Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2025-01-28
ECLI:NL:OGHACMB:2025:11
Civiel recht
Hoger beroep
1,122 tokens
=== VOLLEDIG ===
Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummers: CUR202100440 – CUR2022H00278
Uitspraak: 28 januari 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[DE VROUW],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
thans appellante,
gemachtigde: mr. L.F. Herben,
tegen
[DE MAN],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg eiser in conventie, verweerder in reconventie,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. E.A. Knoppel.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.
1De zaak in het kort
Deze zaak betreft een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding. In dit hoger beroep is de betekenis aan de orde van een vaststellingsovereenkomst die gesloten is voordat het Gerecht eindvonnis wees en die niet ter kennis van het Gerecht is gebracht. Op 30 juli 2024 heeft het Hof een tussenvonnis uitgesproken. Vandaag spreekt het Hof een eindvonnis uit.
2Het verdere verloop van de procedure
2.1
Bij tussenvonnis van 30 juli 2024 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor gelijktijdige akten aan beide zijden, waarna gelegenheid zou worden geboden voor gelijktijdige antwoordakten.
2.2
Op de rol van 15 oktober 2024 heeft alleen de gemachtigde van de man een akte ingediend.
2.3
Bij e-mail van 14 november 2024 heeft de griffie van het Hof aan de gemachtigden bericht dat de gemachtigde van de vrouw weliswaar de gelegenheid voorbij had laten gaan om een akte in te dienen, maar dat het recht van de vrouw om een antwoordakte in te dienen daarmee niet was vervallen. Daarom heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor antwoordakte aan de zijde van de vrouw.
2.4
Op de rol van 17 december 2024 heeft de gemachtigde van de vrouw een antwoordakte ingediend.
2.5
Vonnis is bepaald op vandaag.
3De verdere beoordeling
3.1
In het tussenvonnis van 30 juli 2024 heeft het Hof overwogen dat het voorshands van oordeel is dat in de vaststellingsovereenkomst niet is overeengekomen dat de boedelscheidingszaak zou worden geroyeerd en evenmin dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben uit hoofde van de huwelijksgoederengemeenschap. Daarbij heeft het Hof overwogen dat dit zou betekenen dat het hoger beroep niet slaagt en dat het bestreden vonnis moet worden bevestigd.
3.2
In de akte na tussenvonnis van de man ligt besloten dat de man het voorshands gegeven oordeel van het Hof onderschrijft.
3.3
De vrouw heeft in haar antwoordakte na tussenvonnis haar standpunt herhaald dat in de vaststellingsovereenkomst wel is overeengekomen dat (ook) de boedelscheidingszaak zou worden geroyeerd. Zij heeft dat standpunt echter niet toegelicht en is niet ingegaan op hetgeen het Hof heeft overwogen ter motivering van zijn voorshands gegeven oordeel dat dit niet zo is.
3.4
Gelet op dit nadere partijdebat maakt het Hof het voorshands gegeven oordeel thans tot een zonder voorbehoud gegeven oordeel. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat het bestreden vonnis moet worden bevestigd. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, omdat partijen met elkaar getrouwd zijn geweest. Voor het maken van een uitzondering op dit uitgangspunt bestaat in dit geval onvoldoende aanleiding.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.