Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-11-01
ECLI:NL:OGHACMB:2023:208
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
2,576 tokens
Inleiding
SXM2023H00060
Datum uitspraak: 1 november 2023
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante],
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 21 april 2023 in zaak nr. SXM202200356 in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Justitie van Sint Maarten (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikking van 12 maart 2021 heeft de minister het verzoek van [appellante] om een vergunning tot verblijf, afgewezen.
Bij beschikking van 4 februari 2022 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 21 april 2023 heeft het Gerecht het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift in gediend.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting in Curaçao via een videoverbinding met Sint Maarten behandeld op 2 oktober 2023. [appellante], vertegenwoordigd door E.I. Maduro, rechtsbijstandverlener, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, advocaat, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is op [geboortedatum] 1981 geboren in de Dominicaanse Republiek en heeft de Dominicaanse nationaliteit. Zij was van 14 augustus 2013 tot 12 februari 2021 gehuwd met [echtgenoot], in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Op grond daarvan is aan haar twee keer vergunning tot tijdelijk verblijf verleend met als doel gezinshereniging (hierna: vttv). De eerste vttv was geldig vanaf 7 januari 2015 en de laatste vttv was geldig tot 22 oktober 2020. Op 27 juli 2020 heeft [appellante] de minister verzocht haar vttv te wijzigen naar een vergunning tot verblijf. Dat verzoek heeft de minister afgewezen omdat zij niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken (hierna: middelenvereiste). Zij heeft namelijk een werkgeversverklaring ingediend van een niet-bestaand bedrijf. Het daartegen op 12 mei 2021 gemaakte bezwaar heeft de minister bij de bestreden beschikking zonder het houden van een hoorzitting kennelijk ongegrond verklaard. Daaraan is opnieuw ten grondslag gelegd dat [appellante] niet aan het middelenvereiste voldoet.
Aangevallen uitspraak
2. Het Gerecht heeft vastgesteld dat [appellante] bij haar aanvraag twee keer een werkgeversverklaring van 15 juli 2020 en 20 januari 2021 heeft overgelegd van een niet-bestaand bedrijf. Verder heeft zij een niet ondertekende verklaring van Sky High Aviation van 24 juli 2018 overgelegd waarin is aangegeven dat zij vanaf 3 juli 2017 een dienstverband heeft tegen een maandelijks nettosalaris van USD 1.400,- per maand. Met de minister is het Gerecht van oordeel dat het er alle schijn van heeft dat het valselijk opgemaakte documenten betreffen. Bovendien heeft [appellante] bij de sectie Compliance Department verklaard dat zij van 9 april 2018 tot 30 november 2020 bij Sky High Aviation werkte en vanaf januari 2021 bij Impulse Spa Clinic. In de bezwaarfase zijn geen werkgeversverklaringen of loonstrookjes verstrekt. Er is dus onvoldoende aangetoond dat aan het middelenvereiste is voldaan. Omdat [appellante] niet meer gehuwd is, was de minister ook niet gehouden te beoordelen of haar vttv moest worden verlengd omdat het doel van de vttv, zijnde gezinshereniging, is komen te vervallen, aldus de aangevallen uitspraak.
Hoger beroep
3. [ [appellante] betoogt dat zij met voldoende stukken heeft aangetoond dat zij aan het middelenvereiste voldoet. Het Gerecht heeft deze stukken ten onrechte als onjuist en valselijk aangemerkt. Ter onderbouwing van het dienstverband bij Sky High Aviation en Impulse Spa Clinic heeft [appellante] alsnog verschillende recentelijk opgestelde bewijsstukken ingebracht. Zoals verklaringen van mei 2023 van oudcollega's van Sky High Aviation en een werkgeversverklaring van 19 mei 2023 van Impulse Spa Clinic. Het is voor [appellante] heel moeilijk om een andere werkgeversverklaring of salarisstroken te verkrijgen. Dat heeft zij ook te kennen gegeven bij haar aanvraag.
3.1.
Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ltu kan de vergunning tot tijdelijk verblijf door de minister worden geweigerd indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.Voor de toepassing van de Ltu hanteert de minister het beleid zoals opgenomen in de richtlijnen van de minister met betrekking tot de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van mei 2012 (hierna: de richtlijnen). Paragraaf 3.1.5 gaat over het beleid verblijf voor onbepaalde tijd. Daarin is onder meer bepaald dat aan een vreemdeling, die gedurende een onafgebroken verblijf van vijf jaar in Sint Maarten woonachtig is en nadien zijn/haar hoofdverblijf niet buiten het land heeft gevestigd, een vergunning tot verblijf moet worden verleend. In paragraaf 3.7 zijn de algemene toelatingsvoorwaarden voor een vergunning tot (tijdelijk) verblijf vermeld. Over het middelenvereiste is onder meer vermeld dat vreemdelingen zelfstandig en duurzaam moeten beschikken over voldoende middelen van bestaan. Op grond van artikel 9 van de Ltu is het niet voldoen aan deze voorwaarde een aan het algemeen belang ontleende grond voor weigering van een vergunning tot (tijdelijk) verblijf en van verlenging van de geldigheidsduur ervan.
3.2.
Het Hof stelt vast dat [appellante] vanaf 7 januari 2020 gedurende een onafgebroken verblijf van vijf jaar in Sint Maarten woont en haar hoofdverblijf daarna niet in het buitenland heeft gevestigd. Op grond van het door hem gevoerde beleid kan de minister de vergunning tot verblijf in die situatie weigeren als niet is aangetoond dat aan het middelenvereiste is voldaan. Voor [appellante] geldt dat zij als alleenstaande moet aantonen te beschikken over een inkomen gelijk aan het wettelijk minimumloon van NAf 1.530,50 bruto per maand. Het Hof overweegt daarover het volgende.
3.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] om aan te tonen dat zij over voldoende middelen beschikte, vervalste werkgeversverklaringen van het niet-bestaande bedrijf 'Backstreet Hair' heeft ingebracht. De minister heeft zich naar aanleiding daarvan terecht op het standpunt gesteld dat daarmee niet is aangetoond is dat [appellante] aan het middelenvereiste voldoet. Vervolgens heeft zij in de bezwaarfase opnieuw de kans gekregen aan te tonen dat zij wel over voldoende middelen van bestaan beschikt. In haar bezwaarschrift van 12 mei 2021 heeft [appellante] verklaard dat zij bij de indiening van haar verzoek om een vtv in dienst was van Sky High Aviation. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een nietondertekende werkgeversverklaring van 24 juli 2018 overgelegd waarin is vermeld dat [appellante] sinds 3 juli 2017 in dienst is bij Sky High Aviation voor een netto maandsalaris van USD 1.400,-. Ook heeft zij een aanmaning van de Belastingdienst van 10 juli 2020 bijgevoegd waaruit blijkt dat zij over het vierde kwartaal van 2016 nog inkomstenbelasting moet afdragen. Daaruit blijkt geen belastbaar jaarinkomen. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft een medewerker bezwaar en beroep aan de gemachtigde van [appellante] gevraagd waar zij werkzaam was. Hierop is verklaard dat zij bij Sky High Avation werkte van 9 april 2018 tot en met 30 november 2020 voor een bruto maandsalaris van USD 1.200,-. Vanaf januari 2021 tot heden werkt zij bij Impulse Spa Clinic voor een bruto maandsalaris van USD 1.350,-. Aan haar wordt echter geen salarisstrook verstrekt, zij wordt als contractant/zelfstandig ondernemer beschouwd, aldus haar gemachtigde. Het Hof stelt vast dat geen objectief en verifieerbaar stuk is overgelegd waaruit daadwerkelijk blijkt dat [appellante] ten tijde van het indienen van haar aanvraag of de beschikking op bezwaar maandelijkse inkomsten uit arbeid had ter hoogte van het normbedrag. Uit de bankafschriften uit het jaar 2021 en januari 2022, waarin zij volgens haar stelling werkte als contractante/zelfstandige voor Impulse Spa Clinic, blijkt van een wisselend maandinkomen van USD 550,- tot USD 1.350,-. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat aan het middelenvereiste is voldaan. Het Gerecht is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. De in eerste aanleg en hoger beroep overgelegde arbeidsovereenkomst en verklaringen bieden geen grond voor een ander oordeel alleen al omdat daaruit niet objectief en verifieerbaar van inkomen blijkt. Bovendien zijn de verklaringen met betrekking tot Sky High Aviation tegenstrijdig voor wat betreft ingangsdatum en maandsalaris. Ook hebben deze stukken deels betrekking op de periode ná de bestreden beschikking en kunnen die voor dat deel ook daarom niet worden betrokken bij de toetsing van het middelenvereiste. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Van der Heide
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2023.