Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen
2008-01-07
ECLI:NL:OGEANA:2008:BE8654
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,429 tokens
Inleiding
Zaaknummer: EJ 2007 / 440
Datum uitspraak: 7 januari 2008
HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN
Zittingplaats Curaçao
Beschikking in de zaak van
[naam verzoeker],
wonende op Curaçao,
verzoeker, verder te noemen [verzoeker]
tegen
de openbare rechtspersoon de Nederlandse Antillen,
gevestigd te Curaçao,
verweerster, verder: het Land
gemachtigde: mr. D.A. Piar.
1. Het procesverloop
Dat blijkt uit:
a. het verzoekschrift met producties;
b. het verweerschrift met producties;
c. de pleitnota aan de zijde van [verzoeker];
d. de pleitnota uit de zijde van het Land.
Voormelde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Geschil
[verzoeker] vordert het Land te veroordelen “om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser het overeengekomen salaris en emolumenten vanaf mei 2007 te betalen en te blijven betalen tot 1 maart 2008 (…)”.
Het Land heeft de vordering bestreden.
Beoordeling
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de producties kan van het volgende worden uitgegaan.
Bij Landsbesluit van 19 maart 2005 heeft de gouverneur van de Nederlandse Antillen (op voordracht van de minister van Justitie) goedgevonden en de minister van Justitie gemachtigd om namens het Land “rechtshandelingen te stellen in het kader van de totstandkoming van concept-arbeidsovereenkomsten met (…) [verzoeker] (…), een en ander conform de aan dit besluit gehechte concept arbeidsovereenkomsten.”.
Partijen hebben vervolgens een op 1 augustus 2005 gedateerde overeenkomst gesloten waarbij onder meer het volgende is vastgelegd:
“De minister van Justitie (…) als zodanig vertegenwoordigende Rechtspersoon de Nederlandse Antillen, partij ter ene zijde, hierna te noemen werkgever,
en
de heer [verzoeker] (…), partij ter andere zijde, hierna te noemen werknemer, zijn overeengekomen de volgende arbeidsovereenkomst naar burgerlijk rechtaan te gaan:
Artikel 1
De werkgever neemt de werknemer in dienst om gerekend te zijn ingegaan 1 maart 2005 tot 1 maart 2006 ten einde ondersteuning te verlenen in het wegwerken van achterstanden op rechtspositioneel gebied binnen de justitiële keten ten behoeve van, de Minister van Justitie, tegen een loon naar reden van f.5015,-- (…) per maand.
(…)
Artikel 4
Partijen behouden zich het recht voor de overeenkomst te allen tijde op te zeggen, met inachtneming van een opzegtermijn van een maand. (…)”.
Bij Landsbesluit van 22 februari 2006 is goedgevonden de “aangegane arbeidsovereenkomst, met ingang van 1 maart 2006 voor de duur van 1 jaar te verlengen”.
Bij brief van 5 maart 2007 heeft de directeur van de directie personeel, organisatie & ICT aan de minister van constitutionele en binnenlandse zaken onder meer het volgende medegedeeld:
“Gezien de toename van aantal rechtszaken in de justitiële keten, waarbij mijn directie als procesgemachtigde met capaciteittekort kwam te zitten, werd dezerzijds een beroep gedaan op assistentie middels inschakeling van de heer [verzoeker].
Vorenbedoelde arbeidsovereenkomst is per 1 maart j.l. verlopen en ben ik genoodzaakt om u te benaderen met het verzoek om bij wijze van hoge uitzondering een verlenging te overwegen met maximaal een jaar (…).
Reden van het voorstel is gelegen in het feit dat de heer [verzoeker], voornoemd, een goede aanwinst is gebleken en in de voorbereidingsfase van de te voeren rechtszaken is zijn inzet in dit stadium niet te ontberen. (…)”.
Bij brief van 25 april 2007 heeft de minister van constitutionele en binnenlandse zaken aan de directie personeel, organisatie en ICT onder meer het volgende medegedeeld:
“Bij besluit van de Raad van Ministers d.d 25 april 2007 (…) heeft de Raad met betrekking tot uw advies inzake de rechtspositie van de heer [verzoeker] ingestemd met het volgende:
a. Om de heer [verzoeker] uit te betalen voor verrichte werkzaamheden in de maanden maart en april 2007.
b. Om betrokkene te berichten dat hij met onmiddellijke ingang dient te stoppen met zijn werkzaamheden bij de directie Personeel, Organisatie & ICT, aangezien de regering niet langer voornemens is de met hem aangegane arbeidsovereenkomst langer te verlengen.
Ik verzoek u dringend zorg te dragen voor de uitvoering van de raadsbeslissing en de heer [verzoeker] te berichten dat zijn werkzaamheden met onmiddellijke ingang worden stopgezet.”.
Bij brief van 3 mei 2007 aan het Land heeft [verzoeker], kort weergegeven, te kennen gegeven niet in te stemmen met ontslag.
Laatstelijk was [verzoeker] werkzaam tegen een loon van NAf 5.247,- bruto per maand.
[verzoeker] heeft, naast vorenstaande, aan zijn vordering ten grondslag gelegd
- dat uit de stukken genoegzaam blijkt dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in het belang van de dienst is;
- dat hij “in alle redelijkheid het vertrouwen en de verwachting op dat de arbeidsovereenkomst met nog één jaar zou worden verlengd”;
- dat “de beslissing van de Raad van Ministers werd genomen zonder opgave van enige reden noch opzeggingstermijn” (…) zulks in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel (…)”.
Daartegen heeft het Land, kort weergegeven, aangevoerd dat uit de brieven van de directie personeel, organisatie & ICT blijkt dat de directeur ervan uitging dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd zodat geen vertrouwen gewekt is dat de overeenkomst werd verlengd. Voorts heeft het Land aangevoerd dat een machtiging tot verlenging van de arbeidsovereenkomst, waartoe een besluit van de ministerraad vereist is, ontbreekt, zodat verlenging van de arbeidsovereenkomst in strijd is met regels van formele besluitvorming. Verder heeft het Land er op gewezen dat titel zeven van boek 7A van het burgerlijk wetboek (BW) - betreffende de arbeidsovereenkomst - op grond van artikel 7A:1613x BW niet van toepassing is op de overeenkomst van partijen en heeft zij verwezen naar het vonnis van het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 7 maart 2006 (inzake Daal).
Blijkens onderdeel 6 van zijn pleitnota gaat [verzoeker] er kennelijk van uit dat de bepalingen van het BW omtrent de arbeidsovereenkomst op de overeenkomst van partijen van toepassing zijn verklaard.
Omtrent het antwoord op de vraag of titel zeven A van boek 7A BW van toepassing is verklaard op de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] wordt overwogen als volgt.
In artikel 7A: 1613x BW is vastgelegd, dat de bepalingen van titel zeven A van boek 7A BW niet van toepassing zijn ”ten aanzien van personen in dienst van de overheid, tenware zij, hetzij vóór of bij de aanvang der dienstbetrekking door of namens partijen hetzij bij algemene verordening van toepassing zijn verklaard. Indien zij wel van toepassing zijn verklaard worde de overheid ten aanzien dier bepalingen als de werkgever beschouwd.”.
Het wettelijk systeem is mitsdien dat indien partijen omtrent de toepasselijkheid van het burgerlijk recht zwijgen, de bepalingen van het BW inzake de arbeidsovereenkomst niet van toepassing zijn. In dit geval hebben partijen echter – in tegendeel – vastgelegd dat zij een arbeidsovereenkomst wensen aan te gaan “naar burgerlijk recht”. Klaarblijkelijk hebben partijen beoogd de bepalingen van de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht van toepassing te verklaren, zodat titel zeven A van boek 7A BW van toepassing is. Voor dit oordeel is temeer reden nu in die overeenkomst verder is verklaard dat de akte waarbij de overeenkomst is vastgelegd vrij van zegel is ”krachtens art. 1613w. van het Burgerlijk Wetboek (…)” en de overheid in de overeenkomst als werkgever wordt aangeduid overeenkomstig de laatste volzin van artikel 7A:1613x BW.
Tot de zevende titel A van boek 7A BW behoort artikel 7A:1615f BW. Daarvan luidt het eerste lid als volgt:
“Indien de dienstbetrekking na het verstrijken van de tijd, in het eerste lid van het voorgaande artikel omschreven, door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, wordt zij geacht voor dezelfde tijd, doch telkens ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden wederom te zijn aangegaan.”.
Tussen partijen is niet in geschil, en mitsdien staat vast, dat [verzoeker] op en na 1 maart 2007 zijn arbeid heeft voortgezet.
Weliswaar heeft het Land aangevoerd dat het [verzoeker] bekend was dat goedkeuring vereist was voor verlenging en dat die goedkeuring ontbrak alsmede dat in de - hiervoor gedeeltelijk aangehaalde - brief van de directeur van de directie personeel, organisatie & ICT van 5 maart 2007 aan de minister wordt geconstateerd dat de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2007 “is verlopen”, maar daaruit kan geenszins “tegenspraak” in de zin van artikel 7A:1615f BW worden afgeleid.
Dictum
Het gerecht:
- veroordeelt het Land aan [verzoeker] te betalen een bedrag van NAf 4.106,34 bruto ter zake van loon;
- compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar voorraad;
- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.G.P.M. Spreuwenberg en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2008.