Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2025-04-29
ECLI:NL:OGEAM:2025:68
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,782 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202400854
Vonnis van 29 april 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
1[eiser 1],
2. [eiser 2],
3. [eiser 3],
4. [eiser 4],
allen wonend in Sint Maarten,
eisers in conventie, verweerders in reconventie,
gemachtigde: mr. N.R. Joubert,
tegen
1[gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
3. [gedaagde 3],
4. [gedaagde 4],
5. [gedaagde 5],
allen wonend in Sint Maarten
gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
gemachtigde van gedaagden 1 tot 4: dhr. E.I. Maduro
gemachtigde van gedaagde 5: mr. N.C. de la Rosa.
Alle partijen worden hierna aangeduid met hun eerste voornaam.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met producties, dat op 16 juli 2024 is ingediend;
de conclusie van antwoord van gedaagden 1 tot en met 4, met een eis in reconventie, met producties;
de conclusie van antwoord van [gedaagde 5], met een eis in reconventie, met producties;
het comparitievonnis;
de conclusie van antwoord in reconventie van de eisers in conventie, met producties;
de brief van de gemachtigde van [gedaagde 5] van 10 februari 2025, met een productie;
het testament dat de gemachtigde van [gedaagde 5] tijdens de zitting heeft overhandigd;
de akte uitlating regeling van eisers in conventie;
de mail van de gemachtigde van gedaagden 1 tot en met 4 van 26 februari 2025;
de akte uitlating regeling van [gedaagde 5];
de conclusie van antwoord in reconventie van [gedaagde 5];
de akte uitlating van [gedaagde 5];
de akte uitlatingen reacties m.b.t. beroep op dwaling van gedaagden 1 tot en met 4, met producties;
de akte uitlating producties van de eisers in conventie.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 februari 2025. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.
1.3.
Het vonnis is – bij vervroeging – bepaald op vandaag.
Beoordeling
Wat is de kern van de zaak?
2.1.
In 1951 is [naam erflater] (hierna: [erflater]) overleden. De partijen zijn het erover eens dat zij samen [erflater] enige erfgenamen zijn. Een onderdeel van de nalatenschap is een [perceelnummer]. In 2021 hebben de partijen een overeenkomst gesloten. Daarin hebben zij vastgelegd hoe zij dat perceel verdelen. De eisers in conventie willen mogelijke toekomstige discussies voorkomen. Ze vragen het Gerecht daarom om te bepalen dat aan hen de subpercelen moeten worden toegedeeld, zoals in de overeenkomst staat [perceelnummer, perceelnummer en perceelnummer]. Ze willen ook dat het vonnis in de plaats komt van de medewerking van de gedaagden.
2.2.
Gedaagden 1 tot en met 4 zijn het op zich eens met de eisers in conventie. Zij willen alleen dat het Gerecht zich niet beperkt tot het toedelen van de subpercelen aan de eisers in conventie. Zij eisen dat het Gerecht het volledige [perceelnummer] verdeelt volgens de overeenkomst. Zij wijzen er verder op dat de partijen ook een soortgelijke overeenkomst hebben gesloten voor het [perceelnummer]. Dat perceel valt in de nalatenschap van [naam overleden echtgenoot erflater] (hierna: [echtgenoot]) de overleden echtgenoot van [erflater], van wie de partijen ook de enige erfgenamen zijn. Gedaagden 1 tot en met 4 vragen het Gerecht om ook dat perceel te verdelen conform de overeenkomst. Ze vragen het Gerecht ten slotte te bepalen dat dit vonnis in de plaats komt van medewerking van de andere partijen.
2.3. [
gedaagde 5] is het niet eens met de eisen van de andere partijen. Volgens haar zijn de twee overeenkomsten nietig of vernietigbaar, omdat zij heeft gedwaald. Zij stelt dat zij er bij het sluiten van de overeenkomst vanuit is gegaan dat zij voor 1/8 erfgenaam was, maar dat later is gebleken dat zij voor 5/8 erfgenaam is. Zij wil daarom dat het perceel alsnog verdeeld wordt op basis van de juiste verhoudingen. Zij eist dat het Gerecht de gedaagden veroordeelt om mee te werken aan het formaliseren van deze verdeling.
2.4.
De andere partijen zijn het niet eens met de tegeneis van [gedaagde 5]. Volgens hen kan [gedaagde 5] niet meer onder de gesloten overeenkomsten uit.
2.5.
Het Gerecht oordeelt dat [gedaagde 5] de overeenkomsten niet kan vernietigen. Het oordeelt voorlopig echter dat [gedaagde 5] nog wel onder de overeenkomsten uit kan. De partijen mogen nog op dit voorlopige oordeel reageren. In dit vonnis legt het Gerecht dit uit.
De partijen zijn de enige erfgenamen van [erflater] en [echtgenoot]
2.6.
De partijen zijn het erover eens dat zij de enige erfgenamen van [erflater] en [echtgenoot] zijn. Zij hebben bij de stukken uitdraaien uit het bevolkingsregister gevoegd die dit standpunt steunen. Het Gerecht gaat daar dus ook vanuit.
De twee percelen horen bij de nalatenschap van [erflater] en [echtgenoot]
2.7.
De partijen zijn het erover eens dat [perceelnummer]tot de nalatenschap van [erflater] behoort. Het Gerecht gaat hier daarom ook vanuit.
2.8.
Gedaagden 1 tot 4 stellen dat [perceelnummer] tot de nalatenschap van [echtgenoot] behoort. De eisers in conventie hebben er wel op gewezen dat dit niet blijkt uit een uitdraai van het Kadaster, maar zij hebben de stelling niet betwist. Bovendien hebben zij erkend dat zij een overeenkomst hebben gesloten waarin zij dat perceel hebben verdeeld. Het Gerecht gaat er daarom vanuit dat [perceelnummer] tot de nalatenschap van [echtgenoot] behoort.
De partijen hebben de percelen verdeeld
2.9.
Er is geen discussie over dat alle erfgenamen op 8 maart 2021 twee overeenkomsten hebben gesloten. In die overeenkomsten hebben zij vastgelegd wie welk stuk van de [perceelnummer] en [perceelnummer]krijgt toegedeeld. Zij hebben afgesproken dat zij na die verdeling niets meer van elkaar te vorderen hebben, met betrekking tot deze percelen. Deze overeenkomsten moeten worden aangemerkt als een verdeling van deze percelen (artikel 3:182 BW).
2.10.
In eerste instantie heeft [gedaagde 5] zelf ook gesteld dat de percelen zijn verdeeld. Later heeft zij dat standpunt gewijzigd. Zij heeft erop gewezen dat de goederen nog niet geleverd zijn, door middel van een notariële akte. Dat is niet van belang. Dat het goed nog niet is overgedragen betekent namelijk niet dat het nog niet verdeeld is (artikel 3:182 en 3:186 BW). Ook het feit dat nog geen boedelbeschrijving is opgemaakt en dat nog niet de totale nalatenschap is verdeeld maakt niet dat het perceel niet verdeeld kan worden. Die argumenten van [gedaagde 5] gaan dus ook niet op.
De verdeling is gebaseerd op een onjuist uitgangspunt
2.11.
Het staat verder ook vast dat de verdeling van de percelen is gebaseerd op een onjuist uitgangspunt. De partijen zijn bij het sluiten van de overeenkomst uitgegaan van de volgende erfdelen:
1/4 voor [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3];
1/4 voor de eisers;
1/4 voor [gedaagde 4];
1/4 voor [gedaagde 5].
[gedaagde 5] is pas in de loop van deze procedure op een testament van haar oudtante gestuit. Daaruit volgt dat haar erfdeel een stuk groter is en dat het erfdeel van de andere erfgenamen moet worden gehalveerd. De overeenkomsten hadden eigenlijk moeten worden gebaseerd op de volgende erfdelen:
1/8 voor [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3];
1/8 voor de eisers;
1/8 voor [gedaagde 4];
5/8 voor [gedaagde 5].
[gedaagde 5] kan de overeenkomsten niet vernietigen op grond van dwaling
2.12. [
gedaagde 5] heeft geëist dat het Gerecht de overeenkomsten vernietigt, omdat zij heeft gedwaald zoals bedoeld in artikel 6:228 BW. Dat betoog slaagt niet. Zoals hiervoor is geoordeeld moeten de overeenkomsten worden aangemerkt als een verdeling. Op een verdeling is artikel 6:228 BW niet van toepassing (artikel 3:199 BW).
2.13.
Verdelingen kunnen wel worden vernietigd op grond van dwaling, maar dat kan alleen als [gedaagde 5] zou hebben gedwaald over de waarde van een of meer goederen of schulden (artikel 3:196 BW). Uit niets blijkt dat daarvan sprake is. [gedaagde 5] heeft namelijk niet gesteld dat zij heeft gedwaald over de waarde van het perceel. Zij heeft slechts gedwaald over de grootte van haar erfdeel. Ook de stelling van [gedaagde 5] dat zij dacht dat een andere nalatenschap werd verdeeld (wat daar ook van zij), betreft geen dwaling over de waarde van het perceel. De verdeling kan dus niet worden vernietigd op grond van dwaling.
De overeenkomst is ook niet nietig of vernietigbaar om een andere reden
2.14. [
gedaagde 5] heeft geëist dat het Gerecht de overeenkomst vernietigt, of nietig verklaard. Zij heeft verder daarvoor geen grondslag genoemd. Het Gerecht ziet die grondslag ook zelf niet. Die eis kan daarom niet worden toegewezen.
[gedaagde 5] kan volgens het Gerecht nog wel onder de overeenkomst uit
2.15.
De andere erfgenamen hebben zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde 5] vastzit aan de overeenkomst, ondanks dat zij het wel eens zijn dat die is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. Dit standpunt, waarvan [gedaagde 5] terecht stelt dat dat in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, deelt het Gerecht niet.
2.16. [
gedaagde 5] stelt dat zij niet langer aan de verdeling gebonden is.
Dictum
Het Gerecht:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 27 mei 2025, zodat [gedaagde 5] zich kan uitlaten zoals bedoeld in 2.17 (P1);
3.2.
houdt alle overige beslissingen aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.