zijn de ouders van verdachte. Op grond van artikel 35 lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht BES kunnen deze auto's alleen verbeurd worden verklaard indien de ouders ermee bekend waren dat de auto's gebruikt werden in verband met de strafbare feiten. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten op basis waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat de ouders ermee bekend waren dat verdachte vanuit deze auto's drugs heeft verkocht. Nu de auto's niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, zal het Gerecht de teruggave van de auto's gelasten aan de ouders van de verdachte omdat zij de rechthebbenden zijn.
De in beslag genomen en nog niet teruggegeven jetski zal worden teruggegeven aan medeverdachte [medeverdachte], omdat zij de rechthebbende is en beide verdachten worden vrijgesproken van de verdenking dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 31, 58, 59 en 413 van het Wetboek van Strafrecht BES, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Dictum
Het Hof:
vernietigt het vonnis van het Gerecht en doet opnieuw recht;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feiten 6 en 7 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 (vijfendertig) maanden;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;
als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Stichting Reclassering Caribisch Nederland, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt;
gelast de teruggave van de Toyota Hilux met kenteken [kenteken A] aan [vader van verdachte];
gelast de teruggave van de Dodge RAM met kenteken [kenteken B] aan [moeder van verdachte];
gelast de teruggave van het vaartuig (jetski) Seadoo met kenteken [kenteken C] aan medeverdachte [medeverdachte].
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. M.L.A. Angela en mr. E.M.J. Brink, leden van het Hof, bijgestaan door mr. B.G. Scheepbouwer, (zittings)griffier, en op 11 maart 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao, met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Bonaire.
uitspraakgriffier:
Inleiding
28 maart 2024 - ten laste gelegd dat:
feit 1
hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2021 tot en met 17 oktober 2023, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer personen, althans alleen, al dan niet opzettelijk minstens 11 planten van het geslacht cannabis, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES, heeft verbouwd;
feit 2
hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 oktober 2021 tot 17 oktober 2023, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer personen, althans alleen, opzettelijk hennep, althans enige gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt, als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES, heeft verkocht, en/of afgeleverd, en/of vervoerd, en/of in bezit en/of aanwezig heeft gehad;
feit 3
hij op of omstreeks 17 oktober 2023, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer personen, op het adres [adres A], opzettelijk een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 710 gram hennep en/of 18 gram marihuana, althans enige gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt, als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES, heeft vervoerd en/of in bezit en/of aanwezig heeft gehad;
feit 4
hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 oktober 2021 tot en met 17 oktober 2023, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer personen, althans alleen, een hoeveelheid cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES, heeft bereid en/of verwerkt en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd en/of verstrekt en/of in bezit en/of aanwezig heeft gehad;
feit 5
hij op of omstreeks 17 oktober 2023, op bet eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer personen, althans alleen, al dan niet opzettelijk in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad ongeveer 22 gram cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES;
feit 6
hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2021 tot en met 17 oktober 2023, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer personen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s), een of meer (contante) geldbedrag(en), te weten:
een bedrag van in totaal USD 14.800,35, althans een geldbedrag (zijnde meerdere betalingen aan (bouw)bedrijven, waarmee de bouw en/of bouwwerkzaamheden aan de woning gelegen te [adres A], althans een woning werden betaald), en/of;
een bedrag van in totaal USD 470,-, althans een geldbedrag (zijnde privé stortingen en/of betalingen);
althans van een of meer voorwerpen en/of van een of meer (contante) geldbedragen waarmee deze voorwerpen werden betaald, de werkelijke aard, herkomst, vindplaats en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden op al die voorwerpen en/of die geldbedragen waren;
en/of
verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze genoemde voorwerpen en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
feit 7
dat [medeverdachte] in of omstreeks de periode van 17 oktober 2021 tot en met 17 oktober 2023, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer personen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft zij en/of haar mededader(s), een of meer (contante) geldbedrag(en), te weten:
- een bedrag van USD 8.000,- (zijnde contante betaling voor de aankoop van een jetski Sea Doo GTX limited 260);
althans van een of meer voorwerpen en/of van een of meer (contante) geldbedragen waarmee deze voorwerpen werden betaald, de werkelijke aard, herkomst, vindplaats en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden op al die voorwerpen en/of die geldbedragen waren;
en/of
verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) gebruik gemaakt, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze genoemde voorwerpen en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
tot en/of bij welk misdrijf verdachte op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 oktober 2021 tot en met 17 oktober 2023, op het eiland Bonaire medeplichtig is geweest door het opzettelijk verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, en/of bij dit misdrijf behulpzaam is geweest door toen en aldaar gelbedrag(en) aan die [medeverdachte] te overhandigen voor aankoop van voornoemde jetski.
Vrijspraak van de feiten 6 en 7
Evenals het Gerecht is het Hof van oordeel dat voor de onder 6 en 7 ten laste gelegde feiten onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. Ten aanzien van deze feiten neemt het Hof de navolgende overwegingen van het Gerecht over:
Voor een bewezenverklaring van witwassen moet in deze zaak vaststaan dat de geldbedragen en het geld waarmee de jetski is gekocht middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het gronddelict in deze zaak is duidelijk: het verkopen van drugs. Wanneer door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het geld of de jetski uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld en de jetski niet van misdrijf afkomstig zijn.
In dit geval heeft verdachte zo'n verklaring afgelegd. Over de betalingen aan bouwbedrijven (feit 6) heeft verdachte verklaard dat hij content geld van zijn moeder heeft gekregen voor de aanschaf van bouwmateriaal voor renovaties aan het huis. Zijn moeder is hierover gehoord en zij heeft hier hetzelfde over verklaard. Over de aankoop van de jetski (feit 7) heeft verdachte verklaard dat hij niets wist over de aanschaf van de jetski door medeverdachte [medeverdachte]. Medeverdachte [medeverdachte] heeft over de jetski verklaard dat ze deze van haar eigen spaargeld heeft gekocht en dat verdachte hier niets mee te maken had.
Op basis van de stukken kan niet met een voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de onder feit 6 genoemde geldbedragen en het aankoopbedrag van de onder feit 7 ten laste gelegde jetski, een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
De verdachte zal daarom van deze feiten worden vrijgesproken.
Inleiding
28 maart 2024 - ten laste gelegd dat:
feit 1
hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2021 tot en met 17 oktober 2023, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer personen, althans alleen, al dan niet opzettelijk minstens 11 planten van het geslacht cannabis, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES, heeft verbouwd;
feit 2
hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 oktober 2021 tot 17 oktober 2023, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer personen, althans alleen, opzettelijk hennep, althans enige gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt, als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES, heeft verkocht, en/of afgeleverd, en/of vervoerd, en/of in bezit en/of aanwezig heeft gehad;
feit 3
hij op of omstreeks 17 oktober 2023, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer personen, op het adres [adres A], opzettelijk een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 710 gram hennep en/of 18 gram marihuana, althans enige gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt, als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES, heeft vervoerd en/of in bezit en/of aanwezig heeft gehad;
feit 4
hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 oktober 2021 tot en met 17 oktober 2023, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer personen, althans alleen, een hoeveelheid cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES, heeft bereid en/of verwerkt en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd en/of verstrekt en/of in bezit en/of aanwezig heeft gehad;
feit 5
hij op of omstreeks 17 oktober 2023, op bet eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer personen, althans alleen, al dan niet opzettelijk in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad ongeveer 22 gram cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES;
feit 6
hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2021 tot en met 17 oktober 2023, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer personen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s), een of meer (contante) geldbedrag(en), te weten:
een bedrag van in totaal USD 14.800,35, althans een geldbedrag (zijnde meerdere betalingen aan (bouw)bedrijven, waarmee de bouw en/of bouwwerkzaamheden aan de woning gelegen te [adres A], althans een woning werden betaald), en/of;
een bedrag van in totaal USD 470,-, althans een geldbedrag (zijnde privé stortingen en/of betalingen);
althans van een of meer voorwerpen en/of van een of meer (contante) geldbedragen waarmee deze voorwerpen werden betaald, de werkelijke aard, herkomst, vindplaats en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden op al die voorwerpen en/of die geldbedragen waren;
en/of
verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze genoemde voorwerpen en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
feit 7
dat [medeverdachte] in of omstreeks de periode van 17 oktober 2021 tot en met 17 oktober 2023, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer personen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft zij en/of haar mededader(s), een of meer (contante) geldbedrag(en), te weten:
- een bedrag van USD 8.000,- (zijnde contante betaling voor de aankoop van een jetski Sea Doo GTX limited 260);
althans van een of meer voorwerpen en/of van een of meer (contante) geldbedragen waarmee deze voorwerpen werden betaald, de werkelijke aard, herkomst, vindplaats en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden op al die voorwerpen en/of die geldbedragen waren;
en/of
verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) gebruik gemaakt, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze genoemde voorwerpen en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
tot en/of bij welk misdrijf verdachte op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 oktober 2021 tot en met 17 oktober 2023, op het eiland Bonaire medeplichtig is geweest door het opzettelijk verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, en/of bij dit misdrijf behulpzaam is geweest door toen en aldaar gelbedrag(en) aan die [medeverdachte] te overhandigen voor aankoop van voornoemde jetski.
Vrijspraak van de feiten 6 en 7
Evenals het Gerecht is het Hof van oordeel dat voor de onder 6 en 7 ten laste gelegde feiten onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. Ten aanzien van deze feiten neemt het Hof de navolgende overwegingen van het Gerecht over:
Voor een bewezenverklaring van witwassen moet in deze zaak vaststaan dat de geldbedragen en het geld waarmee de jetski is gekocht middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het gronddelict in deze zaak is duidelijk: het verkopen van drugs. Wanneer door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het geld of de jetski uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld en de jetski niet van misdrijf afkomstig zijn.
In dit geval heeft verdachte zo'n verklaring afgelegd. Over de betalingen aan bouwbedrijven (feit 6) heeft verdachte verklaard dat hij content geld van zijn moeder heeft gekregen voor de aanschaf van bouwmateriaal voor renovaties aan het huis. Zijn moeder is hierover gehoord en zij heeft hier hetzelfde over verklaard. Over de aankoop van de jetski (feit 7) heeft verdachte verklaard dat hij niets wist over de aanschaf van de jetski door medeverdachte [medeverdachte]. Medeverdachte [medeverdachte] heeft over de jetski verklaard dat ze deze van haar eigen spaargeld heeft gekocht en dat verdachte hier niets mee te maken had.
Op basis van de stukken kan niet met een voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de onder feit 6 genoemde geldbedragen en het aankoopbedrag van de onder feit 7 ten laste gelegde jetski, een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
De verdachte zal daarom van deze feiten worden vrijgesproken.