Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-03-19
ECLI:NL:OGHACMB:2025:70
Civiel recht, Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
9,990 tokens
Inleiding
Uitspraak
CUR2024H00103
Datum uitspraak: 19 maart 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (het Gerecht) van 11 april 2024 in de zaak BBZ nr. CUR202205111, in het geding tussen:
de Inspecteur,
en
[Belanghebbende],
wonende te Curaçao,
(hierna: belanghebbende).
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is op 30 december 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting (IB) voor het jaar 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 81.348 (de aanslag).
1.2.
Het door belanghebbende daartegen op 24 december 2021 ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 14 april 2022 niet-ontvankelijk verklaard. In de beroepsfase heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat het bezwaar tijdig is ingediend en dat het ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
1.3.
Belanghebbende is op 12 mei 2022 tegen de uitspraak op bezwaar pro-forma in beroep gekomen bij het Gerecht en dit nader gemotiveerd bij schrijven van 7 juli 2022. Zij heeft NAf 50 aan griffierecht betaald.
1.4.
Het Gerecht heeft het beroep bij bovenvermelde uitspraak gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van NAf 62.420, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 700; en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 50 te vergoeden.
1.5.1.
Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur op 25 april 2024 hoger beroep ingesteld. Daarvoor is een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 500.
1.5.2.
Belanghebbende heeft op 5 oktober 2024 een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
1.6.
Deze zaak is ter zitting te Willemstad behandeld op 7 februari 2025. Belanghebbende was bij de zitting aanwezig, namens de Inspecteur waren [A] en [B] aanwezig. Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen. De pleitnota is toegevoegd aan de stukken van het geding.
Aan het eind van de behandeling van het hoger beroep is het onderzoek ter zitting gesloten.
Feiten
In deze zaak wordt uitgegaan van de navolgende, door het Gerecht vastgestelde feiten.
“2.1 Belanghebbende is alleenstaand. Zij verrichtte in het onderhavige jaar werkzaamheden als docente in het middelbaar onderwijs.
2.2
Belanghebbende is sinds 2011 eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning). Voor de aankoop van de woning heeft zij een hypothecaire lening afgesloten.
2.3
Vanaf 1994 stond op het adres van de woning bij de Kamer van Koophandel een kinderdagverblijf onder de naam [S] geregistreerd. In 2004 is het kinderdagverblijf ingebracht in de [S], waarvan belanghebbende als bestuurder stond geregistreerd. Het kinderdagverblijf is sinds eind 2016 niet meer actief.
2.4
Belanghebbende heeft tot 2 december 2019 in het bevolkingsregister ingeschreven gestaan op het adres van haar ouderlijk huis, [adres J]. Vanaf. 2 december 2019 staat zij ingeschreven op het adres van de woning.
2.5
Op de loonbelastingkaarten 2017 van belanghebbende is het adres [adres K] (ook aangeduid als: [adres J]) vermeld. Dit geldt ook voor de overige tot het procesdossier behorende brieven afkomstig van RBC Royal Bank N.V., diverse verzekeringsmaatschappijen en onderwijsinstellingen en een brief van de tandarts.
2.6
In haar aangifte IB 2017 heeft belanghebbende het vaste telefoonnummer opgegeven van haar ouderlijk huis.
2.7
Belanghebbende heeft aangifte IB 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen van NAf 54.261. Hierin heeft zij onder meer een bedrag van NAf 18.928 aan hypotheekrente eigen woning als persoonlijke lasten in aftrek gebracht. Tot de door belanghebbende aangegeven buitengewone lasten behoort daarnaast een bedrag van NAf 7.500 (voor aftrek van het drempelbedrag) aan uitgaven die zijn gedaan ten behoeve van het noodzakelijk levensonderhoud van naaste verwanten.
2.8
De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte. De Inspecteur heeft onder meer de door belanghebbende aangegeven hypotheekrente eigen woning niet in aftrek toegestaan.
Daarnaast heeft hij de door belanghebbende aangegeven uitgaven die zien op het noodzakelijk levensonderhoud van naaste verwanten slechts voor een deel (NAf 5.000) in aftrek toegestaan.”
Geschil
3.1.
In hoger beroep is in geschil of het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de rentekosten ad NAf 18.982 in aftrek kunnen worden gebracht.
3.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voormeld oordeel van het Gerecht juist is en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht.
3.3.
De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Gerecht.
3.4.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op wat zij ter zitting hebben bijgebracht.
4Oordeel van het Gerecht
Het Gerecht heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen:
“Aftrek hypotheekrente eigen woning
4.3.1
Ingevolge artikel 16, lid 1, letter h, onder 1 van de LIB zijn ter zake van de eigen woning die een belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staat de daarop betrekking hebbende rentekosten aftrekbaar tot een bedrag van NAf 27.500.
4.3.2
Ingevolge artikel 4, lid 4, letter a van de LIB wordt voor de toepassing van de landsverordening onder eigen woning verstaan een woning die belastingplichtige ter beschikking staat en waarvan de belastingplichtige eigenaar is.
4.4
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die aanspraak maakt op een aftrekpost, daarvan de bewijslast draagt. In het onderhavige geval moet belanghebbende – tegenover de betwisting van de Inspecteur – aannemelijk maken dat de woning haar tot hoofdverblijf ter beschikking staat.
4.5
De Inspecteur betwist dat de woning belanghebbende als hoofdverblijf ter beschikking staat en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Een medewerker van de terreindienst zou in het jaar 2022 tijdens een opname hebben geconstateerd dat de staat en de conditie van de woning duidelijk aangeven dat de woning niet in gebruik is. In haar verweerschrift heeft de Inspecteur hierover het volgende vermeld:
“De medewerker van de terreindienst heeft bij zijn opname geconstateerd dat het plafond van het huis aan het loslaten was en dat belanghebbende mensen daar had die het aan het repareren waren.
De staat en conditie waarin het pand werd aangetroffen gaf duidelijk aan dat het pand niet in gebruik was. Er was wel electra/water aanwezig. De conclusie van de medewerker die de opname ging doen was dat de elektriciteit voornamelijk was om te voorkomen dat men in de avonduren in het pand zou inbreken”
Uit de nadien overlegde nota’s van Aqualectra volgde verder een relatief laag waterverbruik, aldus de Inspecteur. Belanghebbende stond in het onderhavige jaar ingeschreven op het adres [adres J] (zie 2.4), waar zij ook haar post naar toe liet sturen (zie 2.5) en waarvan zij ook de vaste telefoonlijn gebruikte (zie 2.6). Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende volgens de Inspecteur geen recht op aftrek van hypotheekrente eigen woning.
4.6
Belanghebbende heeft samengevat aangevoerd dat zij in het jaar 2017 in de woning woonde en daar nog steeds woont, dat het een bewuste keuze is geweest om haar postadres en adres bij het bevolkingsregister bij verhuizingen niet te wijzigen doch het adres van het ouderlijk huis te blijven gebruiken, dat zij vaak op het adres van haar ouderlijk huis aanwezig is (ook ’s-nachts) wegens de zorg voor familieleden, waaronder haar zieke zus en haar nichtje. Verder voert ze aan dat zij een mobiele telefoon heeft en geen vaste telefoonlijn. Zij gebruikt voor lange gesprekken de vaste telefoonlijn van haar ouderlijk huis. Belanghebbende heeft over de (onderhoud)staat van de woning aangevoerd dat de woning geen nieuwbouw is en dat zij jaarlijks onderhoud moet plegen. Zo heeft zij een groot deel van het plafond van het huis vervangen door gipsplaten. Zij heeft ter ondersteuning van haar stelling een aantal facturen (de jaren 2016 en 2017) overgelegd.
4.7
Het Gerecht stelt voorop dat vaststaat dat belanghebbende de eigenaar is van de woning, dat zij de kosten van (de financiering van) de woning draagt en dat de woning niet wordt verhuurd. Verder is niet gesteld dat belanghebbende de eigenaar is van nog een andere woning of dat zij elders een woning huurt. Deze omstandigheden wijzen erop dat de woning haar als hoofdverblijf ter beschikking staat.
4.8
Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende een geloofwaardige verklaring heeft gegeven over het adres waarop zij in het onderhavige jaar ingeschreven staat bij het bevolkingsregister, over het gebruik van het postadres van haar ouderlijk huis en de vaste telefoonlijn alsmede de reden waarom zij vaak niet aanwezig is op het adres van haar woning. Met dit laatste heeft belanghebbende mede gelet op de omstandigheid dat zij een éénpersoonshuishouden voert eveneens een geloofwaardige verklaring gegeven voor het door de Inspecteur gestelde relatief lage waterverbruik.
4.9
De Inspecteur heeft tot slot ter zitting nog aangevoerd dat zij regelmatig langs de woning rijdt en ziet dat de woning thans (2024) niet bewoond is. Het Gerecht heeft tijdens de descente (zie 1.10) geconstateerd dat de woning – in tegenstelling tot hetgeen de Inspecteur beweert – wel bewoond is. Het betreft een grote woning, waarvan het achterste deel in gebruik is. Dat deel bestaat uit een keuken, woonkamer en buitenruimte met aangrenzende slaapkamers. De woning is minimaal gestoffeerd en geeft een verzorgde indruk.
4.10
Alles in overweging nemende is het Gerecht van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de woning haar als hoofdverblijf ter beschikking staat. De rentekosten van NAf 18.928 kunnen derhalve in aftrek worden gebracht.”
Overwegingen
5.1.
De Inspecteur heeft in hoger beroep aangevoerd dat de woning, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, voor belanghebbende geen hoofdverblijf vormt zodat geen aftrek van rentekosten kan worden verleend. In het hoger beroepschrift heeft de Inspecteur hieromtrent het volgende aangevoerd:
“(…) het Gerecht noemt geen feiten en omstandigheden die door belanghebbende zijn aangevoerd om aannemelijk te maken dat [adres] haar hoofdverblijf was. Het Gerecht heeft de uitspraak gebaseerd op verklaringen die belanghebbende heeft aangevoerd om de feiten en omstandigheden van de inspecteur te weerspreken. Belanghebbende heeft echter volstaan met verklaringen zonder enig bewijs of document ter onderbouwing van haar verklaringen. Echter, naar mijn mening zijn alleen haar verklaringen niet voldoende om vast te stellen dat [adres] haar hoofdverblijf was”.
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de bewijslast dat de woning van belanghebbende als hoofdverblijf moet worden aangemerkt bij belanghebbende ligt. Het is derhalve aan belanghebbende om de bewijsmiddelen in het geding te brengen waaruit de conclusie kan volgen dat [adres] het hoofdverblijf van belanghebbende is.
5.3.
De Inspecteur heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gesteld die niet al in bezwaar of eerste aanleg zijn aangevoerd. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het Gerecht zijn beslissing dat de woning van belanghebbende is aan te merken als hoofdverblijf had moeten baseren op de door belanghebbende aangevoerde feiten en omstandigheden, en niet (enkel) op verklaringen van belanghebbende.
5.4.1.
Die opvatting miskent dat de rechter bij zijn oordeelsvorming eerst alle door partijen in het geding gebrachte bewijsmiddelen, waaronder de gestelde feiten en omstandigheden en ook de door partijen afgelegde verklaringen, zal waarderen en op grond van die waardering van die bewijsmiddelen, tot welke waardering ook behoort het antwoord op de vraag of de afgelegde verklaringen geloofwaardig zijn, een keuze zal maken welke bewijsmiddelen hij zal hanteren voor het oordeel of een partij aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan.
5.4.2.
Het stond het Gerecht derhalve vrij ook de (enkele) verklaringen die door belanghebbende zijn afgelegd in zijn bewijsoordeel te betrekken. Dat het Gerecht de verklaringen van belanghebbende geloofwaardig heeft geacht moet worden bezien in het licht van het feit dat het Gerecht middels een descente die plaats vond in het kader van de in geschil zijnde vraag of de woning kan worden aangemerkt als hoofdverblijf van belanghebbende, de woning heeft bezocht.
5.4.3.
Beoordeling
5.5.
Gelet op het voorgaande kan niet geoordeeld worden dat wijze waarop het Gerecht tot zijn oordeel is gekomen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
5.6.
Anders dan de Inspecteur kennelijk voorstaat doet aan dat oordeel niet af dat belanghebbende ook op regelmatige basis aanwezig was in het ouderlijk huis en daar soms sliep, aangezien zulks niet maakt dat voor belanghebbende de woning aan de [adres] niet haar hoofdverblijf in de zin van artikel 16, lid 1, letter h, onder 1 van de LIB is.
5.7.
Ter zitting van het Hof is besproken dat sedert de aankoop door belanghebbende van de woning de door belanghebbende betaalde hypotheekrente tot en met het belastingjaar 2016 in aftrek is aanvaard. Er is bij de Inspecteur een misverstand ontstaan omdat de Inspecteur in de veronderstelling was dat belanghebbende haar woning verhuurde. Die veronderstelling was erop gebaseerd dat iemand anders stond ingeschreven op het adres [adres], zodat de Inspecteur dacht dat de woning van belanghebbende niet als haar hoofdverblijf diende. Die veronderstelling werd gesteund door het feit dat belanghebbende stond ingeschreven op het adres van haar ouderlijk huis. Dat was reden om de betaalde hypotheekrente niet in 2017 en 2018 in aftrek te aanvaarden. Nadien is gebleken dat die persoon woonachtig was op het adres [adres]. Belanghebbende heeft ter voorkoming van verdere misverstanden besloten zich uit te schrijven op het adres van de ouderlijke woning en zich in te schrijven op het adres van haar woning, [adres]. Voor wat betreft de belastingjaren 2017 en 2018 is de betaalde hypotheekrente niet in aftrek aanvaard. Na de adreswijziging is de betaalde hypotheekrente vanaf het belastingjaar 2019 wel in aftrek aanvaard.
5.8.
Gelet op het vorenoverwogene is het Hof met het Gerecht van oordeel dat dat belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de woning haar in het voorliggende jaar als hoofdverblijf ter beschikking staat.
Conclusie
5.9.
Gelet op al het voorgaande is het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond.
6Griffierecht en proceskosten
6.1.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Bij de beoordeling van dat verzoek neemt het Hof in ogenschouw dat belanghebbende in de beroepsfase gebruik heeft gemaakt van door een derde verleende rechtsbijstand, het Gerecht haar een proceskostenvergoeding heeft toegekend en dat belanghebbende ter zitting van het Hof geloofwaardig heeft verklaard dat zij voor het indienen van het verweerschrift in hoger beroep is bijgestaan door deze rechtsbijstandverlener, die belanghebbende voor de verrichtte werkzaamheden een factuur stuurt. Aangezien het Gerecht voor de beroepsfase reeds een proceskostenvergoeding aan belanghebbende heeft toegekend komt zij in hoger beroep slechts voor een vergoeding van de proceskosten in deze fase in aanmerking.
6.2.
In artikel 15, lid 2 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de kosten en de wijze van de berekeningen van de hoogte daarvan, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Daarom zal worden aangesloten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (zie ook Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
6.3.
Deze proceskosten worden op de voet van artikel 1 van dit Landsbesluit voor het hoger beroep vastgesteld op Afl 700 (1 punt voor het indienen van het verweerschrift met een waarde per punt NAf 700 en een wegingsfactor van 1).
Dictum
Het Hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van het Gerecht; en
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor de hoger beroepsfase van NAf 700.
De uitspraak is gedaan door mr. drs. W.H. Bel, voorzitter, mr. drs. P.J.J. Vonk en mr. M.J. Leijdekker, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. de Leeuw van Weenen, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
mr. L.M. de Leeuw van Weenen mr. drs. W.H. Bel
Afschriften zijn per post/per e-mail op aan partijen verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. waartegen u in beroep komt;
d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
Inleiding
Uitspraak
CUR2024H00103
Datum uitspraak: 19 maart 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (het Gerecht) van 11 april 2024 in de zaak BBZ nr. CUR202205111, in het geding tussen:
de Inspecteur,
en
[Belanghebbende],
wonende te Curaçao,
(hierna: belanghebbende).
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is op 30 december 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting (IB) voor het jaar 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 81.348 (de aanslag).
1.2.
Het door belanghebbende daartegen op 24 december 2021 ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 14 april 2022 niet-ontvankelijk verklaard. In de beroepsfase heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat het bezwaar tijdig is ingediend en dat het ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
1.3.
Belanghebbende is op 12 mei 2022 tegen de uitspraak op bezwaar pro-forma in beroep gekomen bij het Gerecht en dit nader gemotiveerd bij schrijven van 7 juli 2022. Zij heeft NAf 50 aan griffierecht betaald.
1.4.
Het Gerecht heeft het beroep bij bovenvermelde uitspraak gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van NAf 62.420, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 700; en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 50 te vergoeden.
1.5.1.
Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur op 25 april 2024 hoger beroep ingesteld. Daarvoor is een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 500.
1.5.2.
Belanghebbende heeft op 5 oktober 2024 een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
1.6.
Deze zaak is ter zitting te Willemstad behandeld op 7 februari 2025. Belanghebbende was bij de zitting aanwezig, namens de Inspecteur waren [A] en [B] aanwezig. Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen. De pleitnota is toegevoegd aan de stukken van het geding.
Aan het eind van de behandeling van het hoger beroep is het onderzoek ter zitting gesloten.
Feiten
In deze zaak wordt uitgegaan van de navolgende, door het Gerecht vastgestelde feiten.
“2.1 Belanghebbende is alleenstaand. Zij verrichtte in het onderhavige jaar werkzaamheden als docente in het middelbaar onderwijs.
2.2
Belanghebbende is sinds 2011 eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning). Voor de aankoop van de woning heeft zij een hypothecaire lening afgesloten.
2.3
Vanaf 1994 stond op het adres van de woning bij de Kamer van Koophandel een kinderdagverblijf onder de naam [S] geregistreerd. In 2004 is het kinderdagverblijf ingebracht in de [S], waarvan belanghebbende als bestuurder stond geregistreerd. Het kinderdagverblijf is sinds eind 2016 niet meer actief.
2.4
Belanghebbende heeft tot 2 december 2019 in het bevolkingsregister ingeschreven gestaan op het adres van haar ouderlijk huis, [adres J]. Vanaf. 2 december 2019 staat zij ingeschreven op het adres van de woning.
2.5
Op de loonbelastingkaarten 2017 van belanghebbende is het adres [adres K] (ook aangeduid als: [adres J]) vermeld. Dit geldt ook voor de overige tot het procesdossier behorende brieven afkomstig van RBC Royal Bank N.V., diverse verzekeringsmaatschappijen en onderwijsinstellingen en een brief van de tandarts.
2.6
In haar aangifte IB 2017 heeft belanghebbende het vaste telefoonnummer opgegeven van haar ouderlijk huis.
2.7
Belanghebbende heeft aangifte IB 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen van NAf 54.261. Hierin heeft zij onder meer een bedrag van NAf 18.928 aan hypotheekrente eigen woning als persoonlijke lasten in aftrek gebracht. Tot de door belanghebbende aangegeven buitengewone lasten behoort daarnaast een bedrag van NAf 7.500 (voor aftrek van het drempelbedrag) aan uitgaven die zijn gedaan ten behoeve van het noodzakelijk levensonderhoud van naaste verwanten.
2.8
De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte. De Inspecteur heeft onder meer de door belanghebbende aangegeven hypotheekrente eigen woning niet in aftrek toegestaan.
Daarnaast heeft hij de door belanghebbende aangegeven uitgaven die zien op het noodzakelijk levensonderhoud van naaste verwanten slechts voor een deel (NAf 5.000) in aftrek toegestaan.”
Geschil
3.1.
In hoger beroep is in geschil of het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de rentekosten ad NAf 18.982 in aftrek kunnen worden gebracht.
3.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voormeld oordeel van het Gerecht juist is en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht.
3.3.
De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Gerecht.
3.4.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op wat zij ter zitting hebben bijgebracht.
4Oordeel van het Gerecht
Het Gerecht heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen:
“Aftrek hypotheekrente eigen woning
4.3.1
Ingevolge artikel 16, lid 1, letter h, onder 1 van de LIB zijn ter zake van de eigen woning die een belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staat de daarop betrekking hebbende rentekosten aftrekbaar tot een bedrag van NAf 27.500.
4.3.2
Ingevolge artikel 4, lid 4, letter a van de LIB wordt voor de toepassing van de landsverordening onder eigen woning verstaan een woning die belastingplichtige ter beschikking staat en waarvan de belastingplichtige eigenaar is.
4.4
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die aanspraak maakt op een aftrekpost, daarvan de bewijslast draagt. In het onderhavige geval moet belanghebbende – tegenover de betwisting van de Inspecteur – aannemelijk maken dat de woning haar tot hoofdverblijf ter beschikking staat.
4.5
De Inspecteur betwist dat de woning belanghebbende als hoofdverblijf ter beschikking staat en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Een medewerker van de terreindienst zou in het jaar 2022 tijdens een opname hebben geconstateerd dat de staat en de conditie van de woning duidelijk aangeven dat de woning niet in gebruik is. In haar verweerschrift heeft de Inspecteur hierover het volgende vermeld:
“De medewerker van de terreindienst heeft bij zijn opname geconstateerd dat het plafond van het huis aan het loslaten was en dat belanghebbende mensen daar had die het aan het repareren waren.
De staat en conditie waarin het pand werd aangetroffen gaf duidelijk aan dat het pand niet in gebruik was. Er was wel electra/water aanwezig. De conclusie van de medewerker die de opname ging doen was dat de elektriciteit voornamelijk was om te voorkomen dat men in de avonduren in het pand zou inbreken”
Uit de nadien overlegde nota’s van Aqualectra volgde verder een relatief laag waterverbruik, aldus de Inspecteur. Belanghebbende stond in het onderhavige jaar ingeschreven op het adres [adres J] (zie 2.4), waar zij ook haar post naar toe liet sturen (zie 2.5) en waarvan zij ook de vaste telefoonlijn gebruikte (zie 2.6). Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende volgens de Inspecteur geen recht op aftrek van hypotheekrente eigen woning.
4.6
Belanghebbende heeft samengevat aangevoerd dat zij in het jaar 2017 in de woning woonde en daar nog steeds woont, dat het een bewuste keuze is geweest om haar postadres en adres bij het bevolkingsregister bij verhuizingen niet te wijzigen doch het adres van het ouderlijk huis te blijven gebruiken, dat zij vaak op het adres van haar ouderlijk huis aanwezig is (ook ’s-nachts) wegens de zorg voor familieleden, waaronder haar zieke zus en haar nichtje. Verder voert ze aan dat zij een mobiele telefoon heeft en geen vaste telefoonlijn. Zij gebruikt voor lange gesprekken de vaste telefoonlijn van haar ouderlijk huis. Belanghebbende heeft over de (onderhoud)staat van de woning aangevoerd dat de woning geen nieuwbouw is en dat zij jaarlijks onderhoud moet plegen. Zo heeft zij een groot deel van het plafond van het huis vervangen door gipsplaten. Zij heeft ter ondersteuning van haar stelling een aantal facturen (de jaren 2016 en 2017) overgelegd.
4.7
Het Gerecht stelt voorop dat vaststaat dat belanghebbende de eigenaar is van de woning, dat zij de kosten van (de financiering van) de woning draagt en dat de woning niet wordt verhuurd. Verder is niet gesteld dat belanghebbende de eigenaar is van nog een andere woning of dat zij elders een woning huurt. Deze omstandigheden wijzen erop dat de woning haar als hoofdverblijf ter beschikking staat.
4.8
Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende een geloofwaardige verklaring heeft gegeven over het adres waarop zij in het onderhavige jaar ingeschreven staat bij het bevolkingsregister, over het gebruik van het postadres van haar ouderlijk huis en de vaste telefoonlijn alsmede de reden waarom zij vaak niet aanwezig is op het adres van haar woning. Met dit laatste heeft belanghebbende mede gelet op de omstandigheid dat zij een éénpersoonshuishouden voert eveneens een geloofwaardige verklaring gegeven voor het door de Inspecteur gestelde relatief lage waterverbruik.
4.9
De Inspecteur heeft tot slot ter zitting nog aangevoerd dat zij regelmatig langs de woning rijdt en ziet dat de woning thans (2024) niet bewoond is. Het Gerecht heeft tijdens de descente (zie 1.10) geconstateerd dat de woning – in tegenstelling tot hetgeen de Inspecteur beweert – wel bewoond is. Het betreft een grote woning, waarvan het achterste deel in gebruik is. Dat deel bestaat uit een keuken, woonkamer en buitenruimte met aangrenzende slaapkamers. De woning is minimaal gestoffeerd en geeft een verzorgde indruk.
4.10
Alles in overweging nemende is het Gerecht van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de woning haar als hoofdverblijf ter beschikking staat. De rentekosten van NAf 18.928 kunnen derhalve in aftrek worden gebracht.”
Overwegingen
5.1.
De Inspecteur heeft in hoger beroep aangevoerd dat de woning, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, voor belanghebbende geen hoofdverblijf vormt zodat geen aftrek van rentekosten kan worden verleend. In het hoger beroepschrift heeft de Inspecteur hieromtrent het volgende aangevoerd:
“(…) het Gerecht noemt geen feiten en omstandigheden die door belanghebbende zijn aangevoerd om aannemelijk te maken dat [adres] haar hoofdverblijf was. Het Gerecht heeft de uitspraak gebaseerd op verklaringen die belanghebbende heeft aangevoerd om de feiten en omstandigheden van de inspecteur te weerspreken. Belanghebbende heeft echter volstaan met verklaringen zonder enig bewijs of document ter onderbouwing van haar verklaringen. Echter, naar mijn mening zijn alleen haar verklaringen niet voldoende om vast te stellen dat [adres] haar hoofdverblijf was”.
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de bewijslast dat de woning van belanghebbende als hoofdverblijf moet worden aangemerkt bij belanghebbende ligt. Het is derhalve aan belanghebbende om de bewijsmiddelen in het geding te brengen waaruit de conclusie kan volgen dat [adres] het hoofdverblijf van belanghebbende is.
5.3.
De Inspecteur heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gesteld die niet al in bezwaar of eerste aanleg zijn aangevoerd. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het Gerecht zijn beslissing dat de woning van belanghebbende is aan te merken als hoofdverblijf had moeten baseren op de door belanghebbende aangevoerde feiten en omstandigheden, en niet (enkel) op verklaringen van belanghebbende.
5.4.1.
Die opvatting miskent dat de rechter bij zijn oordeelsvorming eerst alle door partijen in het geding gebrachte bewijsmiddelen, waaronder de gestelde feiten en omstandigheden en ook de door partijen afgelegde verklaringen, zal waarderen en op grond van die waardering van die bewijsmiddelen, tot welke waardering ook behoort het antwoord op de vraag of de afgelegde verklaringen geloofwaardig zijn, een keuze zal maken welke bewijsmiddelen hij zal hanteren voor het oordeel of een partij aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan.
5.4.2.
Het stond het Gerecht derhalve vrij ook de (enkele) verklaringen die door belanghebbende zijn afgelegd in zijn bewijsoordeel te betrekken. Dat het Gerecht de verklaringen van belanghebbende geloofwaardig heeft geacht moet worden bezien in het licht van het feit dat het Gerecht middels een descente die plaats vond in het kader van de in geschil zijnde vraag of de woning kan worden aangemerkt als hoofdverblijf van belanghebbende, de woning heeft bezocht.
5.4.3.
Beoordeling
5.5.
Gelet op het voorgaande kan niet geoordeeld worden dat wijze waarop het Gerecht tot zijn oordeel is gekomen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
5.6.
Anders dan de Inspecteur kennelijk voorstaat doet aan dat oordeel niet af dat belanghebbende ook op regelmatige basis aanwezig was in het ouderlijk huis en daar soms sliep, aangezien zulks niet maakt dat voor belanghebbende de woning aan de [adres] niet haar hoofdverblijf in de zin van artikel 16, lid 1, letter h, onder 1 van de LIB is.
5.7.
Ter zitting van het Hof is besproken dat sedert de aankoop door belanghebbende van de woning de door belanghebbende betaalde hypotheekrente tot en met het belastingjaar 2016 in aftrek is aanvaard. Er is bij de Inspecteur een misverstand ontstaan omdat de Inspecteur in de veronderstelling was dat belanghebbende haar woning verhuurde. Die veronderstelling was erop gebaseerd dat iemand anders stond ingeschreven op het adres [adres], zodat de Inspecteur dacht dat de woning van belanghebbende niet als haar hoofdverblijf diende. Die veronderstelling werd gesteund door het feit dat belanghebbende stond ingeschreven op het adres van haar ouderlijk huis. Dat was reden om de betaalde hypotheekrente niet in 2017 en 2018 in aftrek te aanvaarden. Nadien is gebleken dat die persoon woonachtig was op het adres [adres]. Belanghebbende heeft ter voorkoming van verdere misverstanden besloten zich uit te schrijven op het adres van de ouderlijke woning en zich in te schrijven op het adres van haar woning, [adres]. Voor wat betreft de belastingjaren 2017 en 2018 is de betaalde hypotheekrente niet in aftrek aanvaard. Na de adreswijziging is de betaalde hypotheekrente vanaf het belastingjaar 2019 wel in aftrek aanvaard.
5.8.
Gelet op het vorenoverwogene is het Hof met het Gerecht van oordeel dat dat belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de woning haar in het voorliggende jaar als hoofdverblijf ter beschikking staat.
Conclusie
5.9.
Gelet op al het voorgaande is het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond.
6Griffierecht en proceskosten
6.1.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Bij de beoordeling van dat verzoek neemt het Hof in ogenschouw dat belanghebbende in de beroepsfase gebruik heeft gemaakt van door een derde verleende rechtsbijstand, het Gerecht haar een proceskostenvergoeding heeft toegekend en dat belanghebbende ter zitting van het Hof geloofwaardig heeft verklaard dat zij voor het indienen van het verweerschrift in hoger beroep is bijgestaan door deze rechtsbijstandverlener, die belanghebbende voor de verrichtte werkzaamheden een factuur stuurt. Aangezien het Gerecht voor de beroepsfase reeds een proceskostenvergoeding aan belanghebbende heeft toegekend komt zij in hoger beroep slechts voor een vergoeding van de proceskosten in deze fase in aanmerking.
6.2.
In artikel 15, lid 2 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de kosten en de wijze van de berekeningen van de hoogte daarvan, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Daarom zal worden aangesloten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (zie ook Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
6.3.
Deze proceskosten worden op de voet van artikel 1 van dit Landsbesluit voor het hoger beroep vastgesteld op Afl 700 (1 punt voor het indienen van het verweerschrift met een waarde per punt NAf 700 en een wegingsfactor van 1).
Dictum
Het Hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van het Gerecht; en
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor de hoger beroepsfase van NAf 700.
De uitspraak is gedaan door mr. drs. W.H. Bel, voorzitter, mr. drs. P.J.J. Vonk en mr. M.J. Leijdekker, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. de Leeuw van Weenen, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
mr. L.M. de Leeuw van Weenen mr. drs. W.H. Bel
Afschriften zijn per post/per e-mail op aan partijen verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. waartegen u in beroep komt;
d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.