Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2025-05-27
ECLI:NL:OGEAM:2025:86
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,941 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202101421
Vonnis van 27 mei 2025
in de zaak van
1[eiseres 1],
2. [eiseres 2],
beiden wonend in Sint Maarten,
eisers, tevens verweerders in reconventie,
gemachtigde: dhr. E.I. Maduro,
tegen
de gezamenlijke of vermoedelijke erfgenamen van wijlen [erflater],
namens wie zijn verschenen:
1. [gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
3. [gedaagde 3],
allen wonend in Sint Maarten,
gedaagden, tevens eisers in reconventie,
gemachtigde: eerst mr. M.F. Bonapart en nu mr. S.J. Fox,
De eisers zullen hierna ‘[eiseres 1]’ en ‘[eiseres 2]’ worden genoemd. De drie personen die namens de gedaagden zijn verschenen worden ‘[gedaagde]’ (vrouwelijk enkelvoud) genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met producties, dat op 22 november 2021 is ingediend;
de incidentele akte i.v.m. overlijden procespartij van [gedaagde];
de akte houdende uitlating, hervatting geding ex art. 187 Rv van [eiseres 1] en [eiseres 2];
de conclusie van antwoord en eis in reconventie, met producties van [gedaagde];
het comparitievonnis;
de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;
de mail van de gemachtigde van [eiseres 1] en [eiseres 2] van 13 november 2023, met een bijlage;
de mail van de gemachtigde van [gedaagde] van 14 november 2023, met een bijlage;
het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 15 november 2023;
de mail van de gemachtigde van [eiseres 1] en [eiseres 2] van 17 november 2023;
de brief van de gemachtigde van [gedaagde] van 27 november 2023, met bijlagen;
de mail van de gemachtigde van [eiseres 1] en [eiseres 2] van 28 november 2023;
de akte na comparitie van partijen van [eiseres 1] en [eiseres 2], met producties;
de akte na comparitie van partijen van [gedaagde], met producties;
de akte uitlating producties van [eiseres 1] en [eiseres 2];
de akte uitlating producties van [gedaagde];
de rolbeslissing;
de akte houdende uitlating van [gedaagde]
1.2.
De uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op vandaag.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1. [
erflater] is in 1872 eigenaar geworden van een perceel met de naam Nick Spring [meetbriefnummer]. [eiseres 1] en [eiseres 2] stellen dat ieder van hen beiden sinds de jaren ’60 een deel van dit perceel, dat gelegen is aan [adres], bezit. Voor [eiseres 2] gaat het om nummer 2 en voor [eiseres 1] om nummer 4. Zij eisen dat het Gerecht voor recht verklaart dat zij door verjaring op 1 januari 2002 eigenaar zijn geworden van die gedeeltes. Zij vragen het Gerecht verder om te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking van de erfgenamen voor inschrijving van het eigendom in de openbare registers.
2.2. [
gedaagde] is verschenen namens de gedaagden. Zij stelt dat zij erfgenamen zijn. Zij is het niet eens met de eisen. Volgens haar moet [eiseres 2] niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is gebleken dat zij als erfgenaam van wijlen [echtgenoot eiseres 2] (die eerst gedaagde was) kan optreden. Volgens [gedaagde] zijn [eiseres 1] en [eiseres 2] daarnaast geen eigenaar geworden van de percelen. In de eerste plaats is verjaring volgens hen uitgesloten, omdat het perceel onderdeel is van een langdurig onverdeelde nalatenschap. Bovendien stelt zij dat om dezelfde reden [eiseres 1] en [eiseres 2] de percelen ook niet bezitten, maar alleen houden. Daarnaast stelt zij dat [eiseres 1] en [eiseres 2] de percelen eerst huurden en dat dit niet over kan zijn gegaan in bezitten. Zij eist zelf dat het Gerecht [eiseres 1] en [eiseres 2] veroordeelt om hun bouwwerkzaamheden op de percelen te staken.
2.3. [
eiseres 1] en [eiseres 2] zijn het niet eens met de tegeneis. Zij stellen dat zij nu niet aan het bouwen zijn op het perceel.
Samenvatting van het oordeel
2.4.
Het Gerecht kan nu nog geen uitspraak doen, omdat de erfgenamen eerst nog correct moeten worden opgeroepen. Dat licht het in dit vonnis toe. Het geeft verder wel alvast een voorlopig oordeel over de eisen.
[eiseres 2] is eiseres in plaats van [echtgenoot eiseres 2]
2.5.
Deze procedure is gestart door [eiseres 1] en door [echtgenoot eiseres 2]. [echtgenoot eiseres 2] is op 10 maart 2022 echter overleden. [eiseres 2] heeft laten weten dat de procedure op haar naam kan worden voortgezet (artikelen 185 en 187 Rv). Het Gerecht heeft dat vervolgens ook gedaan. [eiseres 2] heeft namelijk alle bezittingen en schulden van [echtgenoot eiseres 2] gekregen, omdat zij met [echtgenoot eiseres 2] was getrouwd en [echtgenoot eiseres 2] geen testament heeft achtergelaten (artikel 4:13 lid 2 BW). [eiseres 2] kan dus ook als belanghebbende deze procedure op zijn naam voortzetten. Dat [naam] (een zoon van [echtgenoot eiseres 2]) ook erfgenaam is en daarom een geldvordering op [eiseres 2] heeft (artikel 4:13 lid 3 BW) betekent niet dat hij toestemming moet geven voor het hervatten van de procedure, zoals [gedaagde] lijkt te stellen. [eiseres 2] is dus ontvankelijk en is daarom als eiseres aangemerkt in deze procedure.
Het Gerecht gaat ervan uit dat [erflater] eigenaar was van het perceel
2.6.
Zoals hiervoor ook staat is [erflater] in 1872 eigenaar geworden van perceel [perceelnummer]. Zij staat ook als eigenaar ingeschreven in het openbare register van het Kadaster. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] gesteld dat haar oma [naam] in 1933 eigenaar is geworden. Het Gerecht heeft haar na de comparitie de gelegenheid gegeven om dat te onderbouwen met een notariële akte. Zij heeft dat niet gedaan. In de rolbeslissing heeft het Gerecht daar nogmaals de gelegenheid voor gegeven, maar [gedaagde] heeft van die gelegenheid ook toen geen gebruik gemaakt. Het Gerecht gaat er daarom vanuit dat het perceel behoort tot de nalatenschap van [erflater].
Alle erfgenamen van [erflater] moeten worden opgeroepen in dit geding
2.7. [
eiseres 1] en [eiseres 2] willen dat het Gerecht voor recht verklaard dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van het perceel dat onderdeel is van de nalatenschap van [erflater]. Een uitspraak hierover moet voor alle erfgenamen van [erflater] hetzelfde luiden, met andere woorden: dit betreft een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het gevolg daarvan is dat alle erfgenamen moeten worden opgeroepen in dit geding.
2.8.
Volgens [eiseres 1] en [eiseres 2] is dit niet nodig, op basis van artikel 3:171 BW. Dat betreft een verkeerde uitleg van dat artikel. Uit dat artikel volgt namelijk dat een erfgenaam een rechtsvordering kan instellen namens de nalatenschap. Dat artikel is niet om te draaien. Het betekent dus niet dat een rechtsvordering tegen de nalatenschap kan worden ingediend tegen één of enkelen van de erfgenamen.
De erfgenamen moeten alsnog correct worden opgeroepen
2.9. [
eiseres 1] en [eiseres 2] hebben hun eis ingesteld tegen ‘de gezamenlijke of vermoedelijke erfgenamen van (wijlen) [erflater]’, zonder hun namen of woonplaatsen te vermelden. Dat is op basis van de wet toegestaan (artikel 5 lid 6 Rv). Zij moeten dan echter wel correct worden opgeroepen. De wet biedt daarvoor drie opties. Die opties zijn hier alle drie niet gevolgd, omdat [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben gesteld dat [erflater] niet te vinden was in de registers van de burgerlijke stand. Het Gerecht heeft op basis van die informatie de opdracht gegeven om de gedaagden openbaar op te roepen (artikel 5 lid 7 Rv).
2.10.
Het is het Gerecht inmiddels duidelijk geworden dat [erflater] wel degelijk is terug te vinden in de registers van de burgerlijke stand. Dat blijkt namelijk uit de correspondentie over het stamboomonderzoek, die [gedaagde] bij haar antwoord heeft gevoegd.
2.11.
Dit betekent dat het Gerecht nu geen verstek kan verlenen tegen de overige erfgenamen. Omdat de burgerlijke stand kennelijk eerst aan de gemachtigde van [eiseres 1] en [eiseres 2] heeft laten weten dat [erflater] niet is terug te vinden, zal het Gerecht niet direct de nietigheid van het verzoekschrift uitspreken (artikel 92 lid 2 Rv). Het Gerecht geeft [eiseres 1] en [eiseres 2] de kans om de erfgenamen alsnog correct op te roepen.
2.12.
Het Gerecht gaat ervan uit dat [erflater] al lang geleden is overleden. Dat betekent dat er concreet nog drie opties overblijven:
het oproepen van de gezamenlijke erfgenamen, door het verzoekschrift te laten betekenen op de laatste woonplaats van [erflater], alleen als daar een nabestaande in de rechte lijn woont (artikel 5 lid 6 onder a Rv);
het oproepen van de gezamenlijke erfgenamen, door het verzoekschrift te laten betekenen op het adres van een executeur, een door de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap of een curator of bewindvoerder van [erflater] bij haar overlijden (artikel 5 lid 6 onder b Rv);
het oproepen van alle erfgenamen afzonderlijk.
2.13.
Vermoedelijk zal het [eiseres 1] en [eiseres 2] enige tijd kosten om de benodigde informatie te verzamelen. Het Gerecht verwijst de zaak daarom naar de rol van 24 juni 2025. Op die rol mogen [eiseres 1] en [eiseres 2] laten weten op welke manier zij de erfgenamen willen laten oproepen en moeten zij het Gerecht de daarvoor benodigde informatie geven, met ondersteunende stukken.
In afwachting van de oproeping van de erfgenamen worden alle beslissingen aangehouden
2.14.
Omdat eerst alle erfgenamen correct moeten worden opgeroepen zal het Gerecht verder alle beslissingen aanhouden.
Dictum
Het Gerecht:
2.20.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 24 juni 2025, zodat [eiseres 1] en [eiseres 2] zich kunnen uitlaten over de manier waarop de erfgenamen van [erflater] moeten worden opgeroepen, zoals bedoeld in 2.12 en 2.13;
3.2.
handhaaft het op 15 november 2023 gegeven verbod aan [eiseres 1] en [eiseres 2] om bouwwerkzaamheden op het perceel te verrichten;
3.3.
houdt alle overige beslissingen aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025.
Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, 3.4
Hoge Raad 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:257, 5.3.2
Hoge Raad 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:257, 5.3.4