Rechtspraak 2026-01-14
ECLI:NL:OGEAC:2026:6
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Uitspraak in het geding tussen: [eiseres], eiseres, gevestigd in Curaçao, gemachtigde: mr. A.C. van Hoof, tegen de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning verweerder, gemachtigde: mr. G.N. Hollander, met als derde-belanghebbende: [vergunninghouder] vergunninghouder, gemachtigden: mr. M.G. Woudstra en mr. H.M. Weijand Partijen worden hierna eiseres, de minister en [vergunninghouder] genoemd. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht: het beroep van eiseres tegen de beslissing van de minister tot afwijzing van haar verzoek van 25 april 2024 om handhavend op te treden tegen het afwijkend van de bouwvergunning bouwen van het appartementencomplex van [vergunninghouder] (CUR202500414); het beroep van eiseres tegen de beslissing van de minister om aan [vergunninghouder] een bouwvergunning te verlenen voor het gewijzigd uitvoeren van de onherroepelijke bouwvergunning van 28 oktober 2022 (CUR202502256). 1.1 Eiseres heeft op 4 februari 2025 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek van 25 april 2024. 1.2 De minister heeft op 17 juni 2025 een bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het gewijzigd uitvoeren van de onherroepelijke bouwvergunning van 28 oktober 2022. Op diezelfde datum heeft de minister alsnog op het handhavingsverzoek beslist en dat verzoek afgewezen. 1.3 Eiseres heeft op 26 juni 2025 gronden ingediend tegen de inhoudelijke beslissing van de minister op haar handhavingsverzoek. Eiseres heeft op 26 juni 2025 tevens beroep ingesteld tegen de bouwvergunning die de minister op 17 juni 2025 heeft verleend. 1.4 De minister heeft op 21 augustus 2025 met een verweerschrift op het beroep tegen de bouwvergunning gereageerd. De minister heeft geen verweerschrift ingediend in de handhavingszaak. [vergunninghouder] heeft op 25 augustus 2025 een zienswijze over beide beroepen ingediend. Op 11 november 2025 heeft eiseres per email een nadere toelichting met twee producties ingediend en heeft ook [vergunninghouder] per email een productie ingediend. 1.5 Het Gerecht heeft de beroepen van eiseres op 19 november 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur, [naam directeur], bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [medewerker 1] en [medewerker 2]. [vergunninghouder] heeft zich laten vertegenwoordigen door projectleider [naam projectleider] en architect [naam architect], bijgestaan door haar gemachtigde mr. H.M. Weijand en mr. R.M.C.S. van der Heide. Het oordeel van het Gerecht 2.1 Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikkingen aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 2.2 Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk. Daar is inmiddels op beslist. Het beroep van eiseres tegen de bouwvergunning is ongegrond. Eiseres heeft beroepsgronden aangevoerd over -kort samengevat- de omvang van de toetsing van het bouwplan, de afstand van gebouw A tot de erfgrens, (overige) hinder, ontsiering en brandgevaarlijkheid en de schaalgrootte van tekening WT-09. Geen van deze beroepsgronden slaagt. Ook het beroep van eiseres tegen de inhoudelijke afwijzende beslissing van de minister op haar handhavingsverzoek is ongegrond. Ten tijde van het nemen van de beslissing had de minister al een bouwvergunning verleend voor de gewijzigde uitvoer van de eerdere bouwvergunning van 28 oktober 2022. Daardoor was er geen sprake meer van een overtreding en was er geen grondslag meer voor handhaving. 2.3 Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Wat is relevant om te weten in deze zaak? 3.1 Eiseres bezit een perceel aan de [straatnaam]. Eiseres is een onderneming die thuiszorg levert en persoonlijke alarmen bewaakt. Op haar perceel staat een horecabedrijf waar jeugdigen met een geestelijke beperking werken. 3.2 [ vergunninghouder] realiseer De minister heeft in de beschikking onder meer overwogen dat deze bouwvergunning een onderdeel wordt van de onherroepelijke bouwvergunning van 28 oktober 2022. De afwijzing van het handhavingsverzoek 6. De minister heeft het handhavingsverzoek afgewezen en die beslissing als volgt onderbouwd. Door de aanvraag van [vergunninghouder] om aan haar vergunning te verlenen voor het gewijzigd uitvoeren van de reeds verleende en onherroepelijke bouwvergunning, bestond er concreet zicht op legalisatie. Na toetsing heeft de minister de bouwvergunning voor het gewijzigd uitvoeren van de onherroepelijke bouwvergunning verleend. Daarom is geen sprake (meer) van een overtreding door [vergunninghouder] en bestaat geen grondslag (meer) voor handhaving. Wat voert eiseres aan tegen de bouwvergunning? Had een integrale toetsing van het bouwplan moeten plaatsvinden? 7. Eiseres stelt dat een integrale toetsing van het bouwplan zoals dat op het perceel wordt gerealiseerd had moeten plaatsvinden. Weliswaar verwees de aanvraag van 11 november 2024 naar wijzigingen op drie onderdelen, maar bij de wijzigingsaanvraag zijn bouwtekeningen overgelegd, die door de minister nooit eerder getoetst zijn. Bij het aanvragen van de eerste bouwvergunning van 28 oktober 2022 zijn tekeningen gebruikt, waarbij het nummer van de tekening steeds begint met de letters BT. Vanaf het begin is het gehele project echter gebouwd aan de hand van een andere set tekeningen. De andere tekeningen wijken aanzienlijk af van de oorspronkelijke wel getoetste BT-tekeningen. Wat is gebouwd is dan ook ingrijpend anders in omvang, bouwmassa en visuele impact. De alternatieve set tekeningen aan de hand waarvan is gebouwd, is vervolgens voorzien van een andere nummering en ten grondslag gelegd aan de nieuwe wijzigingsaanvraag. Er is dus sprake van een geheel nieuw bouwplan dat volledig beoordeeld had moeten worden, aldus eiseres. 8. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt. 8.1 Het Gerecht stelt voorop dat de bouwvergunning van 28 oktober 2022 onherroepelijk is. Eiseres is te laat tegen die bouwvergunning opgekomen en het Gerecht heeft in de uitspraak van 25 september 2024 geoordeeld dat geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. De nieuwe bouwvergunning van 17 juni 2025 ziet op drie wijzigingen ten opzichte van de bouwvergunning van 28 oktober 2022, zoals benoemd in 3.5. Dit blijkt uit de aanvraag van [vergunninghouder], de toetsing van het UO ROP van die aanvraag en de formulering van de vergunning. De minister heeft in de beschikking ook expliciet opgeschreven dat het gaat om een gewijzigde uitvoering van de bouwvergunning van 28 oktober 2022, dat de eerdere onherroepelijke bouwvergunning van 28 oktober 2022 van kracht blijft en dat de nieuwe bouwvergunning daarvan onderdeel wordt. 8.2 Ter zitting is uitgebreid stilgestaan bij de verschillen tussen de bouwtekeningen die ten grondslag liggen aan de bouwvergunning van 28 oktober 2022 (genummerd BT) en de bouwtekeningen die ten grondslag liggen aan de bouwvergunningen van 17 juni 2025 (genummerd WT) aan de hand van één van de door [vergunninghouder] overgelegde vergelijkingstekeningen: de vergelijkingstekening in productie 4 bij de schriftelijke zienswijze van [vergunninghouder]. Tussen partijen is niet in geschil dat de blauwe lijnen de BT-tekeningen betreffen en de zwarte lijnen de WT-tekeningen. Naar het oordeel van het Gerecht geeft deze vergelijkingstekening duidelijk weer wat de vergunde wijzigingen zijn ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan. Toegespitst op gebouw A waar het eiseres met name om gaat, is aan de voorzijde een extra slaapkamer zichtbaar en een kleine uitbreiding van de belendende kamers en aan de achterzijde een uitbreiding van het terras. De blauwe lijnen van de BT-tekeningen komen -behoudens de geconstateerde wijzigingen- overeen met de zwarte lijnen van de WT-tekeningen. De stelling van eiseres dat er geheel afwijkend is gebouwd van de eerste bouwvergunning conform ee 10.4 De minister heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat de afstand van de bouwblokken tot de erfgrens één van de criteria is om te beoordelen of door de ligging van een gebouw hinder optreedt. Die afstand was in het bouwplan dat aanvankelijk is vergund bij alle bouwblokken 3 tot 7 meter. Door de wijzigingen is aan de noordwestelijke grens met het perceel van eiseres de afstand gemeten vanaf de hoek van het terras van gebouw A tot de erfgrens 2,1 meter geworden. Volgens het advies van het UO ROP is gemeten conform artikel 2, onder c, van het Eiland Ontwikkelingsplan (EOP). [vergunninghouder] heeft verduidelijkt dat de afstand van gebouw A tot de erfafscheiding 1,8 meter is en dat de scheidingsmuur 30 cm breed is, dus totaal 2,1 meter. Het Gerecht constateert dat deze afstand van 2,1 meter slechts op dat gemeten hoekpunt geldt; vanaf de noordzijde en westzijde van gebouw A tot de erfgrens met het perceel van eiseres is de afstand meer dan ruim 3 meter. Het Gerecht volgt eiseres niet in haar aanname dat de afstand op het gemeten hoekpunt tot de erfgrens minder is dan 2,1 meter. Verder heeft [vergunninghouder] toegelicht dat de scheidingsmuur volledig op haar eigen grond staat. Zoals eiseres zelf ook aangeeft berust deze aanname slechts op een schatting. Het UO ROP heeft hinder in zijn advies van 17 juni 2025 uitgebreid getoetst, niet alleen op het aspect afstand tot de erfgrens maar in samenhang met meerdere aspecten, zoals de ligging en bouwwijze van de gewijzigde gebouwen. Het Gerecht is van oordeel dat de minister heeft kunnen oordelen dat de gewijzigde afstand (van gebouw A) tot de erfgrens niet leidt tot (een toename van) hinder. Is overigens door de wijzigingen sprake van ontsiering, hinder en brandgevaarlijkheid? 11. Eiseres stelt dat gebouw A behalve door de geringe afstand tot de erfgrens ook door de toegenomen bouwmassa en het ontbreken van voldoende ruimtelijke inpassing ontsierend en hinderlijk is voor de omgeving en haar perceel. Bovendien is het risico op brandoverslag aanzienlijk vergroot en had dit nader onderzocht moeten worden. 12. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt. 12.1 In het advies van UO ROP 17 juni 2025 is de weigeringsgrond van ontsiering, hinder en brandgevaar ten aanzien van de wijzigingen uitvoerig getoetst aan de hand van de ligging en bouwwijze van de gewijzigde gebouwen. Dit aanvullend op de toetsing die al had plaatsgevonden op het reeds vergunde gedeelte van de gebouwen. Wat betreft brandgevaar en het risico op overslag wordt geconcludeerd dat er voldoende afstand is tussen de bouwblokken zelf en de gebouwen in de nabije omgeving. Eiseres heeft niet nader onderbouwd waarom de drie wijzigingen van de nieuwe vergunning concreet leiden tot een toename van ontsiering, hinder of brandgevaar. Het Gerecht oordeelt dat dat de minister op basis van het advies heeft kunnen beslissen dat de wijzigingen van het bouwproject niet ontsierend zijn, geen onaanvaardbare hinder opleveren en niet brandgevaarlijk zijn. Voldoet bouwtekening WT-09 niet aan de juiste schaal? 13. Eiseres voert aan dat tekening WT-09 niet voldoet aan de vereiste schaal van 1:100 conform artikel 16 van de Bwv. WT-09 is volgens eiseres uitgevoerd op een schaal van 1:250. Daarom is de weigeringsgrond van artikel 22, aanhef en onder 1, van de Bwv van toepassing. 14. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt. 14.1 Artikel 16 van de Bwv bepaalt, voor zover relevant, dat de aanvraag van een bouwvergunning vergezeld gaat van een tekening, vervaardigd op een schaal van 1:100, aanwijzende: 1. de constructie van de fundering, bekapping, zolderingen, balklagen, vloeren en trappen; 2. de hoogte en het binnen de muren en wanden gemeten grondoppervlak; 3. het hoogtepeil van de vloer der benedenverdieping; 4. het aantal en de afmetingen der vertrekken, trappen en portalen; 5. de dikte en samenstelling der muren en wanden; 6. de toegangswegen van licht en lucht; 7. het aantal verd Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie of als handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen (algemeen) belang. Alleen al uit de gang van zaken geschetst onder 16.2 leidt het Gerecht af dat er bij de minister bereidheid bestond om een vergunning te verlenen voor de wijzigingen ten opzichte van de eerdere bouwvergunning, zoals door [vergunninghouder] op 11 november 2024 was verzocht. Deze vaststelling wordt bevestigd door de brief van de minister aan het Gerecht van 6 maart 2025, waaruit blijkt dat de minister de besluitvorming op de nieuwe bouwaanvraag en op het handhavingsverzoek aan elkaar heeft gekoppeld. Door de aanvraag om een bouwvergunning op 11 november 2024 en de bereidheid van de minister bestond er concreet zicht op legalisatie van de op onderdelen gewijzigde bouw en daarmee op beëindiging van de overtreding. Weliswaar is het tijdsverloop tussen het handhavingsverzoek en de beslissing daarop langdurig geweest, maar daaruit volgt nog niet dat de minister misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden. Concrete aanknopingspunten voor mogelijk misbruik zijn door eiseres niet naar voren gebracht. Het betoog slaagt niet. Conclusie en gevolgen 17. Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk, omdat de minister alsnog op dat verzoek heeft beslist. De beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de op 17 juni 2025 verleende bouwvergunning en de afwijzende beslissing op het handhavingsverzoek slagen niet. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bouwvergunning van 17 juni 2025 in stand blijft, waarbij wijzigingen zijn vergund op het bouwplan dat eerder al was vergund bij de onherroepelijke bouwvergunning van 28 oktober 2022. Als gevolg hiervan is er geen sprake meer van een overtreding en blijft ook de beslissing van de minister tot afwijzing van de handhavingsbeslissing in stand. 18. Omdat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op het handhavingsverzoek terecht was ingesteld, zal het Gerecht de minister veroordelen in de proceskosten die eiseres daarvoor heeft gemaakt. Het Gerecht begroot die kosten op Cg 175,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, waarde per punt Cg 700,-, wegingsfactor 0,25 in verband met de relatieve eenvoud van de zaak). Het Gerecht zal verder bepalen dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar moet vergoeden. Beslissing Het Gerecht: - verklaart het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het handhavingsverzoek van eiseres niet-ontvankelijk ; - verklaart het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking betreffende de bouwvergunning ongegrond ; - verklaart het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking betreffende het handhavingsverzoek ongegrond ; - veroordeelt de minister tot betaling aan eiseres van haar proceskosten tot een bedrag van Cg 175-; - bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier. Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan. De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval: het hoger beroepschrift indienen in tweevoud; een afschrift van deze uitspraak bijvoegen; vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden). Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend. Voor