Rechtspraak 2017-12-19
ECLI:NL:OGHACMB:2017:163
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Beschikking in de zaak van : de naamloze vennootschap WATER- EN ENERGIEBEDRIJF ARUBA (W.E.B.) N.V., gevestigd in Aruba, hierna te noemen: WEB, oorspronkelijk verweerster, thans appellante, gemachtigde: mr. E.H.J. Martis, tegen [GEÏNTIMEERDE], wonende in Aruba, hierna te noemen: [geïntimeerde], oorspronkelijk verzoeker, thans geïntimeerde, gemachtigde: mr. G. de Hoogd. 1 Het verloop van de procedure 1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met EJ nummer 674 van 2016 gegeven en op 18 oktober 2016 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd. 1.2. WEB heeft in een als beroepschrift aan te merken ‘akte van hoger beroep’, op 22 november 2016 ingediend ter griffie van het GEA hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. In een ‘memorie van grieven/toelichting beroepschrift’, met productie, heeft zij drie grieven voorgedragen en toegelicht en geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en afwijzing van de verzoeken, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. 1.3. Op 28 november 2017 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voor WEB is haar gemachtigde verschenen. [geïntimeerde] is in persoon verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. [geïntimeerde] en de gemachtigden hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van [geïntimeerde] aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen 1.4. Beschikking is bepaald op heden. 2 De gronden van het hoger beroep Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift. 3 Beoordeling 3.1. [ [geïntimeerde], geboren op 6 december 1955, is met ingang van 1 juli 2011 – hij was toen 55 jaar oud – met vervroegd pensioen bij WEB gegaan. Hij had toen voldoende dienstjaren (ten minste 30 jaren) voor een APFA-overheidspensioen. Op dat moment was de AOV-pensioneringsleeftijd 60 jaar. Tussen [geïntimeerde] en WEB is op 8 juni 2011 een ‘VASTSTELLINGSOVEREENKOMST’ gesloten (productie 2 bij inleidend verzoekschrift), waarin gerefereerd is aan het APFA-pensioen en aan [geïntimeerde] een ‘beëindigingsvergoeding in de vorm van een lumpsumbedrag als tegemoetkoming voor gederfde inkomsten gedurende de periode vanaf 1 juli 2011 tot de dag van het bereiken van de leeftijd van 60 jaar (“de overbruggingsperiode”) wordt toegekend. 3.2. Door een vervolgens tot stand gebrachte wetswijziging kreeg [geïntimeerde] zijn AOV-pensioen niet op 60-jarige leeftijd, maar een jaar later (1 januari 2017). [geïntimeerde] verzocht, met een beroep op artikel 6:258 BW, wijziging van de ‘vaststellingsovereenkomst’ ter dichting van het ‘pensioengat’ dat bestond tussen zijn 60-jarige en 61-jarige leeftijd. Ter zitting heeft WEB verklaard dat andere werknemers die met vervroegd pensioen zijn gegaan en een beëindigingsvergoeding ontvingen, niet in actie zijn gekomen. 3.3. Het GEA heeft [geïntimeerde]s verzoek aldus gehonoreerd dat voor ‘de dag van het bereiken van de leeftijd van 60 jaar’ onderscheidenlijk ‘zijn 60ste’ en ‘de zestigjarige leeftijd’ moet worden gelezen: de dag waarop [geïntimeerde] wettelijk pensioengerechtigd is (rov. 3.3.2 en dictum). Hiertegen richt zich het hoger beroep van WEB. 3.4. Het hoger beroep slaagt. Uitleg van de ‘vaststellingsovereenkomst’ naar de Haviltex-maatstaf leidt er niet toe dat ‘de leeftijd van 60 jaar’ redelijkerwijs betekent: de leeftijd waarop [geïntimeerde] recht krijgt op een AOV-pensioen. De overeenkomst betrof de beëindiging van de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden. Het kan zijn dat partijen ter bepaling van de hoogte van de lumpsum in 2011 zijn uitgegaan van de toen geldende wetgeving, die inhield dat er met 60 jaar recht ontstond op een AOV-pensioen, maar door aan te knopen aan een specifieke le