Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-11-15
ECLI:NL:OGHACMB:2023:309
Civiel recht
Hoger beroep
2,254 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2023
Registratienummers: SAB202000013 – SAB2022H00001
Uitspraak: 15 november 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1[appellant 1] ,
wonende op Saba,
2. [ [appellant 2] ,
wonende op Saba,
3. [ [appellant 3] ,
wonende in Curaçao,
appellanten,
in eerste aanleg eiseressen in conventie, verweersters in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: E.I. Maduro,
tegen
1[geïntimeerde 1],
wonende op Saba,
2. [ [geïntimeerde 2],
wonende op Saba,
3. [ [geïntimeerde 3],
wonende op Saba,
4. [geïntimeerde 4],
wonende in Curacao,
5. [geïntimeerde 5],
wonende op Bonaire,
geïntimeerden,
in eerste aanleg gedaagden in conventie, eisers in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. J.G. Snow.
Appellanten worden hierna gezamenlijk partij [appellanten] genoemd en geïntimeerden worden gezamenlijk aangeduid als partij [geïntimeerden].
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het Hof verwijst voor het verloop tot dan toe naar zijn tussenvonnis van 14 februari 2023 (ECLI:NL:OGHACMB:2023:210).
1.2.
Op 10 maart 2023 heeft partij [geïntimeerden] een akte (houdende uitlating) genomen.
1.3.
Op 6 april 2023 heeft partij [appellanten] een antwoordakte, met producties, genomen.
1.4.
Op 16 oktober 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in het Court House van Sint Maarten. [appellant 1] is verschenen per videoverbinding met Saba. In het Court House zijn verschenen de gemachtigde Maduro, [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 3] en de gemachtigde mr. Snow.
1.5.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Beoordeling
2.1.
In hun akten na tussenvonnis hebben partijen voldoende inlichtingen verschaft om het Hof in staat te stellen de zaak te beslissen.
2.2.
De behandeling ter zitting is geschied aan de hand van (1) de situatiekaart die als productie 7 bij het inleidend verzoekschrift is gevoegd en (2) de meetbrief 014/2014 die als productie HB-1 bij de antwoordakte van partij [appellanten] van 6 april 2023 is gevoegd.
2.3.
Er waren oorspronkelijk zes deelgenoten:
a. [naam 1] ([naam 1], inmiddels overleden), opgevolgd door [appellant 1] (hierna onder d; appellante sub 1);
b. [naam 2] ([naam 2], inmiddels overleden), opgevolgd door [appellant 2] en [appellant 3] (appellanten sub 2 en 3);
c. [geïntimeerde 1] ([geïntimeerde 1], geïntimeerde sub 1);
d. [appellant 1] ([appellant 1], appellante sub 1);
e. [geïntimeerde 2] [geïntimeerde 2], geïntimeerde sub 2);
f. [naam 3] ([naam 3], inmiddels overleden), achterlatend haar kinderen [geïntimeerde 4] (geïntimeerde sub 4) en [geïntimeerde 5] (geïntimeerde sub 5) en haar langstlevende echtgenoot [geïntimeerde 3] (geïntimeerde sub 3).
2.4.
Het Hof heeft partijen aan de hand van de genoemde situatiekaart en meetbrief 014/2014 het volgende voorgehouden:
- [geïntimeerde 1] heeft perceel 09/2013 op zijn naam;
- [geïntimeerde 2] heeft de percelen 06/2014 en 10/2016 op zijn naam;
- voor de opvolger(s) van [naam 3] is perceel 014/2014 bestemd, maar een opnaamstelling is nog niet gelukt;
- [appellant 1] heeft perceel 08/2013 op haar naam, maar dit is te klein voor haar in vergelijking met de stukken van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en bovendien is zij tevens de erfgename van [naam 1];
- de erfgenamen van [naam 2], de twee kinderen [appellant 2 en 3], hebben niets op hun naam.
2.5.
Het Hof heeft partij [geïntimeerden] gevraagd wat haar bezwaar is om partij [appellanten], die duidelijk te kort komt, ook stukken grond te gunnen, te weten het blauwe gedeelte van perceel 09/2016 voor de kinderen [appellant 2 en 3] en het gele gedeelte van perceel 09/2016 voor [appellant 1].
2.6.
Het Hof heeft partijen tevens voorgehouden dat het zijn voorlopig oordeel in het tussenvonnis (rov. 4.5) tot eindoordeel zal maken, te weten dat er destijds een onderlinge verdeling van de zes percelen heeft plaatsgevonden, waar alle zes kinderen mee akkoord gegaan zijn.
2.7.
Deze verdeling is echter niet gevolgd door (zes) leveringen. Wel zijn drie percelen, te weten die genoemd in rov. 2.7 van het tussenvonnis van het Hof en rov. 2.5 van dit vonnis, op andere wijze op naam gekomen van onderscheidenlijk [geïntimeerde 1] (09/2013), [geïntimeerde 2] (06/2014 en 10/2016) en [appellant 1] (08/2013). Voor deze percelen lijkt praktisch geen levering meer nodig te zijn, hetgeen ook niet wordt geëist.
2.8.
Het Hof is voornemens leveringen te gelasten en kan, indien geëist, dat ook doen met betrekking tot het bij de verdeling aan [naam 3] toegedeelde stuk grond (productie 24A bij repliek in conventie), inmiddels beschreven in meetbrief 014/2014, zodat ook dit perceel op naam komt te staan van de gerechtigde. Als opvolger van [naam 3] in dezen is gerechtigd haar kind [geïntimeerde 5], legataris in [naam 3]’s testament (productie H-2 bij antwoordakte Partij [appellanten] van 6 april 2023).
2.9.
Na een schorsing van de mondelinge behandeling zijn partijen tot overeenstemming gekomen. Zij gaan akkoord met het voorstel van het Hof.
2.10.
Partij [geïntimeerden] geeft haar verzet op ten aanzien van het blauwe en gele gedeelte van de percelen in de meetbrief 09/2016 en partij [appellanten] gaat ermee akkoord dat ook levering wordt gelast van de aan [geïntimeerde 5], als opvolgster van haar moeder [naam 3], toekomende grond (meetbrief 014/2014).
2.11.
Artikel 3:186 lid 1 Burgerlijk Wetboek BES (BW BES) luidt:
Voor de overgang van het aan ieder der deelgenoten toegedeelde is een levering vereist op dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven.
2.12.
Artikel 3:89 lid 1 BW BES luidt:
De voor overdracht van onroerende zaken vereiste levering geschiedt door een daartoe bestemde, tussen partijen opgemaakte notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers. Zowel de verkrijger als de vervreemder kan de akte doen inschrijven.
2.13.
Artikel 30 lid 1 Kadasterwet BES luidt:
Ter inschrijving van een akte van levering, vereist voor (…) de overgang van een registergoed na toedeling uit hoofde van de verdeling van een gemeenschap, wordt aangeboden de notariële akte betreffende deze levering, of een authentiek afschrift of een authentiek uittreksel daarvan. (…).
2.14.
Teneinde het blauwe gedeelte van perceel 09/2016 te leveren aan de kinderen [appellant 2 en 3] en het gele gedeelte van 09/2016 aan [appellant 1], is het wel nodig, indien een kadastrale aanduiding ontbreekt, dat de grens wordt vastgelegd in een meetbrief (aan de hand van productie 7 inleidend verzoekschrift, productie 5 inleidend verzoekschrift en productie 26 repliek). Zie artikel 26 lid 1 Kadasterwet BES, luidende:
Indien een stuk ter inschrijving wordt aangeboden en het daarin vermelde in te schrijven feit betrekking heeft op een onroerende zaak of op een recht waaraan een zodanige zaak is onderworpen, vermeldt dit stuk de aard, de plaatselijke aanduiding als deze er is, en de kadastrale aanduiding van die onroerende zaak onderscheidenlijk van de onroerende zaak die aan dat recht is onderworpen, dan wel indien die aanduiding ontbreekt een meetbrief, zijnde een verklaring van een daartoe bevoegde ambtenaar betreffende de grenzen en maatvoering van een nieuw gevormd perceel.
2.15.
Partijen dienen allen mee te werken aan een notariële akte tot levering, op te maken door de Sabaanse notaris.
2.16.
Het Hof zal met toepassing van artikel 3:300 lid 1 BW BES, een voorziening treffen zodat de leveringen in elk geval kunnen doorgaan.
2.17.
De kosten van de leveringen dienen telkens door de verkrijger van het goed te worden gedragen.
2.18.
Het Hof zal, met vernietiging van het bestreden vonnis, een verklaring voor recht ten aanzien van de verdeling geven, de genoemde leveringen gelasten en de overige (andersluidende) vorderingen (ook in reconventie) afwijzen.