Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-12-17
ECLI:NL:OGHACMB:2024:274
Civiel recht
Hoger beroep
2,015 tokens
=== VOLLEDIG ===
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummers: BON202100096 – BON2022H00050
Uitspraak: 17 december 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
de publiekrechtelijke rechtspersoon
het OPENBAAR LICHAAM BONAIRE,
zetelend op Bonaire,
in eerste aanleg belanghebbende,
thans appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. T.L.H. Peeters,
tegen
1. [geïntimeerde 1],
wonende in [woonplaats A],
2) [ [geïntimeerde 2],
wonende in [woonplaats B],
3) [ [geïntimeerde 3],
3) [ [geïntimeerde 4],
3) [ [geïntimeerde 5],
3) [ [geïntimeerde 6],
3) [ [geïntimeerde 7],
3) [ [geïntimeerde 8],
3) [ [geïntimeerde 9],
3) [ [geïntimeerde 10],
3) [ [geïntimeerde 11],
allen wonende op Bonaire,
in eerste aanleg verzoekers,
thans geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas.
Partijen worden hierna het OLB en [geïntimeerden] genoemd.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1
Voor het verloop van de procedure in hoger beroep verwijst het Hof naar de tussenbeschikking van 3 september 2024, waarbij is bepaald dat de gemachtigde van [geïntimeerden] een volledige kopie van de notariële akte van 13 april 1939 (productie H3) afgeeft aan de gemachtigde van het OLB en waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor akte aan de zijde van OLB.
1.2
Het OLB heeft op 29 oktober 2024 bij akte uitlating productie een reactie gegeven op productie H3.
1.3
Beschikking is aangezegd en bepaald op vandaag.
2De verdere beoordeling
2.1
Samenvattend gaat het in deze zaak om de vraag bij wie de eigendom rust van een perceel grond in Rincon. [geïntimeerden] stellen dat hun voorvader de eerste bezitter was van de grond en dat zij als erfgenamen het perceel in eigendom hebben. Zij willen dat formeel hebben vastgelegd. Het OLB stelt dat het perceel nooit eigendom van de (voorvader van) [geïntimeerden] is geweest en, met een beroep op artikel 5:24 BW BES, dat het aan het OLB toebehoort.
2.2
Het Hof heeft op 3 september 2024 een tussenbeschikking gewezen, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd. In die tussenbeschikking heeft het Hof, kort gezegd, geoordeeld dat het beroep van het OLB op artikel 5:24 BW BES ter onderbouwing van de stelling dat het perceel aan hem toebehoort niet opgaat, nu niet kan worden aangenomen dat er geen andere eigenaar is. Het Hof blijft bij dat oordeel.
2.3
In het kader van het beroep op verjaring hebben [geïntimeerden] verwezen naar een notariële akte van 13 april 1939 en naar een passage in het register van overschrijvingen (C18-115) en de in die stukken genoemde afsplitsingen van het perceel (zie tussenvonnis 3.1.5 en 3.1.6). Daarmee beroepen [geïntimeerden] zich kennelijk op bezitsdaden, verricht door de nakomelingen van [persoon 1], die ertoe hebben geleid dat twee delen van het perceel zijn afgesplitst en in eigendom zijn overgedragen aan respectievelijk [persoon 2] en de weduwe van [persoon 3].
2.4
In zijn reactie op de (volledige) akte van 13 april 1939 heeft het OLB, voor zover relevant, kort samengevat, aangevoerd dat het perceel deel uitmaakt van een onverdeelde boedel, en op grond van lid 5 van artikel 3:200a BW BES kan de bezitter die daarvan op de hoogte is de zaak niet door verjaring verkrijgen. Daarnaast gaat het om overheidsgrond en op grond van de Courtar-jurisprudentie mogen gebruikers van die grond zich niet als bezitter beschouwen. En ten slotte omdat een deelgenoot in een nalatenschap het bezit niet kan voortzetten, nadat de erflater is overleden.
2.5
Voor zover het OLB heeft aangevoerd dat sprake is van overheidsgrond verwijst het Hof naar zijn beslissing in de tussenbeschikking. Zoals overwogen lag het op de weg van het OLB om te stellen en zonodig te bewijzen dat de overheid eigenaar is (of was) op enig moment dat [geïntimeerden] het perceel in bezit had. Het enkele verwijzen naar Courtar-jurisprudentie maakt niet dat de concrete stellingen van [geïntimeerden] omtrent bezit en verjaring ten aanzien van het perceel en de onderbouwing daarvan niet kunnen opgaan. Hetzelfde geldt voor de naar aanleiding van de tekst van de akte ingenomen stelling van het OLB dat het op de weg van [geïntimeerden] ligt om het in de akte genoemde bewijs van afstand, waarbij wordt verwezen naar het Gouvernementsbesluit van 22 januari 1875 in het geding te brengen.
2.6
De stelling van het OLB dat het beroep op verjaring niet slaagt, omdat een deelgenoot (of deelgenoten) in een nalatenschap het bezit niet kan (of kunnen) voortzetten gaat evenmin op. Het gaat in deze zaak immers niet om gesteld bezit van enige individuele deelgenoot in een nalatenschap, maar om gesteld bezit van de gezamenlijke erfgenamen van de oorspronkelijk bezitter. Het Hof verwijst naar artikel 3:102 BW BES dat in lid 1 bepaalt dat hij die een ander onder algemene titel opvolgt een lopende verjaring voortzet en artikel 3:116 BW BES dat bepaalt dat hij die onder een algemene titel een ander opvolgt, daarmee die ander opvolgt in diens bezit en houderschap, met alle hoedanigheden en gebreken daarvan. [geïntimeerden] zijn de nakomelingen van [persoon 1]. Zij hebben – onbetwist – gesteld dat zij alle nakomelingen vertegenwoordigen, zodat ervan uit kan worden gegaan dat de keten van opvolging onder algemene titel niet is verbroken en [geïntimeerden] en hun rechtsvoorgangers het bezit en eventuele lopende verjaringen hebben voortgezet.
2.7
Artikel 3:200a lid 5 BW BES luidt: een bezitter die wist of behoorde te weten dat de onroerende zaak deel uitmaakt van een langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap als in deze afdeling bedoeld, kan die zaak niet door verjaring verkrijgen. Deze regel gaat op voor procedures over onverdeelde boedels waarbij de bezitter van de zaak jegens de (andere) gebruikers en/of deelgenoten een beroep op verjaring doet. Daarvan is in dit geval geen sprake. De stelling van [geïntimeerden] is immers dat zij alle erfgenamen vertegenwoordigen en dat het de bedoeling is dat zij gezamenlijk tot een verdeling van het perceel komen.
2.8
Het Hof blijft bij hetgeen in r.o 3.8 van de tussenbeschikking is overwogen. Namelijk dat op basis van de met stukken onderbouwde stellingen van [geïntimeerden] moet worden aangenomen dat het perceel niet bij notariële akte aan [persoon 1] of zijn rechtsopvolgers is geleverd, maar dat het perceel wel in bezit was van (de rechtsvoorgangers van) [geïntimeerden] Uit de notariële akte van 13 april 1939 en de passage in het register van overschrijvingen (C18-115) blijkt dat er in 1939 en 1948 afsplitsingen van het perceel (genoemd onder 3.1.5 en 3.1.6 van het tussenvonnis) hebben plaatsgevonden. Genoemde afsplitsingen, verricht door de nakomelingen van [persoon 1], die ertoe hebben geleid dat twee delen van het perceel zijn afgesplitst en in juridisch eigendom zijn overgedragen aan respectievelijk [persoon 2] en de weduwe van [persoon 3] kunnen worden aangemerkt als bezitsdaden. Zoals hiervoor overwogen is het, anders dan het OLB stelt, niet nodig dat de verjaring door [persoon 1] is voltooid. Dit kan ook door de gezamenlijke rechtsopvolgers geschieden. Gesteld noch gebleken is dat na het overlijden van [persoon 1] anderen dan zijn gezamenlijke erfgenamen het perceel in bezit hebben gehad.