Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2025-04-29
ECLI:NL:OGEAM:2025:82
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,128 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202300995
Vonnis d.d. 29 april 2025
inzake
1[eiseres 1],
2. [eiseres 2],
beiden wonende in Aruba,
eiseressen,
hierna: [eiseres 1] en [eiseres 2],
gemachtigde: mr. M.A. van der Hoeven
tegen
1De gezamenlijke erfgenamen van wijlen [gedaagde 1]:
1.1. [
[erfgenaam 1],
wonende in de Verenigde Staten van Amerika,
niet in rechte verschenen,
hierna: [erfgenaam 1],
1.2. [
[erfgenaam 2],
wonende in Aruba,
niet in rechte verschenen,
hierna: [erfgenaam 2],
1.3. [
[erfgenaam 3],
wonend in Sint Maarten,
procederend in persoon,
hierna: [erfgenaam 3],
1.4. [
[erfgenaam 4],
wonende in de Verenigde Staten van Amerika,
niet in rechte verschenen,
hierna: [erfgenaam 4],
2. [gedaagde 2],
wonende in Aruba,
procederend in persoon.
hierna: [gedaagde 2],
gedaagden.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift, met producties;
de mail van [gedaagde 2] van 19 juli 2024, met een bijlage;
het comparitievonnis van 6 augustus 2024;
de twee mails van de gemachtigde van [eiseres 1] en [eiseres 2] van 17 oktober 2024, elk met een bijlage;
de pleitnotities van de gemachtigde van [eiseres 1] en [eiseres 2];
de akte uitlaten in het kader van comparitie van partijen van [eiseres 1] en [eiseres 2], met producties;
de pleitnotities van de gemachtigde van [eiseres 1] en [eiseres 2] voor de tweede comparitie van partijen;
de mail van de gemachtigde van [eiseres 1] en [eiseres 2] van 27 december 2024, met een bijlage;
de mail van [gedaagde 2] van 21 januari 2025;
de twee mails van de gemachtigde van [eiseres 1] en [eiseres 2] van 27 januari 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden 17 oktober 2024 en is voortgezet op 18 december 2024. De griffiers hebben aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.
1.3. [
[erfgenaam 1], [erfgenaam 2] en [erfgenaam 4] zijn wel correct opgeroepen, maar zij zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend (artikel 79 Rv).
1.4.
Het vonnis is bepaald op vandaag.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Alle procespartijen zijn een erfgenaam van [erflater], die in 1987 is overleden. [erflater] was eigenaar van een perceel op [naam perceel] in Sint Maarten (meetbrief […]). [erflater] is in 1987 overleden. Het perceel wordt sinds 2005 verhuurd. [eiseres 1] en [eiseres 2] stellen dat de huurinkomsten van 2012 tot en met 2022 niet goed zijn verdeeld over de erfgenamen. Volgens hen hebben de gedaagden $ 95.619,70 teveel gehad ten koste van hen.
2.2. [
[eiseres 1] en [eiseres 2] vragen het Gerecht om de gedaagden te veroordelen om dat bedrag aan hen te betalen, met rente en buitengerechtelijke kosten. Zij eisen dat het Gerecht ook voor recht verklaard dat de huur of eventuele koopsom aan hen moet worden betaald, totdat de gedaagden het bedrag hebben betaald. Zij willen daarom ook dat het de gedaagden wordt verboden om huur of een eventuele koopsom te incasseren, op straf van een dwangsom. Verder willen zij dat het Gerecht bepaalt dat het perceel verdeeld moet worden, door het te verkopen en de opbrengst te verdelen. Zij eisen dat de schuld die de gedaagden aan de nalatenschap hebben, wordt afgetrokken van hun deel. Ten slotte eisen ze dat het Gerecht de gedaagden veroordeelt om schade te vergoeden die zij leiden door uitwinning of stoornis. Ze willen dat het Gerecht voor recht verklaard dat zij zelf geen schadevergoeding aan de gedaagden hoeven te betalen.
2.3.
Alleen [gedaagde 2] heeft verweer gevoerd. Hij stelt dat [eiseres 2] geen recht heeft op de huuropbrengsten. Daarnaast klopt volgens hem de berekening van [eiseres 1] en [eiseres 2] niet. Volgens hem is er sprake van fraude.
2.4.
Het Gerecht wijst bijna alle eisen van [eiseres 1] en [eiseres 2] toe. In dit vonnis wordt nog geen eindbeslissing genomen, omdat [eiseres 1] en [eiseres 2] zich nog mogen uitlaten over de manier waarop het perceel volgens hen moet worden verkocht. In dit vonnis legt het Gerecht dit oordeel uit.
Leeswijzer
2.5.
Het Gerecht zal eerst beoordelen hoeveel huurinkomsten er zijn te verdelen voor 2012 tot en met 2022 en op welk deel iedereen recht heeft. Vervolgens zal het beoordelen hoeveel elk van de erfgenamen heeft gehad en wat het verschil is. Daarna zal worden beoordeeld wat dit voor de eisen betekent.
Hoeveel huurinkomsten van 2012 tot en met 2022 zijn er te verdelen?
2.6.
Het perceel wordt verhuurd voor $ 30.000,- per jaar. In 2012 tot en met 2014 waren de huurinkomsten dus $ 90.000,-. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben onbetwist gesteld dat van die inkomsten een schuld en kosten van de nalatenschap zijn betaald en dat er daarna $ 36.899,62 aan te verdelen huur overbleef.
2.7. [
[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben verder onbetwist gesteld dat de huurder voor de jaren 2015 tot en met 2022 $ 246.000,- heeft betaald. Zij hebben dat onderbouwd met een mail van [Z], op wiens derdenrekening dit geld werd gestort en met betalingsbewijzen van de huurder.
2.8.
Het voorgaande betekent dat er $ 282.899,62 verdeeld moet worden over de erfgenamen. De erfgenamen hebben allemaal recht op de huurinkomsten naar rato van hun aandeel in dit gemeenschappelijke goed (artikel 3:172 BW). De vraag is dus hoe groot ieders aandeel in dit perceel is.
Hoe groot is ieders aandeel in het perceel?
2.9. [
[erflater] was eigenaar van het perceel. Toen hij overleed had hij vijf erfgenamen: zijn oudste zoon [gedaagde 2], zijn tweede zoon [Y], zijn echtgenoot [eiseres 2] en de twee kinderen die hij en [eiseres 2] hadden: [X] en [eiseres 1]. Deze erfgenamen hebben in 1992 samen afgesproken dat het perceel wordt toebedeeld aan de vier kinderen. [Y], [X], [naam] en [eiseres 1] hadden dus allemaal 1/4 aandeel in het perceel. [gedaagde 2] stelt dus terecht dat [eiseres 2] aanvankelijk geen aandeel in het perceel had.
2.10.
In 2004 is [Y] overleden. Zijn erfgenamen waren zijn vrouw [erfgenaam 1] en zijn drie kinderen [erfgenaam 2], [erfgenaam 3]. en [erfgenaam 4]. Zij hebben elk recht op 1/4 aandeel in zijn nalatenschap (artikel 4:879 en 879a BW-oud). Dat betekent dat zij ook 1/4 aandeel hebben in het 1/4 aandeel dat [Y] in het perceel had. Dat komt dus neer op 1/16.
2.11.
In 2009 is ook [X] overleden. Hij had vier erfgenamen, namelijk zijn moeder [eiseres 2], zijn zus [eiseres 1] en zijn halfbroers [Y] en [gedaagde 2]. [eiseres 2] heeft op grond van de wet recht op 1/4 aandeel in zijn nalatenschap, [eiseres 1] als volle zus op 1/2 en zijn halfbroers ieder op 1/8 (artikel 4:882 en 4:884 BW-oud). [X] had 1/4 aandeel in het perceel (2.9). [eiseres 2] heeft dus op deze manier 1/16 aandeel in het perceel gekregen (1/4 van 1/4). [gedaagde 2] heeft wel gesteld dat [eiseres 2] geen aandeel heeft in het perceel, maar dat heeft hij voor wat betreft de nalatenschap van [X] niet onderbouwd. [eiseres 1] heeft recht gekregen op 1/8, naast het aandeel dat zij zelf al had (1/2 van 1/4). De halfbroers hebben elk op deze manier 1/32 aandeel extra in het perceel gekregen (1/8 van 1/4). Het 1/32 aandeel van [Y] moet vervolgens verdeeld worden over zijn drie kinderen (artikel 4:868 en 871 BW). Zij hebben dus alle drie recht op een aandeel van 1/96.
Conclusie
2.20.
Het voorgaande kan als volgt worden samengevat:
Te ontvangen
Ontvangen
Verschil
[gedaagde 2]
$ 75.504,02
$ 115.113,25
$ 39.609,23
[eiseres 1]
$ 106.087,36
$ 25.890,95
$ -80.196,41
[eiseres 2]
$ 17.681,23
$ 2.257,65
$ -15.423,58
[erfgenaam 1]
$ 16.778,67
$ 31.199,33
$ 14.420,66
[erfgenaam 2]
$ 19.575,12
$ 30.888,31
$ 11.313,19
[erfgenaam 3]
$ 19.575,12
$ 32.538,81
$ 12.963,69
[erfgenaam 4]
$ 19.575,12
$ 30.888,31
$ 11.313,19
Totaal
$ 274.776,62
$ 268.776,61
$ -6.000,01
2.21.
Uit het voorgaande overzicht blijkt dat er een verschil van (afgerond) $ 6.000,- zit tussen het totaal te ontvangen bedrag en het totaal dat de erfgenamen hebben ontvangen. Dat geld staat nog op de derdengeldrekening van [Z]. Hij heeft dat vastgehouden, gezien de discussie tussen de partijen.
2.22.
Uit het overzicht volgt verder dat [eiseres 1] en [eiseres 2] terecht hebben gesteld dat zij afgerond $ 95.619,- te weinig hebben gehad in de afgelopen jaren. Zij eisen dat de gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld om dat bedrag aan hen te betalen. Zij stellen dat de gedaagden dan onderling maar moeten uitzoeken hoe dat wordt verdeeld. Het Gerecht oordeelt dat hier geen juridische basis voor is. Elk van de gedaagden is slechts het teveel ontvangen bedrag aan de nalatenschap verschuldigd op basis van onverschuldigde betaling. De eis zal in die zin worden toegewezen. De nalatenschap is dat geld vervolgens aan [eiseres 1] en [eiseres 2] verschuldigd.
De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen
2.23. [
[eiseres 1] en [eiseres 2] eisen ook een vergoeding voor buitengerechtelijke werkzaamheden. Die eis wordt afgewezen. Zij hebben namelijk niet gesteld dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben verricht, die voor vergoeding in aanmerking komen (artikel 6:96 lid 2 onder c BW). Dat is ook niet gebleken.
De rente wordt toegewezen vanaf 14 dagen na deze beschikking
2.24. [
[eiseres 1] en [eiseres 2] eisen de wettelijke rente vanaf de datum dat zij het verzoekschrift hebben ingediend. Zij hebben echter niet gesteld dat de gedaagden op dat moment in verzuim verkeerden. Dat blijkt ook nergens uit. Het Gerecht wijst de rente daarom toe vanaf 14 dagen na de datum van deze beschikking, dus vanaf 13 mei 2025 (artikel 6:119 lid 1 BW).
2.25.
Het Gerecht ziet geen aanleiding om op te nemen dat het bedrag waarover de rente wordt berekend steeds na afloop van een jaar wordt vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente, zoals geëist door [eiseres 1] en [eiseres 2]. Dat volgt namelijk al uit de wet (artikel 6:119 lid 2 BW).
[eiseres 1] en [eiseres 2] mogen de huur en eventuele verkoopopbrengst incasseren tot de achterstand is ingelopen
2.26. [
[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben in hun akte gesteld dat zij verwachten dat het moeilijk wordt om het geld te incasseren bij de gedaagden. Zij hebben het Gerecht daarom gevraagd om voor recht te verklaren dat de zij als enigen de huur en eventuele verkoopopbrengst mogen incasseren, totdat hun vorderingen zijn betaald. Het Gerecht wijst die eis toe. Het acht het in belang van alle partijen dat de schuld op die manier wordt vereffend (artikel 3:168 lid 2 en 3 BW).
2.27. [
[eiseres 1] en [eiseres 2] vragen het Gerecht ook om gedaagden te verbieden om de huur of verkoopopbrengst te incasseren gedurende deze periode. Die eis hangt samen met de andere eis en wordt dus toegewezen. De eisers vragen om daar ook een dwangsom aan te verbinden. Die eis wijst het Gerecht toe. Het ziet daarvoor aanleiding omdat gedaagden in de afgelopen jaren ook buiten [eiseres 1] en [eiseres 2] om de huur hebben geïncasseerd. De dwangsom wordt vastgesteld op $ 5.000,- per overtreding, met een maximum van $ 50.000,-.
Het perceel moet worden verdeeld
2.28. [
[eiseres 1] en [eiseres 2] willen verder dat het Gerecht de verdeling van het perceel vaststelt. Deze eis wijst het Gerecht toe (artikel 3:185 BW). Uit de gang van zaken de afgelopen jaren is voldoende gebleken dat de erfgenamen niet op goede voet leven met elkaar. Als zij met elkaar verbonden blijven in deze onverdeelde nalatenschap, dan is dat een recept voor verdere conflicten. Bovendien hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] er terecht op gewezen dat bij overlijden van een van de erfgenamen (waarvan er enkelen al op leeftijd zijn) de verdeling van de huuropbrengsten nog complexer wordt.
2.29. [
[eiseres 1] en [eiseres 2] willen dat het perceel wordt verdeeld door het te verkopen en de netto-opbrengst te verdelen over de erfgenamen. [X] is het daar niet mee eens. Volgens hem was het de wens van zijn vader dat het perceel eigendom van de erfgenamen zou blijven. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben dit betwist. Vervolgens heeft [X] dat niet verder onderbouwd. Bovendien heeft hij niet een alternatieve optie genoemd voor het verdelen van het perceel. Het Gerecht bepaalt daarom dat het perceel moet worden verkocht (artikel 3:185 lid 2 onder c BW).
[eiseres 1] en [eiseres 2] moeten laten weten hoe zij het perceel willen verkopen
2.30. [
[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben het Gerecht gevraagd te bepalen hoe het perceel moet worden verkocht. Het Gerecht vindt het wenselijk dat [eiseres 1] en [eiseres 2] zich er zelf eerst over uitlaten hoe zij dit voor zich zien: hoe moet de waarde worden bepaald, welke makelaar wordt ingeschakeld, etc.
2.31. [
[eiseres 1] en [eiseres 2] vragen het Gerecht daarbij te bepalen dat de schuld van de gedaagden aan de nalatenschap wordt afgetrokken van hun aandeel van de verkoopopbrengst.
Dictum
Het Gerecht:
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 27 mei 2025 zodat [eiseres 1] en [eiseres 2] zich kunnen uitlaten zoals weergegeven in 2.33 (P1);
3.2.
houdt alle overige beslissingen aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.
Beoordeling
2.12.
De verdeling kan schematisch als volgt worden weergegeven:
Eigen deel
Deel [Y]
Deel [X]
Totaal
[gedaagde 2]
1/4
-
1/32
9/32
[eiseres 1]
1/4
-
1/8
3/8
[eiseres 2]
-
-
1/16
1/16
[erfgenaam 1]
-
1/16
-
1/16
[erfgenaam 2]
-
1/16
1/96
7/96
[erfgenaam 3]
-
1/16
1/96
7/96
[erfgenaam 4]
-
1/16
1/96
7/96
Totaal
1/2
1/4
1/4
1
Hoeveel huur hadden de erfgenamen moeten krijgen?
2.13.
De partijen hebben dus in principe recht op het deel van de huur dat overeenkomt met hun aandeel in het perceel (2.8).
2.14.
Van de huurinkomsten is ook $ 8.123,- aan [Z] betaald terzake van kosten. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben onbetwist gesteld dat die kosten niet voor hun rekening komen, omdat zij [Z] niet hebben ingeschakeld. Het Gerecht oordeelt dat dit standpunt op de wet is gebaseerd, omdat deze kosten niet bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn gemaakt (artikel 3:172 en 3:170 lid 2 BW). Deze kosten moeten dus naar evenredigheid worden verdeeld tussen de gedaagden.
2.15.
Voor de berekening van het bedrag waar [eiseres 1] en [eiseres 2] recht op hebben moet dus hun aandeel worden vermenigvuldigd met de huurinkomsten van $ 282.899,62. Voor de gedaagden moeten de huurinkomsten worden verlaagd met de kosten van [Z]. Samen vormen zij 9/16 van de gemeenschap. Ieders aandeel in de kosten van [Z] is dus zijn aandeel gedeeld door 9/16 x $ 8.123,-.
2.16.
Dat komt op het volgende neer.
Eigenlijk deel
Aftrek [Z]
Te ontvangen
[gedaagde 2]
$ 79.565,52
$ 4.061,50
$ 75.504,02
[eiseres 1]
$ 106.087,36
-
$ 106.087,36
[eiseres 2]
$ 17.681,23
-
$ 17.681,23
[erfgenaam 1]
$ 17.681,23
$ 902,56
$ 16.778,67
[erfgenaam 2]
$ 20.628,10
$ 1.052,98
$ 19.575,12
[erfgenaam 3]
$ 20.628,10
$ 1.052,98
$ 19.575,12
[erfgenaam 4]
$ 20.628,10
$ 1.052,98
$ 19.575,12
Totaal
$ 282.899,62
$ 8.123,00
$ 274.776,62
Hoeveel huur hebben de erfgenamen gekregen?
2.17. [
[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben in hun verzoekschrift onbetwist gesteld hoe de huur van 2012 tot en met 2014 is verdeeld. Het Gerecht gaat daar dus ook vanuit.
2.18. [
[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben verder gesteld hoe de huuropbrengsten van 2015 tot en met 2022 zijn verdeeld. Zij hebben dat onderbouwd met een mail met een betalingsoverzicht van [Z], die de betalingen heeft verricht. [Z] was zelf ook aanwezig op de tweede zitting. Hij heeft bankafschriften en cheques laten zien ter ondersteuning van dit betalingsoverzicht. In eerste instantie heeft [gedaagde 2] aangevoerd dat het overzicht ‘voor geen meter’ klopt. Tijdens de tweede zitting heeft hij aangevoerd dat het kan kloppen, maar dat hij nog bankafschriften heeft opgevraagd. Het Gerecht oordeelt dat hij zijn verweer dat het overzicht onjuist is onvoldoende heeft onderbouwd. Daarom gaat het Gerecht ervan uit dat het overzicht van [Z] klopt.