Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2014-05-23
ECLI:NL:OGHACMB:2014:122
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,549 tokens
Inleiding
HLAR 67083/13
Datum uitspraak: 23 mei 2014
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[Appellante] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de minderjarige], beiden wonend in Aruba,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 16 oktober 2013 in zaak nr. Lar nr. 266 van 2013 in het geding tussen:
appellante
en
het Uitvoeringsorgaan, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Landsverordening algemene ziektekostenverzekering.
Procesverloop
Bij beschikking van 6 juli 2012 heeft het Uitvoeringsorgaan een verzoek van appellante om vergoeding van kosten van orthodontie voor [de minderjarige] afgewezen.
Bij beschikking van 24 januari 2013 heeft het Uitvoeringsorgaan het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 oktober 2013 heeft het Gerecht het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd en bepaald dat het Uitvoeringsorgaan een nieuwe beschikking op het door appellante gemaakte bezwaar geeft.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij het Gerecht ingekomen op 27 november 2013, hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2014, waar appellante en [de minderjarige], bijgestaan door mr. N.R. Sneek en P. Nuboer, tandarts, en het Uitvoeringsorgaan, vertegenwoordigd door mr. S.E. van Spall, werkzaam in zijn dienst, zijn verschenen.
Overwegingen
1.
Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Landsverordening algemene ziektekostenverzekering, voor zover thans van belang, heeft een verzekerde aanspraak op tandheelkundige en mondhygiënische hulp, naar de omvang te bepalen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.
Ingevolge artikel 2 van het Landsbesluit tandheelkundige hulp AZV (hierna: LbthAZV) worden de tandheelkundige of orthodontische hulp die behandelingen omvat die naar het oordeel van het uitvoeringsorgaan onnodig kostbaar, onnodig gecompliceerd of tandheelkundig niet doelmatig zijn, niet vergoed.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, heeft de jeugdige verzekerde aanspraak op orthodontische hulp door een orthodontist na machtiging door het uitvoeringsorgaan op basis van de limitatieve indicatielijst, bedoeld in bijlage IV.
In de bij de LbthAZV behorende bijlage IV is als volgt vermeld:
Indicatielijst orthodontie
Gradatie noodzaak
A. t/m F.
(…)
G.
ernstige contactpunt verplaatsing, groter dan 4 mm;
H. t/m J.
(…).
Gradatie ernstige noodzaak
A.
gestoorde eruptie van elementen (behalve derde molaren) als gevolg van het op elkaar liggen van de tanden, een te smalle kaak of te vroege extractie van de melkelementen (crowding), ectopie, boventallige elementen, persistente melkelementen (ankylose), of andere pathalogische oorzaak;
B. t/m F.
(…).
Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar), voor zover thans van belang, wordt de beslissing op het bezwaarschrift met redenen omkleed en gaat zij vergezeld van een afschrift van het advies van de commissie en van het verslag van de hoorzitting.
Ingevolge het tweede lid worden, indien de beslissing van het advies afwijkt, de redenen voor die afwijking vermeld en wordt een afschrift van de beslissing aan de bezwaaradviescommissie toegezonden.
2.
Op 3 april 2012 heeft de orthodontist J.H. Walker D.M.D. het Uitvoeringsorgaan namens appellante verzocht om vergoeding van kosten voor orthodontie voor [de minderjarige]. Daaraan heeft hij het volgende ten grondslag gelegd: “our chief concern was: crowding.” Voorts heeft hij daaraan de diagnose “moderate maxillary crowding” ten grondslag gelegd.
Bij de hoorzitting van de bezwaaradviescommissie heeft de tandarts drs. P. Nuboer op verzoek van appellante zijn aan de hand van metingen gegeven oordeel dat, voor zover thans van belang, sprake is van crowding in de vorm van een tekort van 6 mm in de onderkaak nader toegelicht.
3.
Aan de beschikking van 24 januari 2013 heeft het Uitvoeringsorgaan ten grondslag gelegd dat de verzochte behandeling naar zijn oordeel niet doelmatig is, nu moderate crowding een minimale afwijking is die geen disfunctionele stoornis tot gevolg heeft. Daarbij is het afgeweken van het advies van de bezwaaradviescommissie.
4.
Naar aanleiding van een verzoek van het Gerecht heeft de orthodontist dr. E. Croes op 7 juni 2013 het Gerecht als deskundige bericht dat sprake is van “moderate maxillary crowding” en [de minderjarige] “according to the previous studies and my evaluation […] orthodontic treatment [requires].”
5.
Bij brief van 11 juni 2013 heeft het Uitvoeringsorgaan zich in reactie daarop op het standpunt gesteld dat de indicatie bij [de minderjarige], zoals door zowel Walker D.M.D. als dr. Croes gediagnosticeerd, niet in de bij het LbthAZV behorende bijlage IV voorkomt.
6.
Het Gerecht heeft de beschikking van 24 januari 2013 vernietigd, omdat deze van het advies van de bezwaaradviescommissie afwijkt en de redenen voor die afwijking in strijd met artikel 21, tweede lid, van de Lar daarin niet zijn vermeld. Het heeft voorts onderzocht of de door het Uitvoeringsorgaan in beroep gegeven nadere motivering aanleiding geeft de rechtsgevolgen van die beschikking in stand te laten. Het heeft de nader gegeven motivering daarvoor echter onvoldoende draagkrachtig geacht, nu het Uitvoeringsorgaan in zijn reactie op het deskundigenbericht van dr. Croes niet op de daarin gestelde diagnose “klasse II occlusie met betrekking tot een hoektand” is ingegaan en aldus niet toereikend heeft gemotiveerd, waarom die occlusie niet zou kunnen resulteren in een ectopie, als bedoeld in A van de gradatie ernstige noodzaak in bijlage IV, tot welke conclusie de bezwaaradviescommissie is gekomen.
Het heeft verder overwogen dat het Uitvoeringsorgaan de mate van crowding in redelijkheid niet zodanig ernstig heeft kunnen oordelen, dat deze valt onder hetgeen onder A van de gradatie ernstige noodzaak in bijlage IV is vermeld. Daarbij heeft het, mede in het licht van de aan het Uitvoeringsorgaan bij artikel 2 van het LbthAZV toegekende beoordelingsruimte, de uitleg van het Uitvoeringsorgaan dat bij gematigde crowding geen ernstige noodzaak voor behandeling bestaat niet rechtens onjuist geacht. Nu de conclusie van het Uitvoeringsorgaan dat geen sprake is van een disfunctionele stoornis, door de deskundigen niet wordt weersproken, heeft het Gerecht de afwijzing in zoverre wel voldoende draagkrachtig gemotiveerd geacht.
7.
Appellante betoogt dat het Gerecht daarmee heeft miskend dat een jeugdige verzekerde ingevolge artikel 9, eerste lid, van het LbthAZV aanspraak heeft op orthodontische hulp, indien zich een indicatie voordoet als vermeld in de bij dat Landsbesluit behorende bijlage IV. Nu daarin de indicatie “crowding” is vermeld, drs. Nuboer crowding in de vorm van een tekort van 6 mm in de onderkaak heeft vastgesteld en zowel Walker D.M.D. als dr. Croes de diagnose “moderate maxillary crowding” hebben gesteld, was het Uitvoeringsorgaan gehouden de kosten van orthodontische hulp te vergoeden. Daaraan doet het bepaalde in artikel 2 van het LbthAZV niet af, nu daarin een algemene regel is gegeven en in artikel 9 een speciale, aldus appellante.
7.1.
In bijlage IV bij het LbthAZV is niet bepaald dat iedere crowding aanspraak geeft op vergoeding van kosten van de behandeling ervan. Zodanige aanspraak bestaat eerst, indien de crowding een gestoorde eruptie van elementen tot gevolg heeft. In de beschikking van 24 januari 2013 heeft het Uitvoeringsorgaan gesteld dat de geconstateerde moderate crowding een minimale afwijking is die geen functionele stoornis tot gevolg heeft. Het Hof begrijpt dat aldus dat, nu de bij [de minderjarige] geconstateerde mate van crowding geen gestoorde eruptie van elementen veroorzaakt, de behandeling ervan naar het oordeel van het Uitvoeringsorgaan tandheelkundig niet doelmatig is en daarom geen aanspraak op vergoeding van de kosten ervan bestaat. In de door appellante overgelegde deskundigenberichten van Walker D.M.D. en drs. Nuboer, noch in dat van dr. Croes is gesteld dat de crowding bij [de minderjarige] een gestoorde eruptie van elementen tot gevolg heeft of zal hebben. Reeds omdat zich in zoverre geen indicatie, als neergelegd in Bijlage IV van het LbthAZV, voordoet, faalt het betoog.
8.
Appellante heeft in het hogerberoepschrift niet betoogd dat het Gerecht heeft miskend dat [de minderjarige] aanspraak heeft op vergoeding van kosten voor orthodontie, omdat zich ernstige contactpuntverplaatsing, groter dan 4 mm, voordoet, zoals vermeld onder G van de gradatie noodzaak in bijlage IV. Voor zover appellante dat voor het eerst ter zitting in hoger beroep heeft gedaan, wordt dat betoog wegens strijd met de goede procesorde niet bij de beoordeling betrokken, nu zij niet heeft gesteld dat zij dat niet eerder heeft kunnen doen.
9.
Appellante betoogt voorts dat het Gerecht, door de feiten niet volledig weer te geven, haar betoog onjuist weer te geven en dr.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. P. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Martines, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2014