Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2020-07-07
ECLI:NL:OGHACMB:2020:341
Civiel recht
Hoger beroep
6,332 tokens
Inleiding
BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2020
Registratienummers: BON201800432 en BON2019H00014 Uitspraak: 7 juli 2020
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curacao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
BESCHIKKING
in de zaak van:
HET MINISTERIE VAN DEFENSIE VAN DE BOLIVARIAANSE REPUBLIEK VENEZUELA, ALTHANS DE BOLIVARIAANSE REPUBLIEK VENEZUELA,
mede gevestigd op het consulaat-generaal van Venezuela te Bonaire, domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat te Aruba,
oorspronkelijk verweerster, thans appellante,
gemachtigden: mrs. L.D. Gomez en C.B.A. Coffie,
tegen
de rechtspersoon naar het recht van Virginia
HUNTINGTON INGALLS INCORPORATED,
gevestigd te Newport News, Virginia, Verenigde Staten van Amerika,
domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat te Bonaire,
oorspronkelijk verzoekster, thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. A.C.A. Gonzales, M.E. Koppenol-Laforce en B.A. Boersma,
Partijen worden hierna Venezuela en Huntington genoemd.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis van 12 november 2019 waarbij het Venezuela in de gelegenheid heeft gesteld om uiterlijk op 26 november 2019 een bedrag van US$ 7.878,- aan nageheven griffierecht te betalen. Voorts is de zaak verwezen naar de rolzitting van 3 december 2019 voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van Venezuela en is iedere verdere beslissing aangehouden.
1.2.
Venezuela heeft op 29 november 2019 het nageheven bedrag aan griffierecht betaald.
1.3.
Op 3 december 2019 heeft Venezuela een akte uitlating griffierecht, met producties, genomen.
1.4.
Op 21 januari 2020 heeft Huntington ook een akte uitlating betaling griffierecht genomen.
1.5.
Beschikking is nader bepaald op vandaag.
2De verdere beoordeling
2.1.
Het nageheven griffierecht is betaald. De zaak is nu gereed voor verdere beoordeling. De door Venezuela ingediende akte uitlating betaling griffierecht, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de beslissing tot naheffing, is opgevat als een verzetschrift ex artikel 35 lid 3 van het Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken. Op dit verzet is inmiddels in een afzonderlijke procedure beslist.
2.2.
Het Venezolaanse Ministerie van Defensie is een orgaan van de openbare rechtspersoon de staat Venezuela. Nu bier ten lande, en overigens ook te Venezuela, de bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden in beginsel slechts toekomt aan natuurlijke en rechtspersonen, merkt het Hof, evenals partij en in hun processtukken, in deze procedure enkel de staat Venezuela aan als oorspronkelijk verweerster, thans appellante.
2.3.
Deze zaak gaat over de tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis op Bonaire. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES (Rv BES) kent geen afzonderlijk boek over het arbitragerecht. In plaats daarvan verklaart het eerste lid van artikel 1020 Rv BES de Engelstalige tekst van de UNCITRAL Model Law on International Commercial Arbitration (hierna: de Model Law) rechtstreeks van toepassing op een arbitrage. Het tweede lid van artikel 1020 Rv BES bepaalt dat de autoriteit bedoeld in artikel 6 van de Model Law het gerecht in eerste aanleg is. In de tweede volzin van voorgaand artikel wordt titel 10 van Boek 1 van toepassing verklaard.
2.4.
Huntington stelt zich op het standpunt dat tegen de beslissing van 30 januari 2019 van het Gerecht, op grond van artikel 5 van de Model Law geen hoger beroep openstaat. Dit artikel schrijft voor: "In matters governed by this Law, no court shall intervene except where so provided in this Law". De Model Law regelt in de artikelen 35 en 36 de erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen. Daarmee is de tenuitvoerlegging een "matter governed by the Model Law" als bedoeld in artikel 5. Nu de Model Law niet voorziet in een appelmogelijkheid tegen de beslissing van een bevoegd rechter om verlof tot tenuitvoerlegging te verlenen moet Venezuela niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep, zo betoogt Huntington.
2.5.
Dit betoog faalt. In de artikelen 35 en 36 van de Model Law is de regeling inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen neergelegd. Ten aanzien van procedurevoorschriften bepaalt artikel 35 dat een arbitraal vonnis 'shall be recognized as binding and, upon application in writing to the competent court, shall be subject to the provisions of this article and of article 36'. De Model Law geeft geen procedurevoorschriften. Dit is aan het nationale procesrecht van de betrokken staat overgelaten. De rechterlijke procedures waarop artikel 1020 lid 2 Rv BES en artikel 6 Model Law zien, hebben geen betrekking op de erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen.
Er kan evenwel van worden uitgegaan dat de wetgever heeft bedoeld om het bepaalde in het tweede lid van art. 1020 Rv BES ook te laten gelden voor een verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis (zie ook 2.6 e.v. van de conclusie van A-G Vlas bij HR 08-12-2017, ECLI:NL:HR:2017:3104).
De voorschriften betreffende de rechtspleging in zaken waarin een beschikking wordt gegeven van artikel 429a e.v. Rv BES zijn van toepassing, waaronder de termijn voor hoger beroep van zes weken opgenomen in art. 429n lid 2 Rv BES. Nu het hoger beroep binnen deze termijn is ingediend, is Venezuela in dit hoger beroep ontvankelijk. Dat in de Model Law niet expliciet een hoger beroepsmogelijkheid is vermeld geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Uitgangspunt is dat van beschikkingen van de rechter hoger beroep openstaat, tenzij sprake is van een wettelijk rechtsmiddelenverbod. Nu daarvan in deze geen sprake is, kan Huntington niet worden gevolgd in haar standpunt.
2.6.
Venezuela heeft zeven grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd en toegelicht. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van het Gerecht dat Huntington ontvankelijk is in haar verzoek voor zover dat tegen (de staat) Venezuela is gericht. Venezuela betoogt dat dit oordeel onjuist is, omdat het arbitraal vonnis waarvan in deze procedure de tenuitvoerlegging wordt verzocht volgens haar (enkel) is gewezen tegen het Venezolaanse Ministerie van Defensie.
2.7.
Dit betoog faalt. Het Hof sluit zich aan de overwegingen van het Gerecht in rov. 21. van de bestreden vonnis beschikking en maakt deze tot de zijne. Daarbij geldt dat het Venezolaanse Ministerie van Defensie, ook naar het recht van Venezuela, geen rechtspersoonlijkheid heeft en niet zelfstandig kan deelnemen aan het rechtsverkeer. De handelingen en uitingen van het Venezolaanse Ministerie van Defensie in het kader van de totstandkoming van het arbitraal beding alsmede het arbitrale geding dat ten grondslag ligt aan het arbitraal vonnis waarvan in deze procedure de tenuitvoerlegging wordt verzocht, dienen daarom te worden toegerekend aan de rechtspersoon waartoe dit ministerie behoort: (de staat) Venezuela. Dit betekent dat Huntington ontvankelijk is in haar verzoek.
2.8.
Tegen de door het Gerecht vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht. Nu het Hof die vaststelling ook juist acht, zal het bij de beoordeling van de overige grieven die vaststelling tot uitgangspunt nemen.
2.9.
Het Gerecht heeft het beroep van Venezuela op staatsimmuniteit en wel op beide aspecten daarvan: immuniteit van jurisdictie en immuniteit van executie, verworpen. Daartegen zijn de grieven II en III gericht, die zich voor een gezamenlijke behandeling lenen.
2.10.
Het recht van immuniteit van jurisdictie komt aan staten toe waar het typisch publiek handelen van staten betreft en brengt mee dat een vreemde staat niet zonder zijn instemming kan worden onderworpen aan de rechtsmacht van de
overheidsrechter van een andere staat.
Dictum
Het Hof:
bevestigt de beschikking waarvan beroep;
veroordeelt Venezuela in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Huntington gevallen en tot op heden begroot op US$ 10.056,- (2 punten x tarief 11) aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na heden;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.W. Scholte, S.A. Carmelia en M.B. van den Enden, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curacao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Bonaire uitgesproken op 7 juli 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
Nu het onderhavige verzoek louter de vraag betreft of het, na een arbitraal geding waarbij Venezuela is verschenen en inhoudelijk verweer heeft gevoerd, gewezen arbitraal vonnis van 19 februari 2018 op Bonaire ten
uitvoer kan worden gelegd en dus niet noopt tot een beoordeling van, of beslissing over, publiek handelen van Venezuela, is al om die reden het recht van immuniteit van jurisdictie hier niet aan de orde. Ook het Hof verwerpt dus het beroep op dit recht, zij het op andere gronden dan het Gerecht.
2.11.
Ingevolge de immuniteit van executie zijn eigendommen van vreemde staten niet vatbaar voor executie, tenzij en voor zover komt vast te staan dat deze een bestemming hebben die daarmee niet onverenigbaar is in die zin dat sprake is van goederen die niet bestemd zijn voor een overheidstaak en worden gebruikt voor commerciële doeleinden. Of daarvan sprake is zal eerst in de executiefase, de periode waarin een vonnis ten uitvoer wordt gelegd door het treffen van executiemaatregelen ten aanzien van eigendommen van een vreemde staat, moeten blijken.
In de onderhavige procedure is evenwel de voorvraag aan de orde of verlof kan worden verleend voor het ten uitvoer leggen van het buitenlands arbitraal vonnis. In deze fase speelt het recht van immuniteit van executie (nog) geen rol. Het Gerecht heeft het beroep van Venezuela op dit beginsel dan ook terecht verworpen.
2.12.
De overige grieven richten klachten tegen de oordelen van het Gerecht betreffende de toewijsbaarheid van het verzoek tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis van 19 februari 2018 en de proceskostenveroordeling. Deze grieven kunnen gezamenlijk worden besproken.
2.13.
Artikel I lid 1 van de Model Law bepaalt: "This law applies to international commercial arbitration, subject to any agreement in force between this State and any other State or States.". Blijkens het slot van dit artikellid doen de bepalingen van de Model Law, zoals de regeling inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen, dus geen afbreuk aan door een Model Law-staat gesloten verdragen met betrekking tot arbitrage. Voor Bonaire heeft te gelden dat in dit verband het Verdrag van New York van 1958 over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken (hierna: het Verdrag) van toepassing is. Het Verdrag geldt ook voor Venezuela en derogeert aan de Model Law.
2.14.
In artikel V van het Verdrag is geregeld op welke gronden erkenning en tenuitvoerlegging geweigerd zal worden. De Nederlandse vertaling van dit artikel luidt als volgt:
I De erkenning en tenuitvoerlegging van de uitspraak zullen slechts dan, op verzoek van de
partij tegen wie een beroep op de uitspraak wordt gedaan, geweigerd worden, indien die partij aan de bevoegde autoriteit van het land waar de erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, het bewijs levert:
dat de partijen bij de in artikel II bedoelde overeenkomst krachtens het op hen toepasselijke recht onbekwaam waren die overeenkomst aan te gaan, of dat die overeenkomst niet geldig is krachtens het recht waaraan partijen haar hebben onderworpen, of - indien elke aanwijzing hieromtrent ontbreekt - krachtens het recht van het land waar de uitspraak werd gewezen; of
dat aan de partij tegen wie een beroep op de uitspraak wordt gedaan, niet behoorlijk was kennis gegeven van de benoeming van de scheidsman of van de scheidsrechterlijke procedure, of dat het hem om andere redenen onmogelijk is geweest zijn zaak te verdedigen; of
dat de uitspraak betrekking heeft op een geschil dat niet valt onder het compromis of dat niet valt binnen de termen van het compromissoir beding, of dat de uitspraak beslissingen bevat die de bepalingen van het compromis of van het compromissoir beding te buiten gaan, met dien verstande dat, indien de beslissingen welke betrekking hebben op kwesties die aan arbitrage zijn onderworpen gescheiden kunnen worden van de beslissingen die betrekking hebben op kwesties die niet aan arbitrage zijn onderworpen, dat gedeelte van de uitspraak hetwelk de eerstgenoemde beslissingen bevat, kan worden erkend en tenuitvoergelegd; of
dat de samenstelling van het scheidsgerecht of de scheidsrechterlijke procedure niet in overeenstemming was met de overeenkomst der partijen, of, bij gebreke van een overeenkomst daaromtrent, niet in overeenstemming was met het recht van het land waar de arbitrage heeft plaats gevonden; of
dat de uitspraak nog niet bindend is geworden voor partijen of is vernietigd of haar tenuitvoerlegging is geschorst door een bevoegde autoriteit van het land waar of krachtens welks recht die uitspraak werd gewezen.
2 De erkenning en tenuitvoerlegging van een scheidsrechterlijke uitspraak kan eveneens worden
geweigerd, indien de bevoegde autoriteit van het land waar de erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, constateert:
dat het onderwerp van geschil volgens het recht van dat land niet vatbaar is voor beslissing door arbitrage; of
dat de erkenning of tenuitvoerlegging van de uitspraak in strijd zou zijn met de openbare orde van dat land.
2.15.
Volgens Venezuela is de weigeringsgrond van artikel V lid 1 aanhef en onder a van het Verdrag van toepassing, omdat de arbitrageovereenkomst niet voldoet aan enkele arbitragevoorschriften zoals vervat in het Venezolaanse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en daarom ongeldig is. Dit betoog faalt al om reden dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat de gestelde niet-naleving van de door Venezuela bedoelde (procedurele) voorschriften, indien en voor zover al van toepassing, een gebeurtenis betreft die de geldigheid van de arbitrageovereenkomst aantast.
2.16.
Venezuela heeft voorts - kort samengevat - aangevoerd dat het scheidsgerecht zijn opdracht heeft overschreden door te bepalen dat de arbitrage zal plaatsvinden in Rio de Janeiro, Brazilië en door de Venezolaanse Arbitragewet 1998 toe te passen in plaats van het Venezolaanse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.16.1.
Voor zover Venezuela hiermee een beroep doet op de weigeringsgrond van artikel V lid 1 aanhef en onder c van het Verdrag slaagt dit beroep niet.
In dit artikel is tot uitdrukking gebracht dat de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis door de overheidsrechter kan worden geweigerd als het arbitraal tribunaal zijn bevoegdheid te buiten is gegaan door te oordelen over aangelegenheden die niet onder de arbitrageovereenkomst kunnen worden gebracht of is voorbijgegaan aan geschilpunten die de partijen hebben voorgelegd. Dat een dergelijk geval zich hier heeft voorgedaan, is gesteld noch gebleken.
2.16.2.
Voor zover Venezuela hiermee een beroep doet op de weigeringsgrond van artikel V lid 1 aanhef en onder d van het Verdrag slaagt dit beroep evenmin.
In dit artikel is tot uitdrukking gebracht dat de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis door de overheidsrechter kan worden geweigerd als de arbitrale procesgang in strijd is met wat partijen zijn overeengekomen. Bij de vraag of dit het geval is, komt het aan op de uitleg van de arbitrageovereenkomst. Daartoe gelden de regels en gezichtspunten die worden toegepast bij de uitleg van overeenkomsten in het algemeen.
2.16.3.
In de arbitrageovereenkomst is bepaald dat arbitrage zal plaatsvinden in Caracas, Venezuela, en dat in geval van arbitrage partijen zich zullen houden aan de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Venezuela. Uit deze tekst blijkt dat het partijen bij het opstellen van de arbitrageovereenkomst voor ogen heeft gestaan dat het Venezolaans arbitrageprocesrecht op een arbitrage van toepassing is.
Inleiding
Dit past ook bij de keuze voor Caracas als plaats van arbitrage. Tussen partijen is niet in geschil dat het Venezolaanse arbitrageprocesrecht ten tijde van het sluiten van de arbitrageovereenkomst in december 1997 was vastgelegd in het Venezolaanse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en dat relatief kort daarna, begin 1998, de Venezolaanse Arbitragewet in werking is getreden. Zoals het Gerecht terecht heeft overwogen Ivan deze wet worden gezien als een "lex specialis" die derogeert aan de algemene arbitragevoorschriften van het Venezolaanse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In de uitleg van Venezuela is de Venezolaanse Arbitragewet 1998 op grond van de arbitrageovereenkomst niet van toepassing op een arbitrage tussen partijen. Dat verdraagt zich niet met een redelijke uitleg van die overeenkomst, bezien in het licht van de hiervoor genoemde tekst daarvan en de daaruit blijkende bedoeling van partijen. Het Hof zal deze uitleg dan ook niet volgen. Dat partijen destijds bewust hebben besloten om de Venezolaanse Arbitragewet 1998 buiten toepassing te laten, heeft Venezuela wel gesteld, maar tegenover de gemotiveerde betwisting door Huntington niet nader onderbouwd. Een dergelijke afspraak ligt ook niet voor de hand, omdat deze wet nog geen gelding had ten tijde van het sluiten van de arbitrageovereenkomst. En mochten partijen al hebben willen anticiperen op de spoedige inwerkingtreding van deze wet op de door Venezuela gestelde wijze, dan zou het in de lijn der verwachting hebben gelegen om de uitsluiting van de toepasselijkheid daarvan expliciet op te nemen in de arbitrageovereenkomst. Dat dit niet is gebeurd, vormt dan een aanwijzing van het tegendeel. Het Hof gaat daarom aan deze stelling van Venezuela voorbij.
2.16.4.
In het kader van haar beroep op de weigeringsgrond van artikel V lid 1 aanhef en onder d van het Verdrag heeft Venezuela artikel 3 van de Venezolaanse Arbitragewet 1998 aangehaald. Dit artikel bepaalt dat geschillen die het direct gevolg zijn van typisch overheidshandelen (acta iure imperii) naar hun aard niet vatbaar zijn voor arbitrage. Aldus betreft dit geen regel van arbitrageprocesrecht als bedoeld in artikel V lid 1 aanhef en onder d van het Verdrag, zodat dit artikel niet relevant is in het leader van de beoordeling van de vraag of Venezuela een geslaagd beroep kan doen op de in dit artikel van het Verdrag vervatte weigeringsgrond.
2.16.5.
Indien en voor zover zuiver overheidshandelen van Venezuela de aanleiding is geweest voor het ontstaan van het geschil zoals beslecht in het arbitraal proces, wat Huntington betwist, dan zou artikel 3 van de Venezolaanse Arbitragewet 1998
wellicht, bijvoorbeeld als het een bepaling van dwingend recht betreft en daaraan terugwerkende kracht is toegekend, de geldigheid van de arbitrageovereenkomst kunnen aantasten. Venezuela heeft het Hof echter onvoldoende aanknopingspunten gegeven voor een beoordeling daarvan.
2.16.6.
Vast staat dat de arbitrage niet conform de tekst van de arbitrageovereenkomst heeft plaatsgevonden in Caracas, Venezuela, maar in Rio de Janeiro, Brazilië. Venezuela heeft de stelling van Huntington dat ten tijde van de start van de arbitrale procedure een arbitrage in Venezuela onmogelijk was geworden als gevolg van de sociaaleconomische en politieke crisis in Venezuela en de daaruit voortvloeiende negatieve gevolgen voor de rechtsbescherming van fundamentele rechten, zoals het recht op een eerlijk (arbitraal) proces, mede in het licht van belemmeringen in de Amerikaanse wetgeving ter zake het overleggen van bewijs in een procedure in Venezuela, op zich niet betwist.
Hierbij past ook, zoals Huntington eveneens onweersproken heeft gesteld, dat Venezuela geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 4 december 2010 van de United States District Court for the Southern District of Mississippi in een procedure tussen partijen over de nakoming van de arbitrageovereenkomst, waarin de Amerikaanse overheidsrechter een oordeel van die strekking heeft uitgesproken. Partijen zijn vervolgens ook een nieuwe plaats van arbitrage, te weten Washington D.C. overeengekomen. Op grond hiervan lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat Venezuela (al dan niet impliciet) heeft erkend dat moest worden gekozen voor een andere plaats van arbitrage. Dat Venezuela na aanvang van de arbitrage te Washington D.C. op deze afspraak is teruggekomen, maakt dit niet anders. Venezuela heeft in deze procedure niet gesteld dat partijen daarna op enig moment finale overeenstemming hebben bereikt over een andere plaats van arbitrage. Dit is ook anderszins niet gebleken. Zonder nadere toelichting, die ook in hoger beroep ontbreekt, valt niet in te zien waarom het scheidsgerecht onder deze omstandigheden niet gebruik kon maken van de bevoegdheid van artikel 9 van de Venezolaanse Aribragewet 1998 om zelf de plaats van arbitrage te bepalen als partijen daarover geen overeenstemming bereiken. Relevant in dit kader is voorts dat Venezuela is verschenen in de arbitrage te Rio de Janeiro en daar ook inhoudelijk verweer heeft gevoerd.
2.17.
Venezuela heeft tenslotte nog een beroep gedaan op de weigeringsgrond van artikel V lid 1 aanhef en onder e van het Verdrag. Naar het oordeel van het Hof heeft het Gerecht dit beroep op goede gronden verworpen. Het Hof neemt die gronden over en maakt die tot de zijne. Het voegt daaraan nog toe dat zelfs al zou geconcludeerd moeten worden dat het Venezolaanse Tribunal Supremo de Jusiticia (hierna: het Tribunal) ook of exclusief bevoegd was om het arbitraal vonnis van 19 februari 2018 te schorsen, die conclusie Venezuela niet zou baten. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 24 november 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2992) heeft geoordeeld moet artikel V lid 1, aanhef en onder e, van het Verdrag aldus worden uitgelegd dat de vernietiging van een buitenlands arbitraal vonnis door een bevoegde autoriteit van het land waar of krachtens welks recht dat vonnis werd gewezen, niet belet dat de overheidsrechter, gebruikmakend van zijn beoordelingsruimte, in een bijzonder geval het arbitraal vonnis toch erkent of van verlof tot tenuitvoerlegging voorziet.
Deze uitspraak kan naar het oordeel van het Hof analoog worden toegepast op een beslissing tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis door een bevoegde autoriteit van het land waar of krachtens welks recht dat vonnis werd gewezen.
2.18.
Van een zodanig bijzonder geval is onder meer sprake als het buitenlandse schorsingsvonnis niet voor erkenning op Bonaire vatbaar is, op de grond dat niet is voldaan aan een of meer van de voorwaarden die volgens het internationaal privaatrecht van de BES-eilanden gelden voor de erkenning van een buitenlandse beslissing (vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 rov. 3.6.4). Eon van die voorwaarden is dat de buitenlandse beslissing tot stand is gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging. Huntington heeft onweersproken gesteld dat zij niet is opgeroepen in de procedure die heeft geleid tot de schorsingsuitspraak van het Tribunal. Deze schending van het beginsel van hoor en wederhoor maakt dat niet is voldaan aan een essentieel beginsel van behoorlijke rechtspleging. Dat het arbitraal vonnis van 19 februari 2018 door het Tribunal is geschorst in de zin van artikel V lid 1 aanhef en onder e van het Verdrag vormt derhalve geen beletsel om het arbitraal vonnis van een verlof tot tenuitvoerlegging te voorzien.
2.19.
Venezuela heeft geen bewijs aangeboden van feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden. Aan haar bewijsaanbiedingen wordt dan ook voorbijgegaan.
2.20.
De slotsom is dat de grieven niet slagen en de bestreden beschikking zal worden bevestigd. Venezuela zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.