Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2025-08-19
ECLI:NL:OGEAM:2025:77
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,870 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202101421
Vonnis van 19 augustus 2025
in de zaak van
1[naam],
2. [naam],
beiden wonende in Sint Maarten,
eiseressen in conventie,
gedaagden in reconventie,
gemachtigde: mr. E.I. Maduro,
tegen
de erfgenamen van wijlen [naam erflater]
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
waarvan zijn verschenen:
1[naam],
wonende in Sint Maarten,
2. [naam],
wonende in Nederland,
3. [naam],
wonende in Nederland,
gemachtigde: mr. S.J. Fox.
De eiseressen in conventie, gedaagden in reconventie zullen hierna [Y]. worden genoemd. De drie personen die namens gedaagden in conventie, eisers in
reconventie, zijn verschenen worden ‘[Z]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 27 mei 2025
de akte uitlating van [Y]. van 24 juni 2025.
1.2.
Ten slotte is de datum voor dit vonnis bepaald op heden.
2De verdere beoordeling
In conventie:
2.1.
In het tussenvonnis heeft het Gerecht overwogen dat het nog geen uitspraak kan doen omdat de erfgenamen eerst nog correct moeten worden opgeroepen. [Y]. zijn in hetzelfde vonnis in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de manier waarop dat moet gebeuren. Daarvoor zijn aan [Y]. drie opties gegeven, namelijk (i) het oproepen van de gezamenlijke erfgenamen zonder
vermelding van hun namen en woonplaatsen aan de laatste woonplaats van [erflater] als daar een nabestaande in de rechte lijn woont (artikel 5 lid 6 onder a Rv SXM),
(ii) aan het adres van een executeur of een door de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap of een curator of bewindvoerder van [erflater] bij haar overlijden (artikel 5 lid 6 onder b Rv SXM), of (iii) het oproepen van alle erfgenamen
afzonderlijk (artikel 5 laatste regel Rv SXM).
2.2.
In hun na het vonnis genomen akte komen [Y]. tot de conclusie dat alle erfgenamen afzonderlijk moeten worden opgeroepen. Het zou daarbij gaan om
ongeveer vijftig personen. [Y]. geven aan dat zij thans niet de financiële
middelen hebben om daaraan uitvoering te geven. Zij willen daarom dat hun een langere termijn wordt vergund om alle erfgenamen op te roepen. Daarbij noemen zij geen termijn.
2.3.
Het Gerecht wijst het verzoek om een langere termijn voor het oproepen van de erfgenamen af. Een geldige oproep is een voorwaarde voor het voeren van een civiele procedure. De oproep is nietig als deze niet voldoet aan alle wettelijke eisen waaronder, zoals hier, de eisen die gelden voor het oproepen van de gezamenlijke
erfgenamen zoals vermeld in artikel 5 lid 6 Rv SXM (artikel 92 Rv SXM). Dat
betekent dat er geen sprake is van een geldige procedure zolang er geen
rechtsgeldige oproep is en dat al die tijd de procedure niet kan worden voortgezet. Het is in strijd met de eisen van een goede procesorde om [Y]. nu nog
een onbepaalde termijn te geven voor het oproepen van de erfgenamen. Er moet voortvarend worden geprocedeerd. Voorkomen moet worden dat procedures onnodig lang duren.
2.4.
Het gevolg van het bovenstaande is dat de dagvaarding nietig zal worden verklaard. Van een rechtsgeldig ingestelde procedure in conventie is geen sprake. [Y]. zullen niet-ontvankelijk in hun vorderingen worden verklaard.
2.5. [
Y]. zullen in de kosten van de procedure in conventie worden
veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [Z] begroot op Cg 3.125,00 (2,5 punt x tarief 5).
In reconventie:
2.6. [
Z] vorderen dat [Y]. worden veroordeeld om de bouwactiviteiten op het perceel aan de [adres] te staken. Zij zijn bevoegd een
dergelijke vordering in te stellen als erfgenaam van [erflater], althans als zij als
zodanig kunnen worden aangemerkt hetgeen door [Y]. wordt betwist.
Ingevolge artikel 3:171 BW BES is iedere deelgenoot in een gemeenschappelijk goed bevoegd tot het instellen van een vordering ter verkrijging van een rechterlijke
uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Bij deze vordering van [Z] hoeven dus niet, zoals bij de vordering van [Y]. het geval is, alle deelgenoten c.q.
erfgenamen te worden betrokken.
2.7.
Nu stellen [Z] naast dat zij erfgenaam zijn dat sprake is van een
langdurig onverdeeld gebleven boedel, waarvoor artikel 3:200a BW SXM een
bijzondere regeling geeft. Die regeling voorziet onder meer in de mogelijkheid dat de rechter de grond of delen daarvan toekent aan een gebruiker. Daarvoor geldt in het algemeen als eis dat deze persoon de zaak ten minste tien jaren in gebruik heeft (artikel 3:200b lid 1). Dat betekent dat als de regeling van vertegenwoordiging in artikel 3:271 BW SXM al van toepassing zou zijn op langdurig onverdeeld gebleven
boedels, waarover geen duidelijkheid bestaat, en [Z] bevoegd zou zijn een rechtsvordering namens deze onverdeeldheid in te stellen, er een reële mogelijkheid is dat in het kader van een verdelingsprocedure de grond uiteindelijk door de
rechter aan [Y]. als gebruiker daarvan zal worden toegekend. Dat deze aan de andere deelgenoten (erfgenamen) zal worden toegekend lijkt door de grote
hoeveelheid van deelgenoten niet waarschijnlijk. Dit zou namelijk resulteren in te kleine, en daardoor niet goed te gebruiken, percelen grond. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen omdat een belang van [Z] daarbij ontbreekt. Als [Z] duidelijkheid willen hebben over hun aanspraken als beweerd deelgenoten in een, naar hun stelling, langdurig onverdeeld gebleven boedel, zullen zij de
procedure van artikel 3:200a BW SXM moeten volgen.
2.8.
Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vordering.
2.9. [
Z] zullen in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [Y]. begroot op Cg 1.250,00 (2 punten x tarief 5 x 0,5).
Dictum
Het Gerecht:
In conventie
3.1.
verklaart [Y]. niet-ontvankelijk in de vordering,
3.2.
veroordeelt [Y]., uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de
procedure, aan de zijde van [Z] begroot op Cg 3.125,00,
In reconventie:
3.3.
wijst de vordering af,
3.4.
veroordeelt [Z], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de
procedure, aan de zijde van [Y]. begroot op Cg 1.250,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2025.