ECLI:NL:OGEAC:2026:137
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen: BUURTVERENIGING OUD JAN THIEL, [verzoeker 1], [verzoeker 2], [verzoeker 3], [verzoeker 4], allen gevestigd respectievelijk wonende in Curaçao, verzoekers, gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez, advocaat, tegen de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning, verweerder, gemachtigde: mr. E.A.M.J. van den Berg, met als derde-belanghebbende: GAW 67 Private Foundation, gevestigd in Curaçao, vergunninghouder. Partijen worden hierna geduid als verzoekers, de minister en de vergunninghouder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen de bouwvergunning voor het bouwen van een flatcomplex van vier wooneenheden aan de [adres] te Jan Thiel. 1.1 De minister heeft bij ministeriële beschikking van 20 oktober 2025 deze bouwvergunning verleend. 1.2 Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben het Gerecht vervolgens bij verzoekschrift van 11 mei 2026 verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de bouwvergunning te schorsen. 1.3 De minister heeft op 26 mei 2026 de op de bouwvergunning betrekking hebbende stukken in het geding gebracht en heeft op 9 juni 2026 een verweerschrift ingediend. 1.4 De vergunninghouder heeft op 9 juni 2026 een schriftelijke reactie op het verzoek ingediend. 1.5 Verzoekers hebben op 9 juni 2026 nog een foto overgelegd. 1.6 Het Gerecht heeft het verzoek op 10 juni 2026 op zitting behandeld. 1.6.1 Verzoeker [naam verzoeker 3] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De overige verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. 1.6.2 De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder zijn namens de minister verschenen mr. G.N. Hollander, mr. [naam medewerker 1] en mevrouw [naam medewerker 2]. 1.6.3 De vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar bestuurder [naam bestuurder]. Verder is namens de vergunninghouder verschenen de architect de heer [naam architect]. De beoordeling van het Gerecht 2.1 Het Gerecht wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. 2.2 Het Gerecht is van oordeel dat aan de bouwvergunning een aantal gebreken kleeft. De minister heeft de bouwhoogte van het gebouw niet conform zijn eigen beleid vastgesteld. De vraag is of de bouwhoogte hoger of lager is dan de volgens het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (EOP)toegestane 8 meter. Als de bouwhoogte hoger is dan 8 meter, dan moet de minister een belangenafweging maken voor het gedeelte van het gebouw dat hoger is dan 8 meter. Verder heeft de minister ten onrechte niet aan het verkavelingsplan getoetst en kan het Gerecht niet vaststellen of is voldaan aan de in het verkavelingsplan gegeven minimale afstand tussen de weg en de gevelrooilijn. Deze gebreken kunnen echter in de bezwaarfase worden hersteld. Gelet daarop en op het gevorderde stadium waar de bouw van het bouwplan zich bevindt, ziet het Gerecht geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Ter voorlichting aan de vergunninghouder merkt het Gerecht op dat als de minister of de bodemrechter in een eventuele beroepsprocedure de bouwvergunning alsnog intrekt respectievelijk vernietigt, dat tot gevolg kan hebben dat het bouwwerk alsnog geheel of gedeeltelijk moet worden afgebroken. 2.3 Hierna legt het Gerecht dit oordeel uit. Wat is relevant om te weten in deze zaak? 3.1 Vergunninghouder heeft op 21 juli 2025 een bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een flatcomplex van vier wooneenheden aan de [adres] te Jan Thiel. Vergunninghouder is eigenaar van het perceel. 3.2 De Buurtvereniging Oud Jan Thiel (de buurtvereniging) is opgericht op 17 december 2025. Uit artikel 2 van de oprichtingsakte blijkt dat de buurtvereniging onder andere ten doel heeft het behouden van het karakter en de woonfunctie van de wijk Oud Jan Thiel en het handhaven van de regel dat per perceel niet meer dan één woonhuis mag worden gebouwd. De overige verzoekers wonen op percelen die rondom het perceel van vergunninghouder liggen. Waarom heeft de minister de bouwvergunning verleend? 4. Volgens de minister voldoet het bouwplan aan alle daarop betrekking hebbende wettelijke voorschriften en doen de weigeringsgronden van artikel 22 van de Bouw- en woningverordening (Bwv) zich niet voor. Dat betekent volgens de minister dat hij de bouwvergunning moet verlenen. Is het verzoek om voorlopige voorziening van de Buurtvereniging Oud Jan Thiel ontvankelijk? 5. De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de buurtvereniging niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep. Daartoe betoogt de minister dat de buurtvereniging ten tijde van de indiening van het bezwaar nog in oprichting was en bovendien niet rechtsgeldig vertegenwoordigd was. 6. Het Gerecht volgt de minister niet in dit betoog. Het Gerecht stelt voorop dat in deze zaak niet een beroep aan het Gerecht ter beoordeling voorligt, maar een verzoek om voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure. Het Gerecht stelt aan de hand van het zich in het dossier bevindende uittreksel uit het handelsregister vast dat de buurtvereniging is opgericht op 17 december 2025. Ten tijde van het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening was de buurtvereniging dus opgericht. De buurtvereniging heeft op dezelfde datum als haar oprichting ook een aanvullend bezwaarschrift ingediend. Voor zover de minister bedoeld heeft te stellen dat de buurtverenging niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek om voorlopige voorziening, ziet het Gerecht daartoe gelet op voornoemde omstandigheden geen aanleiding. Het is aan de minister om in de bezwaarfase een oordeel te geven over de ontvankelijkheid van de buurtvereniging in de bezwaarfase. Naar het oordeel van het Gerecht is er geen reden om op voorhand te oordelen dat de buurtvereniging in haar bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hebben verzoekers een spoedeisend belang? 7.1 Uit artikel 85 van de Lar volgt dat voor het vragen van een voorlopige voorziening een spoedeisend belang is vereist. Nu de bouwvergunning op 20 oktober 2025 is verleend, verzoekers daartegen op 6 november 2025 bezwaar hebben gemaakt en verzoekers pas op 11 mei 2026 een voorlopige voorziening hebben gevraagd, heeft het Gerecht verzoekers gevraagd hun spoedeisend belang nader te onderbouwen. 7.2 Verzoekers hebben dat gedaan in hun email van 20 mei 2026. In de kern betogen zij dat zij sinds de indiening van hun bezwaarschrift bij de minister hebben aangedrongen op handhavend optreden en dat de minister ondanks meerdere malen aandringen van verzoekers daarop niet heeft gereageerd. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen hebben zij verzocht om een voorlopige voorziening. 7.3 Naar het oordeel van het Gerecht hebben verzoekers voldoende onderbouwd dat zij een spoedeisend belang hebben. Daarbij betrekt het Gerecht dat de minister de toelichting van verzoekers over de gang van zaken tot aan het verzoek onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Wat is het toetsingskader van het Gerecht bij een verzoek om voorlopige voorziening? 8. De indiener van een bezwaarschrift kan het Gerecht verzoeken de beschikking waartegen het bezwaar is gericht te schorsen op de grond dat de uitvoering daarvan een onevenredig nadeel met zich brengt in verhouding tot het met een onmiddellijke uitvoering te dienen belang. Ook kan een voorlopige voorziening worden getroffen ter voorkoming van bedoeld nadeel. De rechter die beslist op het verzoek, wordt ook wel de voorzieningenrechter genoemd. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de hoofdzaak (in dit geval een eventueel beroep gericht tegen de beslissing op bezwaar van de minister). De gevraagde schorsing of voorlopige voorziening is in beginsel een tijdelijke maatregel, waardoor wordt voorkomen dat onomkeerbare gevolgen zich voordoen voordat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter kan daarbij zijn verwachtingen over de uitkomst van de hoofdzaak alsmede het gewicht van de betrokken belangen betrekken. Wat voeren verzoekers aan tegen de bouwvergunning en wat vindt het Gerecht? 9. Verzoekers voeren allereerst dat het bouwplan in strijd is met het verkavelingsplan Jan Thiel en in het bijzonder met het voorschrift dat per perceel maximaal één woonhuis is toegestaan. Ook aan de voorschriften uit het verkavelingsplan over de gevelrooilijn is niet voldaan. 10. Dit betoog slaagt voor zover het gaat om de gevelrooilijn. Het Gerecht motiveert dit als volgt. 10.1 Het Gerecht stelt allereerst vast dat het “Verkavelingsplan Jan Thiel (ged.) (A. Perret Gentil) nr. PA 63-32” is goedgekeurd bij besluit van het Bestuurscollege verzonden op 26 oktober 1963 in reactie op de brief van het Hoofd van de Dienst Openbare werken van 17 augustus 1963. Het Gerecht volgt de minister niet in zijn standpunt dat vóór de inwerkingtreding van de Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao (EROC) op 3 oktober 1983 het Bestuurscollege alleen bevoegd was tot goedkeuring van de weginrichting van een verkavelingsplan en niet tot goedkeuring van de daarin voorkomende bebouwingsvoorschriften. Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat verkavelingsplannen van vóór de totstandkoming van de EROC op grond van paragraaf 10 van de Bwv, samen met de voorschriften over de wegen en de bebouwing, werden goedgekeurd door het Bestuurscollege. Voor de vraag of een bouwaanvraag aan een verkavelingsplan moet worden getoetst is slechts van belang of er voor de bij de bouwaanvraag betrokken gronden een door het Bestuurscollege goedgekeurd verkavelingsplan is. Of dat goedgekeurde verkavelingsplan op grond van de Bwv of de EROC tot stand is gekomen, doet niet ter zake. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (het Hof) heeft deze lijn recentelijk nog bevestigd in de uitspraak van 10 juni 2026 (ECLI:NL:OGHACMB:2026:142). 10.2 Het Gerecht stelt verder vast dat het bouwperceel deel uitmaakt van het verkavelingsplan Jan Thiel. De minister had het bouwplan op grond van artikel 22, aanhef en onder 8, van de Bwv moeten toetsen aan het verkavelingsplan. Artikel 22, aanhef en onder 8, van de Bwv schrijft immers voor dat een bouwvergunning moet worden geweigerd als het bouwplan in strijd is met de bestemmingsvoorschriften van een ontwikkelingsplan, dan wel met de voorschriften behorende bij een goedgekeurd verkavelingsplan waarin de bij de aanvraag betrokken grond is begrepen. In de omstandigheid dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst aan het verkavelingsplan, ziet het Gerecht echter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe is het volgende van belang. 10.3 Onder 2e van het verkavelingsplan staat – voor zover hier relevant – dat de gevelrooilijnen per perceel worden bepaald op een afstand van ten minste 7 meter, gemeten vanuit de kant van de wegstrook zoals deze uit de plantekening nr. PA 63-32 is af te leiden. Met partijen is tijdens de zitting de bij de vergunning behorende situatietekening besproken waarop op het perceel van vergunninghouder een rode lijn en een stippellijn zichtbaar is. De minister heeft onweersproken toegelicht dat de rode lijn de perceelsgrens is en dat de stippellijn de gevelrooilijn is. De afstand tussen de gevelrooilijn en de perceelsgrens is 5 meter. Hoewel de afstand tussen de gevelrooilijn en de kant van de wegstrook als bedoeld in het verkavelingsplan niet is aangegeven op de situatietekening, is het Gerecht van oordeel dat uit de situatietekening kan worden afgeleid dat die afstand ten minste 7 meter is. Daarbij betrekt het Gerecht de afstanden van 5 meter en 3 meter die wel ingetekend zijn op de situatietekening. Het Gerecht stelt op basis van die afstanden vast dat de afstand tussen de perceelsgrens en de kant van de wegstrook ten minste 2 meter is, waardoor de afstand van de kant van de wegstrook en de gevelrooilijn ten minste 7 meter is. Naar voorlopig oordeel van het Gerecht is dus op dit punt geen strijdigheid met het verkavelingsplan. 10.4 Het voorgaande laat onverlet dat de minister in de bezwaarfase het bouwplan zal moeten toetsen aan het verkavelingsplan en in de beslissing op bezwaar na een meting zal moeten motiveren of de gevelrooilijn op de vergunde situatietekening op ten minste 7 meter van de kant van de wegstrook ligt. Het vastgestelde gebrek dat niet is getoetst aan het verkavelingsplan kan in de bezwaarfase worden hersteld. 10.5 Voor zover het gaat om het voorschrift in het verkavelingsplan dat staat onder 1e, namelijk één woonhuis per perceel, helpt dat voorschrift verzoekers niet. Op grond van artikel 20, vijfde lid en onder b, van het EOP blijft een voorschrift van een rechtsgeldig verkavelingsplan buiten toepassing, indien dat niet overeenstemt met de globale of uitgewerkte bestemmingsvoorschriften van het EOP. Het Gerecht is in lijn met vaste rechtspraak van het Hof van oordeel dat artikel 3, tweede lid en onder a, van het EOP toestaat dat op een perceel dat is bestemd als stedelijk woongebied (onder meer) een flat wordt gebouwd. Dat betekent dat het voorschrift van het verkavelingsplan, één woonhuis per perceel, conflicteert met de bebouwing ten behoeve van woondoeleinden die door het EOP wordt toegestaan en in dit geval buiten toepassing moet blijven. Het Gerecht wijst op de uitspraken van het Hof van 27 juli 2021 (ECLI:NL:OGHACMB:2021:142, Stadsrust) en van 23 november 2022 (ECLI:NL:OGHACMB:2022:128, Toni Kunchi). 10.6 Voor zover verzoekers stellen dat niet voornoemde uitspraken van het Hof maar de uitspraak van het Hof over het verkavelingsplan Julianadorp (ECLI:NL:OGHACMB:2019:222) op deze zaak van toepassing is, volgt het Gerecht hen daarin niet. Zoals hiervoor is overwogen volgt uit latere en hiervoor weergegeven uitspraken van het Hof dat de bouw van een flatgebouw volgens het EOP is toegestaan. Het Gerecht heeft dat ook geoordeeld in de uitspraken die tot de uitspraken van het Hof hebben geleid en in de uitspraak van het Gerecht van 22 oktober 2025 (ECLI:NL:OGEAC:2025:219). Een bepaling in het verkavelingsplan dat de bouw van een flatgebouw niet toestaat, is dus strijdig met het EOP en moet buiten toepassing blijven. 11. Verzoekers voeren verder aan dat het bouwplan in strijd is met het EOP en om die reden had moeten worden geweigerd. Volgens eisers laat het EOP gelet op de daarin aangegeven bebouwingsdichtheid maximaal twee woningen toe op deze kavel, terwijl het bouwplan ziet op vier woningen. Verder is het bouwplan hoger dan 8 meter en worden er niet twee maar drie bouwlagen gerealiseerd. Verzoekers wijzen er ook op dat het gebouw gebruikt zal gaan worden voor verhuur aan vakantiegangers. Dat gaat hinder opleveren zoals bedoeld in artikel 3, lid 2 en onder g1 en g2 van het EOP. Het bouwplan biedt in strijd met het EOP geen ruimte voor parkeerplaatsen op eigen terrein. Dat betekent dat geparkeerd zal worden op de straat en dat zorgt voor overlast. De extra voertuigen die door dit bouwplan in de wijk komen, zullen ook bijdragen aan de verminderde bereikbaarheid van de wijk als gevolg van de al bestaande extreme drukte op de Caracasbaaiweg. 12. Dit betoog van verzoekers slaagt niet, behalve mogelijk voor zover het gaat om de bouwhoogte. Hoewel het betoog van verzoekers over de bouwhoogte zou kunnen kloppen, ziet het Gerecht daarin echter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het Gerecht motiveert dit als volgt. 12.1 Als het gaat om de bebouwingsdichtheid, slaagt het betoog van verzoekers niet. Anders dan verzoekers betogen, gaat artikel 3, tweede lid en onder b, van het EOP over een woningdichtheid per buurt en niet over de woningdichtheid per kavel. Dit volgt uit de tekst van artikel 3, tweede lid en onder b, van het EOP. Het Gerecht vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van het Hof van 6 mei 2026 (ECLI:NL:OGHACMB:2026:86). In die uitspraak wordt overigens ook nog verwezen naar een andere uitspraak van het Gerecht en het Hof hierover. 12.2 Als het gaat om de bouwhoogte, is het door verzoekers aangedragen punt van drie in plaats van twee bouwlagen een handhavingskwestie. Als verzoekers vinden dat er in afwijking van de bouwvergunning wordt gebouwd, dienen zij een handhavingsverzoek bij de minister in te dienen. Dat hebben zij overigens ook gedaan. In deze procedure ligt enkel de rechtmatigheid van de verleende bouwvergunning ter beoordeling voor aan het Gerecht en die gaat uit van twee bouwlagen. Beoordeeld dient dan ook te worden of het vergunde bouwplan hoger is dan 8 meter of niet. Het Gerecht stelt op grond van de bouwtekening “doorsnede a-a en b-b” vast dat de bouwhoogte 6,50 meter boven peil is. Wat het in de bouwtekening gehanteerde peil is, blijkt echter niet uit de bouwtekening. Artikel 2, aanhef en onder, van het EOP schrijft voor dat de bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf de gemiddelde hoogte van het terrein waarop het bouwwerk staat, na het bouwrijp maken daarvan, tot aan het hoogste punt van het bouwwerk. Het Gerecht is van oordeel dat uit de bouwtekeningen niet kan worden afgeleid wat de bouwhoogte van het bouwwerk is als wordt gemeten conform de wijze in artikel 2 van het EOP. Uit het voor de zitting door de minister overgelegde ROB-advies van 26 mei 2026 kan de conform het EOP gemeten bouwhoogte evenmin worden afgeleid. Daarin staat slechts dat de bouwhoogte 7 meter is. Een toelichting daarop wordt niet gegeven. 12.3 Het betoog van verzoekers dat het bouwplan hoger is dan 8 meter, kan dus kloppen. Als gezegd ziet het Gerecht geen aanleiding om vanwege dit mogelijke gebrek een voorlopige voorziening te treffen. Daarvoor is relevant dat er op grond van de bouwtekeningen aanknopingspunten zijn om te oordelen dat de in het EOP gestelde maximale bouwhoogte van 8 meter niet wordt overschreden. En al zou de bouwhoogte van 8 meter worden overschreden, dan moet de minister een afweging maken tussen het met de grotere bouwhoogte dan 8 meter te dienen belang en de mogelijke hinder of ontsiering voor de omgeving, welke door die grotere bouwhoogte dan 8 meter eventueel kan ontstaan. Dat staat in artikel 3, tweede lid en onder d, van het EOP. Deze afweging kan de minister maken in de bezwaarfase en daarmee kan dit gebrek dat aan de bouwvergunning kleeft worden hersteld. 12.4 Het Gerecht volgt verzoekers niet in hun betoog over hinder en de gestelde parkeer- en verkeersproblematiek. 12.4.1 De door verzoekers genoemde hinder als bedoeld in artikel 3, lid 2 en onder g1 en g2 van het EOP ziet op hinder als gevolg van ongewenste functies in woonbuurten. In dit geval heeft het bouwwerk een woonfunctie en dat past dus in een woonbuurt. Het EOP verbiedt niet dat woningen in een woonbuurt worden verhuurd aan vakantiegangers. 12.4.2 Verder schrijft de bouwvergunning voor dat op eigen terrein tenminste vier parkeerplaatsen inclusief manoeuvreerruimte worden aangelegd. Dit is in overeenstemming met de norm van artikel 3, tweede lid en onder h en 2 van het EOP. Tijdens de zitting heeft de vergunninghouder een situatieplan overgelegd waaruit blijkt dat er zeven parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. 12.4.3 Het Gerecht volgt verzoekers verder niet in hun stelling dat de minister de bouwvergunning had moeten weigeren omdat het bouwproject bijdraagt aan het fileprobleem op de Caracasbaaiweg en de bereikbaarheid van de wijk Jan Thiel belemmert. Voor zover verzoekers zich beroepen op artikel 22, aanhef en onder 7, van de Bwv, gaat het daarbij om de gevolgen van het gebruik van het gebouw voor het verkeer en de bereikbaarheid van de woningen in de directe omgeving van het bouwproject. Het Gerecht volgt de minister allereerst in zijn toelichting dat het gebouw wordt gebruikt voor woningen die geen verkeersaantrekkend karakter hebben. Het bouwproject is verder niet direct gelegen aan de Caracasbaaiweg, maar ligt wel in de nabijheid daarvan. Het is aannemelijk dat het bouwproject zal leiden tot enige toename van het verkeer in de omgeving, dus ook op de Caracasbaaiweg. Het voert echter te ver om te stellen dat de bouwvergunning geweigerd had moeten worden door de relatief kleine bijdrage van het bouwplan aan het fileprobleem van de Caracasbaaiweg. Zo kan ook een (geringe) vermindering van de bereikbaarheid van de gehele wijk Jan Thiel geen weigeringsgrond voor een bouwvergunning opleveren, omdat het bij de toetsing aan dit artikel alleen gaat om de bereikbaarheid van de woningen in de directe omgeving van het bouwproject. 13. Verzoekers betogen ten slotte dat het bouwplan ontsierend en hinderlijk is voor de omgeving. Het gaat immers om een appartementencomplex in een woonwijk dat per definitie ontsierend is. Bovendien past het gebouw qua gevelomvang, soort architectuur, gevelindeling en omvang niet in de omgeving. 14. Dit betoog slaagt niet. Het Gerecht motiveert dit als volgt. 14.1 Het Gerecht stelt voorop, zoals hiervoor al is overwogen, dat een flatgebouw op grond van het EOP is toegestaan in woongebieden met de bestemming Stedelijk woongebied, en dus ook in de wijk oud Jan Thiel. Een appartementencomplex is dus niet per definitie ontsierend en hinderlijk voor de woonwijk oud Jan Thiel. 14.2 Artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv bepaalt kort gezegd dat een bouwvergunning wordt geweigerd als het gebouw (of een deel daarvan) wegens de ligging of wegens de bouwwijze de omgeving zal ontsieren of hinderlijk voor de omgeving zal zijn. 14.3 De minister stelt dat deze weigeringsgrond zich niet voordoet. De minister wijst op het advies van ROB van 26 mei 2026. Daarin staat onder andere dat het bouwwerk niet ontsierend is voor de omgeving. Het bouwwerk wordt gerealiseerd op een kavel die bestemd is voor woondoeleinden. Er zijn geen historische of architectonische interessante gebouwen in de omgeving. Verder is sprake van een traditionele stapelbouw met een kolommen- en balkenstructuur en heeft het bouwwerk een plat dak. Het bouwwerk is ook niet hinderlijk voor de omgeving volgens de minister. In het ROB-advies staat daarover dat het bouwwerk, minimaal drie meter van de zijdelingse erfgrenzen ligt en 5 meter als het om de voorrooilijn gaat. De bouwkavel ligt aan een openbare weg en is goed bereikbaar. De situering van het bouwwerk op het terrein biedt bovendien ruimte voor voldoende zicht en wind voor de gebouwen in de omgeving. Ook de bouwwijze van het gebouw levert geen hinder op. Er is sprake van traditionele bouwmaterialen zoals steen en gewapend beton die niet reflecteren. De gevels zijn vlak en het gehele bouwwerk is op de eigen kavel geprojecteerd. 14.4 Het Gerecht is van oordeel dat de minister zich op grond van deze motivering heeft kunnen oordelen dat het bouwplan niet wegens de ligging of wegens de bouwwijze de omgeving zal ontsieren of hinderlijk voor de omgeving zal zijn. Verzoekers hebben hiertegenover onvoldoende aangevoerd om het Gerecht tot een ander oordeel te brengen. Verzoekers hebben er ter zitting op gewezen dat de motivering in het ROB-advies pas is opgesteld nadat de bouwvergunning is verleend. Die stelling van verzoekers is juist, maar dat leidt het Gerecht niet tot een ander oordeel. Het staat de minister vrij om in de bezwaarfase een nadere motivering van de bouwvergunning te geven. Conclusie en gevolgen 15. De door verzoekers aangevoerde gronden slagen grotendeels niet. Voor zover het gaat om vaststelling van de juiste bouwhoogte en het maken van een eventuele belangenafweging en de toetsing aan het verkavelingsplan, zijn dit gebreken die de minister in de bezwaarfase kan herstellen. Om die reden ziet het Gerecht geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. 16. In de omstandigheden dat verzoekers wel terecht betogen dat er aan de bouwvergunning gebreken kleven, ziet het Gerecht aanleiding om de minister te veroordelen tot vergoeding aan verzoekers van de door hen gemaakte proceskosten in het kader van deze voorlopige voorziening. Die proceskosten begroot het Gerecht op Cg 1.400,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Cg 700,-) aan kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Gerecht zal verder bepalen dat de minister het door verzoekers betaalde griffierecht aan hen vergoedt. Beslissing Het Gerecht: wijst af het verzoek om voorlopige voorziening; veroordeelt de minister tot betaling aan verzoekers van hun proceskosten tot een bedrag van Cg 1.400,-; bepaalt dat de minister het door verzoekers betaalde griffierecht van Cg 150,- aan hen vergoedt. Deze uitspraak is gegeven op 19 juni 2026 door mr. drs. S. Lanshage, rechter, in aanwezigheid van mr. H. van der Schaft, griffier. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.