Rechtspraak 2024-10-08
ECLI:NL:OGHACMB:2024:364
Burgerlijke zaken over 2024 Registratienummers: CUR202200143 en CUR2023H00125 Uitspraak: 8 oktober 2024 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: [appellant], die woont in [woonplaats], in eerste aanleg gedaagde, thans appellant, gemachtigde: mr. A. Kleinmoedig, tegen Maduro & Curiel’s Bank N.V. die is gevestigd in Curaçao, in eerste aanleg eiseres, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. H.W. Braam. Partijen worden hierna aangeduid als [appellant] respectievelijk MCB. 1 De zaak in het kort 1.1 MCB vordert betaling van hoofdsom en rente, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, van een aan [appellant] verstrekte lening. De rechtshandeling waarbij die lening is verstrekt is volgens [appellant] echter vernietigbaar omdat de toestemming daarvoor van haar echtgenoot ontbrak. Daarnaast voert zij aan haar betalingen te hebben mogen opschorten wegens tekortkomingen van MCB en betwist zij de opeisbaarheid en hoogte van de vordering van MCB. Van haar kant (reconventie) heeft zij gevorderd de waardeloosverklaring van de hypothecaire inschrijving op de echtelijke woning. 1.2 Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft (in conventie) de vordering van MCB toegewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling van hoofdsommen (NAf 314.816,04 respectievelijk NAf 12.000,-) en (overeengekomen respectievelijk wettelijke) rente, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten van NAf 4.500,-. In reconventie heeft het voor recht verklaard dat de hypothecaire inschrijving op de echtelijke woning waardeloos is. 1.3 Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht, voor zover aan hoger beroep onderworpen, behalve op het punt van de buitengerechtelijke incassokosten. Die worden alsnog afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom zo geoordeeld wordt. 2 Het verloop van de procedure 2.1 Bij op 5 april 2023 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 3 april 2023 uitgesproken (eind)vonnis van het Gerecht. 2.2 Bij op 16 mei 2023 ingekomen memorie van grieven heeft [appellant] 20 grieven aangevoerd tegen het vonnis van het Gerecht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en MCB alsnog niet-ontvankelijk verklaart in haar vorderingen dan wel deze afwijst met veroordeling van MCB in de proceskosten van beide instanties. 2.3 Bij op 3 juli 2023 ingekomen memorie van antwoord heeft MCB het hoger beroep bestreden. Haar conclusie strekt ertoe het vonnis waarvan beroep, al dan niet onder verbetering van gronden, te bevestigen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad. 2.4 Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. 2.5 Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag. 3 De beoordeling Feiten 3.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten. 3.2 MCB heeft op 19 november 2009 een hypothecaire lening verstrekt aan [appellant] voor de aanschaf van een perceel te [adres A] (hierna: "[adres A]"). Daarbij is een recht van hypotheek gevestigd op [adres A] (hiema: "Hypotheek 1"). De hypothecaire lening is afgelost, de hypotheek is niet doorgehaald. 3.3 Op 7 juli 2017 heeft MCB een hypothecaire lening verstrekt aan [appellant] ten behoeve van de aankoop van een onroerende zaak te [adres B] in [wijk], plaatselijk bekend als [adres B] (hierna: "[adres B]"). Tot zekerheid met betrekking tot deze lening is een recht van hypotheek gevestigd op [adres A] en [adres B] (hierna: "Hypotheek 2"). 3.4 [ appellant] heeft op 21 januari 2020 een kredietbrief ondertekend waarbij zij de overtrokken rekening courant schuld van haar vader bij MCB ten bedrage van NAf 326.133,67 heeft overgenomen in de vorm van een lening (hiema: "Lening I"). De aflossingsverplichting bedroeg NAf 2.000,- per maand, ingaande 31 januari 2020. 3.5 In de overeenkomst ter zake van Lening I, ondertekend door [appellant 3.14 [ appellant] heeft, in reconventie, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair een verklaring voor recht dat (A) de hypothecaire inschrijving ten gunste van MCB met betrekking tot [adres A] waardeloos is, en dat (B) het ten gunste van MCB gevestigde recht van hypotheek met betrekking tot [adres B] teniet is gegaan en waardeloos is, en dat (C) MCB tegenover [appellant] tekort is geschoten in de nakoming van de leningsovereenkomsten en dat [appellant] terecht haar verplichtingen met betrekking tot Lening I heeft opgeschort, alsook (D) te bepalen dat MCB geen rente verschuldigd is over de periode november 2020 tot aan de dag dat MCB een verklaring ex artikel 3:274 BW afgeeft met betrekking tot [adres A] en [adres B]; subsidiair een veroordeling van MCB om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis een algeheel royement te verstrekken voor [adres A] en [adres B], op straffe van een dwangsom. primair en subsidiair veroordeling van MCB in de proceskosten. Beslissingen van het Gerecht 3.15 In het vonnis waarvan beroep heeft het Gerecht in conventie - [ appellant] veroordeeld tot betaling aan MCB van een bedrag van NAf 314.816,04, vermeerderd met de overeengekomen rente van 1,3% vanaf 7 januari 2022 tot de dag van algehele voldoening, en tot betaling van een bedrag van NAf 12.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2022 tot de dag van algehele voldoening, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad NAf 4.500; - [ appellant] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van MCB, begroot op NAf 12.251,45; - het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en - het meer of anders gevorderde afgewezen. in reconventie - voor recht verklaard dat de hypothecaire inschrijving (Hypotheek 1) ten gunste van MCB met betrekking tot [adres A] waardeloos is; - het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; - de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; - het meer of anders gevorderde afgewezen. Beoordeling door het Hof Inleiding 3.16 De grieven van [appellant] tegen het vonnis van het Gerecht hebben betrekking op de volgende thema’s: - de toestemming van de echtgenoot (grieven 1 tot en met 5) - de opschorting (grieven 6 tot en met 10) - de opeisbaarheid (grieven 11 tot en met 13) - de hoogte van de vordering (grieven 14 tot en met 18) - de buitengerechtelijke incassokosten (grief 19) Grief 20 is in het algemeen gericht tegen de in conventie gegeven beslissingen en mist zelfstandige betekenis. 3.17 MCB heeft afgezien van het instellen van (incidenteel) hoger beroep. De verklaring voor recht die het Gerecht in reconventie heeft gegeven valt daarom buiten de omvang van het hoger beroep. De toestemming van de echtgenoot (grieven 1 tot en met 5) De beslissing van het Gerecht 3.18 De echtgenoot van [appellant] heeft in zijn brief van 18 augustus 2022 (zie hiervoor onder 3.12) de rechtshandeling van [appellant] van 21 januari 2020 (waarbij zij lening I aanging) buitengerechtelijk vernietigd. Het Gerecht heeft, zich baserend op artikel 3:41 BW, twee overeenkomsten onderscheiden: die tot het aangaan van lening I en die tot vestiging van het recht van hypotheek als zekerheid voor die lening. Voor die laatste is het beroep op vernietiging gehonoreerd, voor de eerste niet. De grieven van [appellant] 3.19 [ appellant] stelt in hoger beroep dat het Gerecht buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door de beslissing (mede) te baseren op artikel 3:41 BW hoewel MCB op dat artikel geen beroep had gedaan. Ook stelt zij dat de lening en de te verstrekken hypothecaire zekerheid daarvoor onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; om die reden is gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst van 21 januari 2020 niet mogelijk. Tot slot is het, aldus [appellant], evident dat het belang van haar echtgenoot er niet mee gediend is indien de overeenkomst slechts op het punt van de hypotheekverstrekking en niet ook op dat van de lening nietig is nu die hypotheek betrek Nu gaat het slechts om de vraag of, bij het wegvallen van de hypothecaire zekerheid, een zinvolle overeenkomst resteert. Dat is het geval: de overeenkomst van geldlening spoort met wat partijen destijds wilden en is ook zonder hypothecaire zekerheid voor [appellant] en MCB uitvoerbaar. Van een, gelet op inhoud en strekking van de overeenkomst, onverbrekelijk verband tussen geldlening en hypotheek is daarom geen sprake. 3.27 [ appellant] noemt ook nog als reden om de rechtshandeling van 21 januari 2020 niet gedeeltelijk nietig te verklaren het belang van haar echtgenoot. Dat belang is er, volgens haar, niet mee gediend dat de overeenkomst slechts op het punt van de hypotheekverstrekking en niet ook op dat van de lening nietig is nu die hypotheek betrekking heeft op de echtelijke woning ([adres A]). 3.28 Het belang waarin artikel 1:88 BW de echtgenoot beschermt is het voorkomen dat de echtelijke woning met hypotheek bezwaard wordt en dus het risico ontstaat dat (ook) de echtgenoot deze moet verlaten. De wetgever heeft er niet voor gekozen om die bescherming uit te strekken tot het aangaan van een geldlening door de andere echtgenoot. Als die geldlening wordt aangegaan (zoals in dit geval) brengt dat het risico mee dat bij niet nakoming verhaal wordt genomen op de echtelijke woning. Dat risico is inherent aan de genoemde keuze van de wetgever en daarom niet een belang waarin de echtgenoot moet worden beschermd. 3.29 De grieven 1 tot en met 5 slagen niet. De opschorting (grieven 6 tot en met 10) De beslissing van het Gerecht 3.30 [ appellant] heeft in eerste aanleg gesteld dat zij haar verplichtingen met betrekking tot lening 1 en 1A mag opschorten wegens een tekortkoming van MCB (artikel 6:262 BW). Het Gerecht heeft geoordeeld dat [appellant] met die tekortkoming kennelijk het oog had op de verplichting van MCB om de hypothecaire inschrijving op [adres A] door te halen. Van een opschortingsrecht was echter geen sprake omdat gesteld noch gebleken is dat [appellant] om doorhaling heeft verzocht en MCB die doorhaling heeft geweigerd. Bovendien is onvoldoende onderbouwd dat sprake is van voldoende samenhang tussen de prestaties van partijen over en weer, zeker nu deze niet voortvloeien uit dezelfde overeenkomst. De grieven van [appellant] 3.31 [ appellant] stelt dat het Gerecht ook hier buiten de rechtsstrijd tussen partijen is getreden door te oordelen dat niet aan het in artikel 6:262 BW gestelde vereiste van tegenover elkaar staande verplichtingen is voldaan. MCB heeft dat verweer namelijk niet gevoerd. Bovendien is sprake van verbintenissen over en weer die uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien: partijen hebben immers meerdere malen zaken met elkaar gedaan (artikel 6:52 lid 2 BW). MCB heeft gehandeld in strijd met haar bancaire zorgvuldigheidsplicht die uit die rechtsverhouding voortvloeit. Om die reden was [appellant] gerechtigd tot opschorting van haar verplichtingen. Ook hier is het Gerecht niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden 3.32 [ appellant] heeft aan haar beroep op opschorting van haar verplichtingen uit lening I (in haar conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie op pagina 8) ten grondslag gelegd artikel 6:262 BW. In dat artikel staat dat, als een van de partijen haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij bevoegd is de nakoming van ‘ haar daartegenover staande verplichtingen’ op te schorten. MCB heeft gemotiveerd betwist dat zij in gebreke is gebleven in de nakoming van haar verplichtingen uit lening I door aan te voeren dat op [adres A] nog slechts een hypothecaire inschrijving rustte met betrekking tot de in 2009 verstrekte lening. Het Gerecht had, gegeven deze wederzijdse stellingname en de door [appellant] aangevoerde grondslag voor haar opschortingsverweer, te onderzoeken of sprake was van tegenover elkaar staande verplichtingen met betrekking tot lening I. Dat heeft het Gerecht gedaan op basis van de door partijen aangereikte feiten. Aldus bleef het Gerecht binnen het kader Het gestelde wantrouwen jegens MCB kan niet als een concrete betwisting worden aangemerkt. Ad d en e 3.40 Dat MCB de overeenkomst met betrekking tot lening I (ook) heeft aangeduid als een op ’14 januari 2020’ (in plaats van op 21 januari 2020) gesloten overeenkomst is niet meer dan een vergissing. [appellant] heeft daarvan geen enkel nadeel ondervonden. In zoverre en ook overigens is dus geen sprake van een (al dan niet: nog voortdurende) tekortkoming van MCB. Een beroep op opschorting komt [appellant] dan ook niet toe. De grieven 6 tot en met 10 falen. De opeisbaarheid (grieven 11 tot en met 13) 3.41 [ appellant] stelt dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat zij genoegzaam kennis heeft kunnen nemen van de algemene voorwaarden van MCB (die volgens het Gerecht in de overeenkomst van 21 januari 2020 zijn aangeduid als “The General Conditions of Maduro & Curiel’s Bank N.V.”) omdat [appellant] eerder al twee hypothecaire leningen heeft afgesloten bij MCB. Ook hier geldt volgens [appellant] dat MCB dat feit niet aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd en het Gerecht dus buiten de rechtsstrijd tussen partijen is getreden. Bovendien zijn die algemene voorwaarden haar niet ter hand gesteld zodat artikel 33 van die algemene voorwaarden vernietigbaar en thans nietig is. Evenmin doet zich de situatie voor dat zij heeft voldaan aan het, in de overeenkomst van 21 januari 2020 opgenomen, verzoek van MCB om de “General Terms and Conditions for credit facilities” te ondertekenen en met de, ook ondertekende, kredietbrief retour te sturen. 3.42 Het Hof oordeelt als volgt. MCB heeft haar algemene voorwaarden in het geding gebracht als productie 3 bij het inleidend verzoekschrift. Daarmee was duidelijk dat MCB de onmiddellijke opeisbaarheid van haar vordering (ook) baseerde op artikel 33 van die algemene voorwaarden. In de overeenkomst van 21 januari 2020 staat dat deze algemene voorwaarden (daarin aangeduid als “The General Conditions of Maduro & Curiel’s Bank N.V.”) reeds in het bezit van [appellant] zijn. [appellant] heeft de kredietbrief, waarin dit staat, ondertekend. 3.43 De, door [appellant] voor akkoord getekende, kredietbrief is een onderhandse akte, bestemd om tot bewijs te dienen. Een dergelijke akte levert ten aanzien van een verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat (artikel 136 lid 2 Rv). 3.44 De ondertekening van de kredietbrief strekte er (mede) toe te bewijzen dat de algemene voorwaarden van MCB reeds in het bezit van [appellant] waren. Die kredietbrief levert dus in zoverre dwingend bewijs op tussen partijen. Het leveren van tegenbewijs staat [appellant] wel vrij, maar [appellant] heeft bewijslevering niet aangeboden en haar, eventuele, aanbod in ieder geval onvoldoende onderbouwd. 3.45 Bij deze stand van zaken is het niet nodig nog te oordelen over de vraag of het Gerecht met zijn overweging over de eerder verstrekte hypotheken en de mede op basis daarvan aangenomen bekendheid van [appellant] met de algemene voorwaarden van MCB, buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Dat aspect van de zaak is niet van belang omdat hiervoor al tot de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden is geconcludeerd zonder een dergelijke verwijzing. 3.46 Het verweer dat artikel 33 van de algemene voorwaarden nietig is heeft [appellant] gebaseerd op de stelling dat zij die algemene voorwaarden niet heeft ontvangen. Dat is feitelijk onjuist, zoals hiervoor uiteengezet, en daarmee valt de basis onder dit verweer weg. 3.47 Van belang is ook niet meer de stelling dat [appellant] geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van MCB om de “General Terms and Conditions for credit facilities” te ondertekenen en aan MCB te retourneren. De opeisbaarheid van de vordering is door MCB niet op enige bepaling uit die