Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2025-03-18
ECLI:NL:OGEAM:2025:79
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,315 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202400933
Vonnis d.d. 18 maart 2025
inzake
de naamloze vennootschap [NAAM N.V.],
gevestigd in Sint Maarten,
eiseres,
gemachtigde: mr. E. JANSEN,
tegen
HET UITVOERINGSORGAAN SOCIALE EN ZIEKTEKOSTEN VERZEKERINGEN,
gevestigd in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.M. HOFMAN-RUIGROK.
Partijen zullen hierna [naam N.V.] en USZV worden genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het inleidend verzoekschrift met producties, op 5 augustus 2024 ter griffie ingediend;
de conclusie van antwoord.
1.2.
Vonnis is bepaald op heden.
Feiten
2.1.
Op 9 juli 2024 heeft USZV een dwangschrift inzake aanslagen ZV/OV premies over de periode 2016-1010 aan [naam N.V.] betekend.
2.2. [
naam N.V.] heeft op 30 juli 2024 ex art. 4 Landsinvordering Dwanginvordering ingesteld, die op dezelfde dag aan de Ontvanger is betekend.
2.3.
Bij vonnis van 26 juni 2024 heeft het Gerecht de beroepschriften, die [naam N.V.] ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak (de LAR) had ingediend, ongegrond verklaard.
2.4.
Op 24 juli 2024 heeft [naam N.V.] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht van 26 juni 2024.
Geschil
3.1. [
naam N.V.] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de tenuitvoerlegging van het dwangschrift te schorsen en geschorst te houden tot het moment dat de aanslagen zijn vernietigd;
II. verklaring voor recht dat USZV onrechtmatig jegens [naam N.V.] heeft gehandeld door aan [naam N.V.] het dwangschrift te betekenen;
III. USZV te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2. [
naam N.V.] legt, samengevat, aan de vorderingen ten grondslag dat de aanslagen zijn opgelegd naar aanleiding van een boekenonderzoek. De controlerend ambtenaar heeft daarbij zijn werk niet goed gedaan en onjuiste aanslagen opgelegd. Daarnaast stelt [naam N.V.] dat zij al aangifte van de premies AOV over de jaren 2012-2016 had gedaan en dat de verschuldigde bedragen al zijn afgedragen. [naam N.V.] voert aan dat zij in de beroepsfase duidelijk had aangetoond dat bepaalde werknemers verhuisd waren en daarom niet meer premieplichtig waren voor de ZV/OV. Het Gerecht was het er niet mee eens, zodat [naam N.V.] genoodzaakt was om in hoger beroep te gaan. [naam N.V.] voert aan dat USZV in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat zij onrechtmatig jegens haar handelt.
3.3.
USZV heeft gemotiveerd verweer gevoerd, daartoe stellende dat er geen sprake van een schorsing dan wel staking, daarbij wijzend op een vonnis van het Gerecht van 4 april 2023, waarin is overwogen dat zolang een aanslag niet is vernietigd de civiele rechter van de rechtsgeldigheid en rechtmatigheid van de aanslag dient uit te gaan. Voorts stelt USZV dat [naam N.V.] dat zij geen belang heeft bij de onderhavige procedure omdat zij hangende de hoger beroepsprocedure de invordering heeft gestaakt. Ten slotte betwist USZV dat zij gehandeld heeft in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat zij jegens [naam N.V.] onrechtmatig heeft gehandeld.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader op ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De zaak stond op de rol van 4 februari 2025 voor akte aan de zijde van [naam N.V.] teneinde te kunnen reageren op de zijdens USZV ingediende conclusie van antwoord. Tijdens de rolzitting heeft [naam N.V.] aangegeven dat wordt afgezien van akte dienen.
4.2.
Bij vordering I heeft [naam N.V.] geen belang, nu USZV heeft onbetwist heeft aangegeven dat zij de invordering gedurende de hoger beroepsprocedure heeft gestaakt, nog daargelaten dat juist is dat zolang een aanslag niet is vernietigd de civiele rechter van de rechtsgeldigheid en rechtmatigheid van de aanslag dient uit te gaan. Vordering II is evenmin toewijsbaar, nu het onrechtmatig handelen op geen enkele wijze is onderbouwd. Nu de vorderingen I en II niet zullen worden toegewezen, is vordering III ook niet toewijsbaar.
4.3. [
naam N.V.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, die aan de zijde van USZV worden begroot op een bedrag van NAf 1.250,00.
Dictum
Het Gerecht:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [naam N.V.] in de kosten van de procedure, aan de zijde van USZV begroot op NAf 1.250,00;
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th.G. Lautenbach, rechter, bijgestaan door de griffier, ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025.