Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-12-17
ECLI:NL:OGHACMB:2024:309
Civiel recht
Hoger beroep
3,868 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummers: CUR202203222 en CUR2023H00321
Uitspraak: 17 december 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[appellant],
die woont in [woonplaats],
in eerste aanleg verweerder in conventie, eiser in reconventie,
thans appellant,
gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez,
tegen
de naamloze vennootschap
Banco di Caribe N.V.,
die is gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. A.C. van Hoof.
Partijen worden hierna aangeduid als [appellant] respectievelijk de Bank.
1De zaak in het kort
1.1
De Bank heeft de hypothecair verbonden woning van [appellant] op een veiling doen verkopen. Deze zaak gaat over de vraag of de Bank daarbij onzorgvuldig gehandeld heeft en om die reden aansprakelijk is voor de door [appellant] gestelde schade. Ook is aan de orde de vraag of nog een restschuld van [appellant] aan de Bank bestaat en zo ja, wat de hoogte daarvan is.
1.2
Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van een restschuld en zijn vorderingen op basis van de gestelde onzorgvuldigheid van de Bank afgewezen. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten.
1.3
Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht. Hierna wordt uitgelegd waarom zo geoordeeld wordt.
2Het verloop van de procedure
2.1
Bij op 24 november 2023 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 16 oktober 2023 uitgesproken eindvonnis van het Gerecht.
2.2
Bij op 8 januari 2024 ingekomen memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof dat vonnis vernietigt, een deskundigenbericht gelast en vervolgens, alsnog, de vordering van de Bank afwijst en die van [appellant] toewijst met veroordeling van de Bank in de kosten van de procedure in beide instanties.
2.3
Bij op 18 maart 2024 bij de griffie ingekomen memorie van antwoord heeft de Bank de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe het vonnis waarvan beroep te bevestigen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van beide instanties.
2.4
Op 26 november 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2.5
Vonnis is gevraagd en, bij vervroeging, bepaald op vandaag.
3De beoordeling
Feiten
3.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2 [
appellant] heeft, blijkens daarvan opgemaakte kredietakte, in 1991 als hoofdelijk schuldenaar een rentedragende lening met hypothecaire zekerheid afgesloten met de Bank. Als onderpand diende de woning [de woning] in Curaçao (verder: de woning).
3.3
In artikel I van de kredietakte is bepaald dat de kredietnemer ([appellant]) voor wat betreft de omvang van de schuld genoegen neemt met wat de administratie van de Bank toont, behoudens door de kredietnemer te leveren tegenbewijs (verder: de boekenclausule).
3.4
De lening is niet aan de bank terugbetaald.
3.5
Op 29 april 2015 heeft [appellant] met de Bank een ‘Credit Facilities Agreement’ gesloten. Vastgesteld is daarin dat het op dat moment openstaande bedrag
NAf 303.888,04 was. Overeengekomen is dat dit bedrag in 230 termijnen zou worden afgelost. Die afspraak is [appellant] niet nagekomen.
3.6
Op 2 oktober 2017 is een nieuwe overeenkomst tussen partijen gesloten met als titel ‘Payment Arrangement Facility’. Daarin is vastgesteld dat de schuld op dat moment NAf 365.970,29 bedroeg. Overeengekomen werd dat [appellant] vier maanden lang maandelijks NAf 2.700,- zou betalen waarna de Bank de mogelijkheid zou onderzoeken de schuld te herstructureren. Deze overeenkomst is niet nagekomen door [appellant].
3.7
Op 18 oktober 2018 liet een medewerker van de Bank aan [appellant] weten dat de “achterstand” op de hypotheek NAf 4.710,- (exclusief rente) bedroeg en dat de “debetstand” op de rekening-courant NAf 102.397,94 was.
3.8
De Bank heeft het onderpand (de woning) in 2019 geveild. De inzetprijs bij de veiling was NAf 224.000,-. Bij die veiling is slechts door één gegadigde een bod uitgebracht ter hoogte van de inzetprijs. De woning is vervolgens voor dat bedrag aan die gegadigde gegund.
3.9
De netto-opbrengst van de veiling was NAf 205.294,82. Dat bedrag is door de Bank ontvangen en op 16 juli 2019 in mindering gebracht op wat [appellant] volgens de Bank aan de Bank verschuldigd was. De boeken van de Bank tonen, na aftrek van de veilingopbrengst, per 5 augustus 2022 een saldo van NAf 244.452,50.
Vorderingen
3.10
De Bank heeft (in conventie) betaling gevorderd van het saldo ter hoogte van NAf 244.452,50, vermeerderd met rente en proceskosten.
3.11 [
appellant] heeft in reconventie gevorderd voor recht te verklaren dat de Bank haar bancaire zorgvuldigheidsplicht jegens [appellant] heeft geschonden, dat de Bank onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem en voor de schade die [appellant] als gevolg daarvan heeft geleden aansprakelijk is, met verzoek tot verwijzing naar de schadestaatprocedure voor bepaling van het schadebedrag.
Dictum
3.12
Bij tussenvonnis van 5 juni 2023 heeft het Gerecht een incidenteel verzoek van [appellant] om een deskundige te benoemen afgewezen. In het bestreden eindvonnis van 16 oktober 2023 is vervolgens de vordering van de Bank (in conventie) toegewezen en die van [appellant] (in reconventie) afgewezen. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten (conventie en reconventie).
Inleiding
3.13 [
appellant] heeft drie grieven aangevoerd tegen het eindvonnis van het Gerecht. In die grieven zijn de volgende thema’s aan de orde gesteld:
- de omvang van de schuld (grief 1)
- de zorgplicht van de Bank (grief 2)
- het recht op een eerlijk proces (grief 3)
Het Hof zal de thema’s in deze volgorde behandelen.
De omvang van de schuld
3.14 [
appellant] stelt dat onbegrijpelijk is dat zijn schuld aan de Bank volgens opgave van de Bank zelf op 18 oktober 2018 NAf 4.710,- (achterstand hypotheek, exclusief rente) +NAf 102.397,94 (debetstand rekening-courant) bedroeg, maar dat de hypotheekschuld een maand later ineens gestegen was van NAf 4.710,- naar
NAf 104.408,98. Dat toont aan dat de boeken van de Bank niet kloppen. De Bank mag daarom de boekenclausule ook niet aan [appellant] tegenwerpen. Het is aan de Bank te specificeren hoe de opbouw van de schuld is.
3.15
De Bank heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het Hof onweersproken gesteld dat de schuldpositie van [appellant] jegens de Bank steeds op één rekening werd geadministreerd en wel die met accountnummer 118649. Dat sluit aan bij de afschriften van die ene rekening die de Bank (als producties 7 en 14) in eerste aanleg in het geding heeft gebracht. Dat [appellant] nog een andere rekening had bij de Bank heeft deze niet gesteld.
3.16
De genoemde producties tonen het verloop van de rekening over de periode van 1 januari 2014 tot 29 maart 2018 (productie 14) en van 29 maart 2018 tot 28 februari 2023 (productie 7). Deze specificaties zijn niet of niet volledig te rijmen met het bericht dat [appellant] op 18 oktober 2018 van de Bank ontving in die zin dat de in dat bericht genoemde bedragen daarin niet zijn terug te vinden. De specificaties zijn echter gedetailleerd en tonen het verloop van de rekening aan door vermelding van alle bij- en afboekingen. Ook is NAf 104.408,98 van eenzelfde orde van grootte als het totaal van NAf 4.710,- en NAf 102.397,94. Aan het van geen enkele specificatie of onderbouwing voorziene bericht van 18 oktober 2018 (dat volgens de Bank op een vergissing berust en in elk geval ongelukkig is geformuleerd) kan in dat licht bezien geen waarde worden toegekend. Voor het overige heeft [appellant] geen concrete betwisting gedaan van de door de Bank verstrekte specificaties.
3.17
Van belang is ook dat [appellant] in 2015 en 2017 uitdrukkelijk de toen bestaande hoogte van de vordering heeft erkend. Op 29 april 2015 erkende hij als juist (door ondertekening van de hiervoor in 3.5 genoemde overeenkomst) een schuld aan de Bank van NAf 303.888,04. Op 2 oktober 2017 erkende hij als juist (door ondertekening van het hiervoor in 3.6 genoemde stuk) een schuld aan de Bank van NAf 365.970,29. Andere aflossingen dan het bedrag van de veilingopbrengst (netto NAf 205.294,82) op 16 juli 2019 zijn er niet geweest, terwijl de rente doorliep.
3.18
Tegen deze achtergrond bezien geldt dat het verweer van [appellant] tegen de gestelde restschuld van NAf 204.452,50 per 5 augustus 2022 in hoger beroep nog steeds als onvoldoende onderbouwd is aan te merken. Op het beroep van de Bank op haar boekenclausule behoeft daarom niet te worden ingegaan. Aan bewijslevering wordt om die reden evenmin toegekomen. Grief 1 slaagt niet.
De zorgplicht van de Bank (grief 2)
3.19 [
appellant] stelt dat de Bank onzorgvuldig heeft gehandeld door de woning bij de veiling in te zetten op een bedrag van NAf 224.000,-. Uitgegaan had moeten worden van de herbouwwaarde van de woning en de waarde van de in de buurt van de woning gelegen andere woningen. Dat had moeten leiden tot een hogere executiewaarde en dus een hogere veilinginzet. Bovendien was het gehanteerde inzetbedrag al ver beneden de executiewaarde. Volgens opgevraagde berekeningen was de herbouwwaarde NAf 715.722,- (bouwbegroting [naam], prod 11 van [appellant]) respectievelijk NAf 661.489,- (bouwbegroting [naam], productie 12 van [appellant]). De eigen berekening van [appellant] komt uit op een herbouwwaarde van NAf 648.950,- (productie 10 van [appellant]).
3.20
In het algemeen geldt dat een bank bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht moet nemen en daarbij naar beste vermogen rekening moet houden met de belangen van de cliënt.
3.21
Vertaald naar de situatie in deze zaak betekent dit dat nagegaan moet worden of uit de door [appellant] gestelde feiten en omstandigheden kan volgen dat op de openbare veiling niet zorgvuldig is gehandeld in die zin dat daarbij geen reële waarde bij openbare verkoop is verwezenlijkt.
3.22
De Bank heeft aangevoerd dat zij, indien een openbare veiling moet plaats vinden, de woning in kwestie altijd laat taxeren. Dat doet zij om op basis daarvan de veilende notaris in de gelegenheid te stellen een verantwoorde inzetprijs vast te stellen. Notarissen verlangen dit ook. Notarieel gebruik is, aldus de Bank, een minimum inzetprijs van 70% van de executiewaarde. In het onderhavige geval is uitgegaan van 80% van de executiewaarde.
3.23
In het geding gebracht zijn drie taxatierapporten. In het rapport van taxateur [taxateur A] van oktober 2015 wordt de vrije marktwaarde van de woning getaxeerd op NAf 390.000,- en de executiewaarde op NAf 295.000,-. Taxateur [taxateur B] taxeert in zijn rapport met als peilmaand mei 2016 de vrije marktwaarde op NAf 355.000,- en de executiewaarde op NAf 280.000,-. In zijn rapport van oktober 2018 taxeert hij de vrije marktwaarde op NAf 335.000,- en de executiewaarde op NAf 265.000,-. De herbouwwaarde wordt in alle rapporten geschat op NAf 495.000,-.
3.24
Door de veiling op basis van deze drie taxatierapporten te doen voorbereiden heeft de Bank gedaan wat van haar verwacht mocht worden, namelijk aanleveren aan de notaris van taxatierapporten ter bepaling van een inzetprijs. Die voorbereiding zou niet of onvoldoende deugdelijk zijn indien de Bank aanleiding had te vermoeden dat de actuele waarde van de woning op de dag van de veiling (in juli 2019) inmiddels substantieel anders zou zijn dan in het meest recente taxatierapport genoemd of indien anderszins aanleiding zou bestaan de resultaten van de taxatie in twijfel te trekken.
3.25
Indien de latere (2023) op verzoek van [appellant] en door hemzelf berekende hogere (dan in de taxatierapporten genoemde) herbouwwaardes al juist of aannemelijk zouden zijn, is daarmee nog niet aangetoond dat de Bank dat toen, in juli 2019, wist of moest weten en evenmin dat die hogere herbouwwaardes tot een hogere inzetprijs hadden moeten leiden, aangezien verschillend gedacht kan worden over de vraag in hoeverre een herbouwwaarde moet doorwerken op de inzetprijs op een veiling. Er was voor de Bank dan ook geen belemmering de veiling op basis van de aangeleverde taxatierapporten voort te zetten.
3.26
De bepaling van de inzetprijs heeft de Bank, zo heeft deze onweersproken gesteld, vervolgens overgelaten aan de veilende notaris omdat dit (lokaal) gebruik is. Dat een dergelijk (lokaal) gebruik bestaat is onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dat gebruik is op zichzelf ook niet onzorgvuldig te achten. Evenmin is onderbouwd dat bepaling van de inzetprijs op minimaal 70% van de executiewaarde onzorgvuldig is (van de notaris en/of de Bank).
Conclusie
3.29
De grieven slagen niet. Het vonnis waarvan beroep kan daarom bekrachtigd worden. [appellant] wordt als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Die kosten bedragen (in NAf):
- salaris advocaat 10.500,- (3 punten tarief 7 à 3.500,- per punt)
- verschotten 391,48
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het eindvonnis van 16 oktober 2023;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure aan de zijde van de Bank gevallen en stelt die kosten vast op NAf 10.500,- aan salaris advocaat en NAf 391,48 aan verschotten;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de uitgesproken proceskostenveroordeling;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. W.P.M. ter Berg, G.C.C. Lewin en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 17 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.