Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2023-06-13
ECLI:NL:OGEAM:2023:113
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,893 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202200542
Vonnis d.d. 13 juni 2023
inzake
GOLDEN OCEAN SUPERMARKET N.V. h.o.d.n. SOUTH REWARD SUPERMARKET,
gevestigd in Sint Maarten,
eiseres,
gemachtigde: mr. C.H.J. Merx,
tegen
[naam],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon.
Partijen zullen hierna Supermarket en [gedaagde] worden genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop lijkt uit:
het inleidend verzoekschrift met producties, op 6 april 2022 ter griffie ingediend;
de conclusie van antwoord met producties;
het comparitievonnis van 1 november 2022;
de door de griffier gemaakte aantekeningen van de mondelinge behandeling op 15 december 2022.
1.2.
Tijdens de comparitie zijn verschenen Supermarket bij mevrouw [naam], bijgestaan door mr. Merx, en mr. B. Brooks namens mr. Brandon. De aanwezigen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de rechter beantwoord. Partijen hebben nadien getracht tot een schikking te komen, maar zijn daar niet in geslaagd. Zij hebben op 7 februari 2023 vonnis gevraagd.
1.3.
De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
Op 7 juni 2018 is in opdracht van [gedaagde] ten laste van [naam] conservatoir beslag gelegd tot afgifte en levering van roerende goederen die zich onder Supermarket bevonden. In het proces-verbaal van beslaglegging worden inventarisgoederen genoemd en ‘several perishable goods’.
2.2.
Op 11 juni 2018 is door [gedaagde] bij dit gerecht een civiele procedure aanhangig gemaakt tegen [naam], [naam] en [naam] op grond van de stelling dat hij op 31 december 2010 voor een bedrag van US $ 115.000,- aan ‘assets’ – bedrijfsmiddelen – had gekocht van [naam], de toenmalige ‘owner’ van Supermarket. Deze bedrijfsmiddelen waren door [naam] en [naam] onbevoegd en nietig verkocht aan [naam], waardoor [gedaagde] een schade had geleden van US $ 115.000,-. [gedaagde] vorderde vernietiging van de koop aan [naam] en schadevergoeding van US $ 115.000,-. [naam], [naam] en [naam] vorderden in reconventie schadevergoeding op grond van de stelling dat [gedaagde] onrechtmatig beslag had gelegd op bederfelijke waren, waardoor zij een schade hadden geleden van US $ 14.219,-.
2.3.
Bij vonnis van 10 december 2019 met zaaknummer SX201800784 zijn de vorderingen in conventie afgewezen. Ook de vordering in reconventie werd afgewezen, omdat de stelling dat er op bederfelijke waar beslag was gelegd geen steun vond in het proces-verbaal.
Geschil
3.1.
Supermarket vordert dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van US $ 106.923,22, met zijn veroordeling in de proceskosten, waaronder de nakosten.
3.2.
Supermarket legt aan de vordering de stelling ten grondslag dat de onder 2.1 genoemde beslaglegging niet volgens de geldende regels is verlopen. De sekwestratie heeft niet plaatsgevonden en de winkel is gedurende 4 maanden gesloten. Door deze onrechtmatige beslaglegging heeft Supermarket in totaal US $ 106.923,22 aan schade geleden, bestaande uit:
US $ 14.219,- aan bederfelijke waren en waren waarvan de expiratiedatum is verlopen en dus niet meer verhandeld konden worden;
US $ 3.017,77 aan kosten van elektra die tijdens de sluiting doorliepen;
US $ 8.000,- aan doorlopende huurkosten voor het pand;
US $ 680,- aan herstelkosten voor de deur en sloten als gevolg van een inbraak in de periode dat de winkel leeg heeft gestaan, hetgeen hoogstwaarschijnlijk niet gebeurd was indien de winkel in bedrijf zou zijn geweest;
USD 81.006,45 aan gederfde inkomsten gedurende de sluiting.
3.3. [
gedaagde] heeft de vorderingen betwist en zich er daarbij op beroepen dat hij in 2010 een affectieve relatie had met [naam]. Op haar verzoek zijn de 60 aandelen in Supermarket door [naam] in 2011 en 2012 niet aan [gedaagde] overgedragen maar aan [naam], zodat zij een verblijfsvergunning kon krijgen. Gelijktijdig met de eerste aandelenoverdracht is zij benoemd tot directeur van Supermarket. Zij heeft voor die aandelen noch voor de bedrijfsmiddelen ooit iets betaald.
De bedrijfsmiddelen zijn destijds door [naam] aan [gedaagde] geleverd doordat aan [gedaagde] de sleutels van de winkel en de inventaris ter beschikking zijn gesteld. Dat de supermarkt aan [gedaagde] werd geleverd, blijkt uit het feit dat [gedaagde] die sinds de levering gerund en alles betaalde. Hij deed de inkoop en betaalde die. Dat gold ook voor de huur, de ‘retainer fees’, de nutsvoorzieningen en andere goederen die nodig waren voor de bedrijfsvoering.[naam] was als vriendin van [gedaagde] degene die in de winkel aanwezig was om toezicht te houden op het personeel. Dat deed zij ook bij andere winkels van [gedaagde].
De relatie is in 2018 verbroken. Tussen partijen is geprocedeerd toen het [gedaagde] bleek dat [naam] de bedrijfsmiddelen aan [naam] had verkocht.Huur en elektra zijn geen schadeposten, omdat deze met of zonder sluiting betaald moeten worden en deze in mindering strekken op gederfde inkomsten, die nu ook worden gevorderd. De gestelde winst kan niet gebaseerd worden op de inkomens uit 2016 en 2017, die zijn niet representatief. Bovendien is [gedaagde] niet aansprakelijk voor enig inkomensverlies van de supermarkt die van hem is.
[gedaagde] betwist dat US $ 680,- is uitgegeven voor een deur en sloten. Er is geen causaal verband tussen deze post en het gelegde beslag.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kern van deze zaak betreft de vraag voor wiens rekening en risico de winkel van Supermarket werd geëxploiteerd. Nu [gedaagde] dat erkent, staat vast dat [naam] in de winkel aanwezig was om toezicht te houden op het personeel dat daar werkzaam was. Zij en ook haar nicht [naam] waren blijkens de niet weersproken producties in loondienst van Supermarkt. Zij hielden ook alle aandelen van de vennootschap, [naam], deels al sinds 2011. De aandelen van Supermarket zijn nooit in handen geweest van [gedaagde], maar door [gedaagde] [naam] in twee tranches rechtstreeks geleverd aan [naam], die later een deel van die aandelen heeft verkocht en geleverd aan haar nicht [naam]. Zowel [naam] als [naam] staat, zo blijkt uit het uittreksel uit het Handelsregister, als bestuurder van de rechtspersoon ingeschreven.
4.2.
Als onweersproken en met voldoende stukken onderbouwd – de koopovereenkomst en de affidavit van [gedaagde]– staat vast dat eind 2010 door hem de assets van de Supermarket zijn verkocht aan [gedaagde] voor US $ 115.000,-, waarbij, zo verklaart hij in zijn affidavit, de aandelen niet zijn geleverd aan [gedaagde], maar aan zijn toenmalige vriendin [naam], ‘merely to get her immigration status arranged by listing her as shareholder and later as director of the company to her residence permit’. Het enkele feit dat de aandelen van de rechtspersoon zijn overgedragen aan [naam] en dat zij als bestuurder is benoemd, brengt nog niet mee dat de winkel feitelijk door de rechtspersoon werd geëxploiteerd, hetgeen [gedaagde] op grond van het voorgaande gemotiveerd betwist. Daaraan heeft hij in de procedure nog het standpunt toegevoegd dat hij zelf alle inkoopnota’s voor de winkel betaalde, waarbij hij heeft verwezen naar een groot aantal facturen en kwitanties. Anders dan hij stelt, staat geen van deze stukken op zijn naam, maar steeds op naam van één van de handelsnamen (Summit Supermarkt, St. Peters) van Supermarket dan wel op naam van [naam]. Op basis van die stukken kan dus nog niet worden vastgesteld dat hij zelf en niet Supermarket de winkel exploiteerde. Anderzijds staat daarmee evenmin het omgekeerde vast. Het is immers niet ongebruikelijk dat leveranciers de naam gebruiken van de winkel en kwitanties afgeven aan de persoon die in de winkel staat, als die feitelijk betalingen doet.
4.3.
De Supermarket roept in deze zaak de rechtsgevolgen in, hetgeen impliceert dat op haar de bewijslast rust van de door haar gestelde rechtsfeiten. Jaarstukken waaruit de juistheid van haar stellingen zou kunnen worden afgeleid zijn niet in geding gebracht en evenmin bankafschriften ten bewijze dat de facturen steeds door Supermarket zijn betaald en niet door [gedaagde]. Op wiens naam staan huurcontracten en dergelijke? Aan wie zijn de dividenden uitgekeerd? Supermarkt zal in de gelegenheid worden gesteld om op deze vragen nader in te gaan, onder overlegging van in ieder geval de jaarstukken van Supermarket over jaren 2011 – 2018 en voormelde betaalbewijzen. Tevens zal zij een toelichting dienen te geven waarom haar de aandelen van Supermarkt in 2011 om niet zijn overgedragen.
4.4. [
gedaagde] van zijn kant stelt dat juist hij alle facturen en kosten van de winkel als onderneming heeft voldaan. Van hem wordt verwacht dat hij de betaalbewijzen in het geding brengt en dat hij toelicht wat hem heeft bewogen om de winkel door het leggen van het beslag feitelijk volledig te sluiten, waarmee hij in belangrijke mate in eigen vlees heeft gesneden.
4.5.
Van beide partijen wordt verwacht dat zij toelichten wat nu de feitelijke situatie is van de winkel. Kennelijk is na vier maanden de winkel weer opengegaan. Wordt die nu door [naam] geëxploiteerd? Zo ja, zijn dan de huurcontracten en dergelijke op zijn naam gezet?
4.6.
Om proceseconomische redenen dient Supermarket de gederfde inkomsten te onderbouwen. Het bedrag van US $ 81.006,45 betreft de omzet over vier maanden. Zij kan niet volstaan met het noemen van winstpercentages en kostenposten, wat daar verder ook van zij, maar dient haar schadeclaim nauwkeurig en gespecificeerd te onderbouwen.
4.7.
Gelet op het al het voorgaande en de reeds gemaakte en nog te maken proceskosten wordt partijen in overweging gegeven om het geschil buiten rechte op te lossen, waartoe ook het feit dat partijen jaren als man en vrouw hebben samen geleefd redengevend is. Het heeft er immers veel van weg dat de exploitatie van de winkel niet altijd zakelijk is gevoerd.
4.8.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
Het gerecht:
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 18 juli 2023 voor conclusie na mondelinge behandeling aan de zijde van Supermarket;
5.2.
bepaalt dat [gedaagde] in de gelegenheid zal worden gesteld daarop bij antwoord-conclusie na mondelinge behandeling te reageren;
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2023.
De rechter is vanwege afwezigheid niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.