Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2025-09-19
ECLI:NL:OGEAM:2025:93
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,204 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202500886
Vonnis in kort geding d.d. 19 september 2025
In de zaak van
[eiseres],
wonende in Sint Maarten,
eiseres,
procederende in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde,
verschenen in persoon.
Partijen zullen hierna “[eiseres]” en “[gedaagde]” worden genoemd.
1Het verloop van de procedure
1.1. [
eiseres] heeft op 25 augustus 2025 een kort geding verzoekschrift met producties ingediend. Op 12 september 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen zijn verschenen en het woord hebben gevoerd. Partijen hebben geprobeerd onder leiding van de rechter een schikking te treffen, maar dat is niet gelukt.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een schriftelijk huurovereenkomst gesloten, waarbij [gedaagde] van [eiseres] een appartement huurt aan de [adres], tegen een maandelijkse huurprijs van USD 730,-- te betalen voor de 15de van elke maand.
Geschil
3.1. [
eiseres] vordert om bij vonnis, zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Voor recht te verklaren dat huurovereenkomst is ontbonden wegens wanprestatie;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van:
- USD 1.209,03 achterstallige huur;
- USD 100,- boete mei huur;
- USD 100,- voor niet ingeleverd sleutel;
- USD 150,- administratie kosten;
- USD 100 GEBE verbruiksrekeningen opgebouwd van 15 april tot 14 juni 2025;
- USD 24,33 per dag dat de sleutels niet zijn ingeleverd.
3.2. [
eiseres] grondt haar vordering erop dat [gedaagde] in gebreke is met de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst en een betalingsregeling van 15 april 2025 en daarmee wanprestatie pleegt. Dit levert een ontbindings- en ontruimingsgrond op aldus eiseres.
3.3. [
gedaagde] erkent dat er sprake is van een huurachterstand, maar stelt dat daar in ieder geval de borgsom nog in mindering op moet worden gebracht. Vervolgens heeft [gedaagde] aangegeven dat hij uit het appartement is vertrokken. Hij betwist ook de bedragen die voor de sleutels in rekening zijn gebracht. Hij had die beschikbaar voor de moeder van [eiseres], die ter plaatse aanwezig was.
Beoordeling
4.1. [
eiseres] vordert om voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst tussen partijen wegens wanprestatie is ontbonden. Deze vordering stuit af op het karakter van de kort geding procedure. Gelet op het voorlopige karakter van het kort geding, kan de kortgedingrechter alleen een voorlopig oordeel geven over de rechtsverhouding tussen partijen, en daarover niet een definitieve uitspraak doen. Dit betekent dat in een uitspraak in kort geding geen plaats is voor een verklaring voor recht (of voor een ontbinding van een overeenkomst).
4.2.
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de rechter bij de vraag of een geldvordering in kort geding toewijsbaar is, allereerst onderzoeken of de vordering van de eiser voldoende aannemelijk is. Daarnaast moet bij de eisende partij een spoedeisend belang bestaan, waardoor het voeren van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De vordering is door [gedaagde] inhoudelijk en gemotiveerd betwist. [eiseres] heeft ook niet kunnen onderbouwen, waarom zij niet een beslissing in een bodemprocedure zou kunnen afwachten. Aan beide genoemde voorwaarden is dus niet voldaan. [eiseres] moet daarom ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar geldvorderingen.
4.3. [
gedaagde] voert deze procedure in persoon. Daarom bestaat geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding aan [gedaagde].
4.4.
De slotsom luidt dat [eiseres] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vorderingen. Zoals ter zitting al is besproken, betekent dit niet dat de vorderingen worden afgewezen. Voor [eiseres] bestaat de mogelijkheid om deze vorderingen alsnog in een ‘gewone’ bodemprocedure aanhangig te maken, waarna de bodemrechter daarover inhoudelijk zal beslissen. Gelet op het feit dat [gedaagde] in ieder geval een deel van de vordering erkent, wordt beide partijen nadrukkelijk geadviseerd alsnog te proberen een regeling te treffen.
Dictum
5.1.
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door J.F.M. Becker, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.