Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2024-03-13
ECLI:NL:OGHACMB:2024:114
Civiel recht
Hoger beroep
916 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummers: SXM202001197 – SXM2022H00046
Uitspraak: 13 maart 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANTE],
wonend in Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagde, thans appellante,
gemachtigde: mr. J.G. Snow,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonend in Sint Maarten,
in eerste aanleg eiser, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. N.C. de la Rosa.
Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het Hof verwijst naar het tussenvonnis van 13 december 2023. In dat vonnis is [appellante] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, zoals door haar in hoger beroep verzocht. Het Hof heeft in dat tussenvonnis bepaald dat, indien [appellante] getuigen wil horen zij deze kan voorbrengen op een nader te bepalen dag en tijdstip in maart (11-13 maart 2024) voor een nader aan te wijzen lid van het Hof.
1.2
Bij e-mail bericht van 14 februari 2024 heeft de advocaat van [appellante] aan het Hof bericht dat geen getuigen voorhanden zijn. De zaak is vervolgens naar de rol verwezen vonnis.
2De verdere beoordeling
2.1
In het tussenvonnis heeft het Hof geoordeeld dat de bedragen (i) en (ii) van USD 5.614,20 respectievelijk USD 6.000.00 waarvan [geïntimeerde] betaling vordert toewijsbaar zijn. Het Hof blijft daar bij (r.ov 3.5-3.7).
2.2
Voor de grondslag van het derde bedrag waarvan [geïntimeerde] betaling vordert, de lening van USD 4.000,00, heeft het Gerecht aan [geïntimeerde] bewijs opgedragen. Het Gerecht heeft [geïntimeerde] in het bewijs geslaagd geacht.
2.3 [
geïntimeerde] heeft als bewijs bijgebracht (een transcriptie van) een tussen [geïntimeerde] en [naam1] (hierna: [naam1]) gevoerd telefoongesprek waarin [naam1] bevestigt dat [geïntimeerde] aan [appellante] geld heeft uitgeleend alsmede een schriftelijke verklaring van [naam1] waarin zij dat eveneens verklaart. Nu [appellante] daartegen, hoewel in hoger beroep daartoe opnieuw in de gelegenheid te zijn gesteld, geen tegenbewijs heeft ingebracht, komt ook het Hof tot het oordeel dat [geïntimeerde] in het bewijs is geslaagd. Het gevorderde bedrag (iii) van USD 4.000,00 is dus toewijsbaar.
Conclusie
2.4
Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De vonnissen waarvan beroep zullen worden bevestigd en [appellante] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep van [geïntimeerde].
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt de vonnissen waarvan beroep,
veroordeelt [appellante] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op NAf 240,50 aan verschotten en NAf 6.000,00 aan gemachtigdensalaris.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, C.J.H.G. Bronzwaer en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 13 maart 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.