Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2025-01-29
ECLI:NL:OGEAC:2025:64
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
50,829 tokens
Inleiding
bParketnummers: 500.00164/24 en 500.00170/24
Uitspraak: 29 januari 2025 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 en 20 december 2024 (inhoudelijke behandeling) en 8 januari 2025 (sluiting van het onderzoek). De verdachte is op 19 en 20 december 2024 verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.A. Koendjbiharie, advocaat in Curaçao.
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. [benadeelde partij 2] heeft ook een vordering namens haar zoon
[belanghebbende 1] ingediend.
De officieren van justitie, mrs. V.Z.B. Girigoria-Hernandez en W.J. de Graaf, hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder de feiten 1 (impliciet subsidiair doodslag), 2 primair (medeplegen gekwalificeerde doodslag), 3 (vuurwapenbezit) en 4 (medeplegen vuurwapenbezit) ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 jaren met aftrek van voorarrest.
De vordering houdt voorts in een gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met oplegging van een bijbehorende schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder de feiten 1 en 3 ten laste gelegde en ten aanzien van de feiten 2 en 4 een strafmaatverweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 23 september 2023 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, (gericht) op die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden; (artikel 2:262/259 Wetboek van Strafrecht)
Feit 2
primair
hij op of omstreeks 31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een
ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet (vanaf korte afstand) eenmaal met een vuurwapen, (gericht) op die [slachtoffer 2] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld en/of een afpersing tegen die [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] en/of [belanghebbende 2], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/ die feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededader(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren; (artikel 2:260 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair
hij op of omstreeks 31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto van het merk [merk 1] en/of een of meerdere mobiele telefoons en/of een of meerdere (gouden) kettingen en/of een gouden muntrand met gouden tientje en/of een (gouden) armband en/of een [spelcomputer 1], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] en/of [belanghebbende 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] en/of [belanghebbende 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s);
zich - voorzien van een geheel of gedeeltelijk bedekt hoofd/gezicht en/of gewapend met een of meer vuurwapens - naar/in de woning van voornoemde [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] (gelegen aan de [adres 1]) heeft/hebben begeven en/of;
(vervolgens) met een vuurwapen op en/of in de richting (van het lichaam) van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geschoten en/of;
(vervolgens) die [benadeelde partij 2] bij haar shirt heeft/hebben vast gepakt en tegen die [benadeelde partij 2] heeft hebben gezegd/geschreeuwd: "waar is het geld" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking) om vervolgens die [benadeelde partij 2] op de grond te laten vallen / gooien en/of;
de betreffende woning heeft/hebben doorzocht en/of (alles) overhoop heeft/hebben gehaald) en/of;
(vervolgens) met zijn hand de mond van die [benadeelde partij 2] dicht heeft/hebben gehouden en/of vervolgens tegen die [benadeelde partij 2] heeft hebben gezegd/geschreeuwd: "stil blijven" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking) en/of;
een vuurwapen op/in het lichaam die [benadeelde partij 2] gericht, althans een vuurwapen aan die [benadeelde partij 2] heeft getoond en/of een vuurwapen tegen het hoofd van die [benadeelde partij 2] heeft gericht/vastgehouden en/of;
(vervolgens) die [benadeelde partij 2] heeft/hebben vast gepakt en/of meegetrokken en/of vervolgens tegen die [benadeelde partij 2] heeft hebben gezegd/ geschreeuwd; "waar zijn de sleutels" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking)
ten gevolge van welk(e) bovenomschreven feit(en) die [slachtoffer 2] is overleden (art.
Feiten
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van de doodslag op [slachtoffer 1] en het vuurwapenbezit zal worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat voldoende wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.
Het Gerecht stelt op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, de volgende toedracht vast.
In de avonduren van 23 september 2023, rond 19:45 uur, wordt [slachtoffer 1], slachtoffer van een schietincident, door zijn vriendin [belanghebbende 2] en een vriend [getuige] afgezet bij het CMC. Om 20:30 uur wordt het overlijden van [slachtoffer 1] vastgesteld. Uit autopsie blijkt dat een enkelvoudige schotverwonding de dood heeft veroorzaakt.
[belanghebbende 2] en [getuige] verklaren dat zij samen met [slachtoffer 1] naar Otrobanda waren gegaan om langs te gaan bij een verjaardag. Ter plaatse aangekomen seint een man op straat naar [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1]stopt de auto, stapt uit en praat korte tijd met de man. [belanghebbende 2] hoort een schot waarop [slachtoffer 1]terugkeert in de auto. [slachtoffer 1]zegt dat de man hem heeft beschoten. Vervolgens rijdt [getuige] naar het CMC. Het is het Gerecht bekend dat het CMC nabij de plaats delict is gelegen, dus uitgaande van een aankomsttijd bij het CMC van 19:45 uur betekent dit dat het schieten zich -ruim genomen- in het uur voorafgaand moet hebben voltrokken
[belanghebbende 2] geeft in haar verklaring een signalement van de dader en herkent vervolgens bij twee meervoudige fotoconfrontaties de verdachte als de schutter.
Uit een onderzoek naar de historische verkeersgegevens van een telefoonnummer dat destijds tot op de dag van het schietincident bij de verdachte in gebruik was is gebleken dat het toestel waarin het nummer werd gebruikt zich op de avond vanaf 18:28 uur tot 21:28 uur in een dekkingsgebied bevond waarin de plaats delict was gelegen.
[belanghebbende 2] heeft diverse verklaringen als getuige en als verdachte afgelegd en is consistent in haar beschrijving van hoe het schietincident zich heeft voltrokken. Zij heeft de schutter goed kunnen zien, geeft een gedetailleerd signalement en wijst tot twee keer toe op verschillende meervoudige fotosheets de verdachte aan. Haar verklaring vindt steun in de verklaring van [getuige]. Weliswaar verklaart [getuige] -naar later blijkt uit angst- minder gedetailleerd over bijvoorbeeld het signalement van de schutter, maar wat hij verklaart komt overeen met dat wat [belanghebbende 2] verklaart. Voorts vindt de verklaring van [belanghebbende 2] bevestiging in die van [getuige 2], die zegt dat [getuige] hem direct na het incident had verteld dat [slachtoffer 1]was neergeschoten door de verdachte. Het Gerecht acht daarom de verklaring van [belanghebbende 2] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Daaraan doet niet af dat zij over het gebeuren bij het CMC en over de omschrijving van [getuige] wisselend heeft verklaard.
De genoemde getuigenverklaringen en de herkenning van [belanghebbende 2] in combinatie bezien met de historische gegevens van het bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer die hem ten tijde van het schietincident in de omgeving van de plaats delict plaatsen, schreeuwen om een verklaring van de verdachte, die echter is uitgebleven. Het Gerecht concludeert dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte degene is geweest die het schot op [slachtoffer 1] heeft gelost.
Nu er onvoldoende aanwijzingen aan het dossier zijn te ontlenen dat sprake was van voorbedachte rade zal het Gerecht de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. Het Gerecht acht de ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Feiten
Op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, stelt het Gerecht de volgende gang van zaken vast.
In de avond van 31 mei 2024 zijn vier jongemannen [medeverdachte 1], [verdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 2] in een pick-up op dievenpad gegaan. Daarbij was op voorhand een adres uitgekozen waar wat te halen zou vallen. [medeverdachte 1] verklaart in dit verband dat een beroving het plan was en dat hij daarom een vuurwapen meenam.
[medeverdachte 1] heeft meteen bij de politie verklaard dat hij degene is geweest die op het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft geschoten.
Op de dag ervoor en op de dag zelf heeft [medeverdachte 1] meerdere malen de (omgeving van de) woning voor verkend. Hij wou, zoals hij zelf heeft verklaard, weten hoeveel mensen er aanwezig waren en of hij misschien kon zien wie hij zal tegenkomen tijdens de beroving.
Eenmaal ter plaatse die bewuste avond zijn [medeverdachte 1], [verdachte 2] en [verdachte] met gemaskerde gezichten uit de pick-up gestapt en naar de bewuste woning gerend. [medeverdachte 2] nam plaats achter het stuur van de pick-up en reed weg. Bij het wegrijden passeerde [medeverdachte 2] de woning en zag één van de mannen over de afrastering springen.
Omdat beide auto’s van de bewoners in de carport stonden en de deur van de woning open stond moet het voor de verdachten duidelijk zijn geweest dat de bewoners thuis waren. [medeverdachte 1] verklaart in dit verband expliciet dat hij wist dat er personen thuis moesten zijn en dat hij zijn vuurwapen, eenmaal aangekomen in de kamer waar hij niemand aantrof, daarom geladen heeft.
Uit de verklaringen van aangeefster, [medeverdachte 1] en [verdachte 2] blijkt dat alle drieverdachten de woning zijn binnen gegaan en dat zij alle drie, aldus [medeverdachte 1] en [verdachte], beschikten over een vuurwapen. De verklaringen van [verdachte] dat hij niet in de woning is geweest respectievelijk van [verdachte 2] dat hij geen vuurwapen had worden daarom als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
De verdachten werden betrapt door de bewoners en in een confrontatie heeft [medeverdachte 1] een schot gelost op het slachtoffer [slachtoffer 2]. De echtgenote van [slachtoffer 2] is bedreigd met een vuurwapen en, onder toepassing van geweld, gevraagd naar geld. Alle drie verdachten hebben de woning doorzocht op zoek naar te stelen spullen en daarbij ook de slaapkamer waar het zoontje sliep niet ongemoeid gelaten. Uiteindelijk zijn zij er met zijn drieën met onder meer een auto en diverse sieraden vandoor gegaan.
Gekwalificeerde doodslag
De kern van deze strafbaarstelling bestaat uit een doodslag die in een onmiddellijk verband staat met een ander strafbaar feit, zowel in causaal opzicht als wat het tijdstip van het zich voordoen van de feiten betreft. Het andere feit (oorsprongsfeit) moet de doodslag in zo’n mate vergezellen of van nabij volgen of daaraan voorafgaan dat het geacht kan worden er één geheel van uit te maken met als nadere beperking van de reikwijdte van de strafbaarstelling het (bijkomende) oogmerk van verdachte dat de doodslag is gericht op het voorbereiden, gemakkelijk maken van of straffeloosheid of bezit van het gestolene verzekeren voor dat andere oorsprongsfeit.
Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van het Gerecht worden afgeleid dat de doodslag in onmiddellijk verband staat met de diefstal met geweld, causaal en qua tijdstip. Het Gerecht kan aan het handelen van de verdachte [medeverdachte 1] geen andere conclusie verbinden dan dat hij met het doden van het slachtoffer [slachtoffer 2] het voor strafbaarheid van gekwalificeerde doodslag benodigde oogmerk heeft gehad de diefstal gemakkelijk te maken dan wel straffeloosheid of het bezit van de weggenomen goederen te verzekeren. Immers, ook nadat het slachtoffer was neergeschoten, vervolgden verdachten hun plan door de kamers te doorzoeken en de echtgenote van het slachtoffer met (bedreiging met) geweld om geld en autosleutels te vragen.
Medeplegen
Het gezamenlijke voornemen was om te gaan stelen in de woning van de familie [benadeelde partij 2]. De drie verdachten [medeverdachte 1], [verdachte 2] en [verdachte] hebben daartoe hun gezichten bedekt en zich bewapend met vuurwapens, waarvan zij over en weer op de hoogte waren.
Zij zijn gezamenlijk de woning binnengegaan en hebben ook nadat het dodelijke schot was gevallen de uitvoering van het beoogde misdrijf voortgezet en voltooid.
Alles overziend is het Gerecht dan ook van oordeel dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het feit en nauw en volledig heeft samengewerkt met de medeverdachten.
Voorwaardelijk opzet
Het Gerecht is voorts van oordeel dat niet alleen de schutter [medeverdachte 1] maar ook [verdachte 2] en [verdachte] aldus voorwaardelijk opzet hebben gehad op de dood van het slachtoffer [slachtoffer 2].
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier (gekwalificeerde) doodslag - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De verdachte en de twee medeverdachten zijn voorzien van vuurwapens het huis binnen gegaan om daar te stelen, wetende dat de bewoners thuis waren. De kans op een confrontatie met of verzet van de bewoners en dat in reactie daarop met één van de vuurwapens kan worden geschoten en het slachtoffer dodelijk kan worden getroffen, is aanmerkelijk te noemen. Dat alle drie verdachten deze kans ook bewust hebben aanvaard of op zijn minst op de koop toe hebben genomen volgt onmiskenbaar uit de bewijsmiddelen.
Het Gerecht acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een gekwalificeerde doodslag.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder feit 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Doodslag.
Het onder feit 2 primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:260 juncto 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van gekwalificeerde doodslag.
Het onder feit 3 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.
Het onder feit 4 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Dictum
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 impliciet primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 26 (zesentwintig) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 29.050,34 (zegge: negenentwintigduizend vijftig gulden en vierendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 september 2023 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 29.050,34 (zegge: negenentwintigduizend vijftig gulden en vierendertig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 180 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2023 tot aan de dag van de voldoening;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 38.210,31 (zegge: achtendertigduizend tweehonderdtien gulden en eenendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 38.210,31 (zegge: achtendertigduizend tweehonderdtien gulden en eenendertig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 226 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2 ]namens [belanghebbende 1] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 20.000,= (zegge: twintigduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] namens [belanghebbende 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 20.000,= (zegge: twintigduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 135 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komen te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan het Land in zoverre komen te vervallen;
bepaalt ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 2] namens [belanghebbende 1], voor zover toegewezen, dat indien en voor zover (een van) de mededader(s) van de verdachte voormelde bedragen heeft betaald aan de benadeelde partijen of het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen of aan het Land.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. H.R. Bracht, bijgestaan door mr. C. Anselma-Bernsen, zittingsgriffier, en op 29 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao d.d. 19 november 2024, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “Shon Fiel” en de aanvullingen daarop d.d. 17 december 2024 en 18 december 2024 alsmede in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao d.d. 22 augustus 2024, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “Reiger” en de aanvulling daarop d.d. 27 oktober 2024.
Verklaring van de verdachte als getuige ter terechtzitting van 20 december 2024, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.
Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 19 december 2024, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.
Inleiding
bParketnummers: 500.00164/24 en 500.00170/24
Uitspraak: 29 januari 2025 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 en 20 december 2024 (inhoudelijke behandeling) en 8 januari 2025 (sluiting van het onderzoek). De verdachte is op 19 en 20 december 2024 verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.A. Koendjbiharie, advocaat in Curaçao.
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. [benadeelde partij 2] heeft ook een vordering namens haar zoon
[belanghebbende 1] ingediend.
De officieren van justitie, mrs. V.Z.B. Girigoria-Hernandez en W.J. de Graaf, hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder de feiten 1 (impliciet subsidiair doodslag), 2 primair (medeplegen gekwalificeerde doodslag), 3 (vuurwapenbezit) en 4 (medeplegen vuurwapenbezit) ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 jaren met aftrek van voorarrest.
De vordering houdt voorts in een gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met oplegging van een bijbehorende schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder de feiten 1 en 3 ten laste gelegde en ten aanzien van de feiten 2 en 4 een strafmaatverweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 23 september 2023 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, (gericht) op die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden; (artikel 2:262/259 Wetboek van Strafrecht)
Feit 2
primair
hij op of omstreeks 31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een
ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet (vanaf korte afstand) eenmaal met een vuurwapen, (gericht) op die [slachtoffer 2] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld en/of een afpersing tegen die [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] en/of [belanghebbende 2], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/ die feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededader(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren; (artikel 2:260 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair
hij op of omstreeks 31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto van het merk [merk 1] en/of een of meerdere mobiele telefoons en/of een of meerdere (gouden) kettingen en/of een gouden muntrand met gouden tientje en/of een (gouden) armband en/of een [spelcomputer 1], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] en/of [belanghebbende 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] en/of [belanghebbende 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s);
zich - voorzien van een geheel of gedeeltelijk bedekt hoofd/gezicht en/of gewapend met een of meer vuurwapens - naar/in de woning van voornoemde [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] (gelegen aan de [adres 1]) heeft/hebben begeven en/of;
(vervolgens) met een vuurwapen op en/of in de richting (van het lichaam) van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geschoten en/of;
(vervolgens) die [benadeelde partij 2] bij haar shirt heeft/hebben vast gepakt en tegen die [benadeelde partij 2] heeft hebben gezegd/geschreeuwd: "waar is het geld" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking) om vervolgens die [benadeelde partij 2] op de grond te laten vallen / gooien en/of;
de betreffende woning heeft/hebben doorzocht en/of (alles) overhoop heeft/hebben gehaald) en/of;
(vervolgens) met zijn hand de mond van die [benadeelde partij 2] dicht heeft/hebben gehouden en/of vervolgens tegen die [benadeelde partij 2] heeft hebben gezegd/geschreeuwd: "stil blijven" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking) en/of;
een vuurwapen op/in het lichaam die [benadeelde partij 2] gericht, althans een vuurwapen aan die [benadeelde partij 2] heeft getoond en/of een vuurwapen tegen het hoofd van die [benadeelde partij 2] heeft gericht/vastgehouden en/of;
(vervolgens) die [benadeelde partij 2] heeft/hebben vast gepakt en/of meegetrokken en/of vervolgens tegen die [benadeelde partij 2] heeft hebben gezegd/ geschreeuwd; "waar zijn de sleutels" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking)
ten gevolge van welk(e) bovenomschreven feit(en) die [slachtoffer 2] is overleden (art.
Feiten
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van de doodslag op [slachtoffer 1] en het vuurwapenbezit zal worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat voldoende wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.
Het Gerecht stelt op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, de volgende toedracht vast.
In de avonduren van 23 september 2023, rond 19:45 uur, wordt [slachtoffer 1], slachtoffer van een schietincident, door zijn vriendin [belanghebbende 2] en een vriend [getuige] afgezet bij het CMC. Om 20:30 uur wordt het overlijden van [slachtoffer 1] vastgesteld. Uit autopsie blijkt dat een enkelvoudige schotverwonding de dood heeft veroorzaakt.
[belanghebbende 2] en [getuige] verklaren dat zij samen met [slachtoffer 1] naar Otrobanda waren gegaan om langs te gaan bij een verjaardag. Ter plaatse aangekomen seint een man op straat naar [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1]stopt de auto, stapt uit en praat korte tijd met de man. [belanghebbende 2] hoort een schot waarop [slachtoffer 1]terugkeert in de auto. [slachtoffer 1]zegt dat de man hem heeft beschoten. Vervolgens rijdt [getuige] naar het CMC. Het is het Gerecht bekend dat het CMC nabij de plaats delict is gelegen, dus uitgaande van een aankomsttijd bij het CMC van 19:45 uur betekent dit dat het schieten zich -ruim genomen- in het uur voorafgaand moet hebben voltrokken
[belanghebbende 2] geeft in haar verklaring een signalement van de dader en herkent vervolgens bij twee meervoudige fotoconfrontaties de verdachte als de schutter.
Uit een onderzoek naar de historische verkeersgegevens van een telefoonnummer dat destijds tot op de dag van het schietincident bij de verdachte in gebruik was is gebleken dat het toestel waarin het nummer werd gebruikt zich op de avond vanaf 18:28 uur tot 21:28 uur in een dekkingsgebied bevond waarin de plaats delict was gelegen.
[belanghebbende 2] heeft diverse verklaringen als getuige en als verdachte afgelegd en is consistent in haar beschrijving van hoe het schietincident zich heeft voltrokken. Zij heeft de schutter goed kunnen zien, geeft een gedetailleerd signalement en wijst tot twee keer toe op verschillende meervoudige fotosheets de verdachte aan. Haar verklaring vindt steun in de verklaring van [getuige]. Weliswaar verklaart [getuige] -naar later blijkt uit angst- minder gedetailleerd over bijvoorbeeld het signalement van de schutter, maar wat hij verklaart komt overeen met dat wat [belanghebbende 2] verklaart. Voorts vindt de verklaring van [belanghebbende 2] bevestiging in die van [getuige 2], die zegt dat [getuige] hem direct na het incident had verteld dat [slachtoffer 1]was neergeschoten door de verdachte. Het Gerecht acht daarom de verklaring van [belanghebbende 2] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Daaraan doet niet af dat zij over het gebeuren bij het CMC en over de omschrijving van [getuige] wisselend heeft verklaard.
De genoemde getuigenverklaringen en de herkenning van [belanghebbende 2] in combinatie bezien met de historische gegevens van het bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer die hem ten tijde van het schietincident in de omgeving van de plaats delict plaatsen, schreeuwen om een verklaring van de verdachte, die echter is uitgebleven. Het Gerecht concludeert dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte degene is geweest die het schot op [slachtoffer 1] heeft gelost.
Nu er onvoldoende aanwijzingen aan het dossier zijn te ontlenen dat sprake was van voorbedachte rade zal het Gerecht de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. Het Gerecht acht de ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Feiten
Op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, stelt het Gerecht de volgende gang van zaken vast.
In de avond van 31 mei 2024 zijn vier jongemannen [medeverdachte 1], [verdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 2] in een pick-up op dievenpad gegaan. Daarbij was op voorhand een adres uitgekozen waar wat te halen zou vallen. [medeverdachte 1] verklaart in dit verband dat een beroving het plan was en dat hij daarom een vuurwapen meenam.
[medeverdachte 1] heeft meteen bij de politie verklaard dat hij degene is geweest die op het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft geschoten.
Op de dag ervoor en op de dag zelf heeft [medeverdachte 1] meerdere malen de (omgeving van de) woning voor verkend. Hij wou, zoals hij zelf heeft verklaard, weten hoeveel mensen er aanwezig waren en of hij misschien kon zien wie hij zal tegenkomen tijdens de beroving.
Eenmaal ter plaatse die bewuste avond zijn [medeverdachte 1], [verdachte 2] en [verdachte] met gemaskerde gezichten uit de pick-up gestapt en naar de bewuste woning gerend. [medeverdachte 2] nam plaats achter het stuur van de pick-up en reed weg. Bij het wegrijden passeerde [medeverdachte 2] de woning en zag één van de mannen over de afrastering springen.
Omdat beide auto’s van de bewoners in de carport stonden en de deur van de woning open stond moet het voor de verdachten duidelijk zijn geweest dat de bewoners thuis waren. [medeverdachte 1] verklaart in dit verband expliciet dat hij wist dat er personen thuis moesten zijn en dat hij zijn vuurwapen, eenmaal aangekomen in de kamer waar hij niemand aantrof, daarom geladen heeft.
Uit de verklaringen van aangeefster, [medeverdachte 1] en [verdachte 2] blijkt dat alle drieverdachten de woning zijn binnen gegaan en dat zij alle drie, aldus [medeverdachte 1] en [verdachte], beschikten over een vuurwapen. De verklaringen van [verdachte] dat hij niet in de woning is geweest respectievelijk van [verdachte 2] dat hij geen vuurwapen had worden daarom als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
De verdachten werden betrapt door de bewoners en in een confrontatie heeft [medeverdachte 1] een schot gelost op het slachtoffer [slachtoffer 2]. De echtgenote van [slachtoffer 2] is bedreigd met een vuurwapen en, onder toepassing van geweld, gevraagd naar geld. Alle drie verdachten hebben de woning doorzocht op zoek naar te stelen spullen en daarbij ook de slaapkamer waar het zoontje sliep niet ongemoeid gelaten. Uiteindelijk zijn zij er met zijn drieën met onder meer een auto en diverse sieraden vandoor gegaan.
Gekwalificeerde doodslag
De kern van deze strafbaarstelling bestaat uit een doodslag die in een onmiddellijk verband staat met een ander strafbaar feit, zowel in causaal opzicht als wat het tijdstip van het zich voordoen van de feiten betreft. Het andere feit (oorsprongsfeit) moet de doodslag in zo’n mate vergezellen of van nabij volgen of daaraan voorafgaan dat het geacht kan worden er één geheel van uit te maken met als nadere beperking van de reikwijdte van de strafbaarstelling het (bijkomende) oogmerk van verdachte dat de doodslag is gericht op het voorbereiden, gemakkelijk maken van of straffeloosheid of bezit van het gestolene verzekeren voor dat andere oorsprongsfeit.
Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van het Gerecht worden afgeleid dat de doodslag in onmiddellijk verband staat met de diefstal met geweld, causaal en qua tijdstip. Het Gerecht kan aan het handelen van de verdachte [medeverdachte 1] geen andere conclusie verbinden dan dat hij met het doden van het slachtoffer [slachtoffer 2] het voor strafbaarheid van gekwalificeerde doodslag benodigde oogmerk heeft gehad de diefstal gemakkelijk te maken dan wel straffeloosheid of het bezit van de weggenomen goederen te verzekeren. Immers, ook nadat het slachtoffer was neergeschoten, vervolgden verdachten hun plan door de kamers te doorzoeken en de echtgenote van het slachtoffer met (bedreiging met) geweld om geld en autosleutels te vragen.
Medeplegen
Het gezamenlijke voornemen was om te gaan stelen in de woning van de familie [benadeelde partij 2]. De drie verdachten [medeverdachte 1], [verdachte 2] en [verdachte] hebben daartoe hun gezichten bedekt en zich bewapend met vuurwapens, waarvan zij over en weer op de hoogte waren.
Zij zijn gezamenlijk de woning binnengegaan en hebben ook nadat het dodelijke schot was gevallen de uitvoering van het beoogde misdrijf voortgezet en voltooid.
Alles overziend is het Gerecht dan ook van oordeel dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het feit en nauw en volledig heeft samengewerkt met de medeverdachten.
Voorwaardelijk opzet
Het Gerecht is voorts van oordeel dat niet alleen de schutter [medeverdachte 1] maar ook [verdachte 2] en [verdachte] aldus voorwaardelijk opzet hebben gehad op de dood van het slachtoffer [slachtoffer 2].
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier (gekwalificeerde) doodslag - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De verdachte en de twee medeverdachten zijn voorzien van vuurwapens het huis binnen gegaan om daar te stelen, wetende dat de bewoners thuis waren. De kans op een confrontatie met of verzet van de bewoners en dat in reactie daarop met één van de vuurwapens kan worden geschoten en het slachtoffer dodelijk kan worden getroffen, is aanmerkelijk te noemen. Dat alle drie verdachten deze kans ook bewust hebben aanvaard of op zijn minst op de koop toe hebben genomen volgt onmiskenbaar uit de bewijsmiddelen.
Het Gerecht acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een gekwalificeerde doodslag.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder feit 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Doodslag.
Het onder feit 2 primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:260 juncto 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van gekwalificeerde doodslag.
Het onder feit 3 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.
Het onder feit 4 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Dictum
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 impliciet primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 26 (zesentwintig) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 29.050,34 (zegge: negenentwintigduizend vijftig gulden en vierendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 september 2023 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 29.050,34 (zegge: negenentwintigduizend vijftig gulden en vierendertig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 180 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2023 tot aan de dag van de voldoening;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 38.210,31 (zegge: achtendertigduizend tweehonderdtien gulden en eenendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 38.210,31 (zegge: achtendertigduizend tweehonderdtien gulden en eenendertig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 226 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2 ]namens [belanghebbende 1] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 20.000,= (zegge: twintigduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] namens [belanghebbende 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 20.000,= (zegge: twintigduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 135 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komen te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan het Land in zoverre komen te vervallen;
bepaalt ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 2] namens [belanghebbende 1], voor zover toegewezen, dat indien en voor zover (een van) de mededader(s) van de verdachte voormelde bedragen heeft betaald aan de benadeelde partijen of het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen of aan het Land.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. H.R. Bracht, bijgestaan door mr. C. Anselma-Bernsen, zittingsgriffier, en op 29 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao d.d. 19 november 2024, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “Shon Fiel” en de aanvullingen daarop d.d. 17 december 2024 en 18 december 2024 alsmede in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao d.d. 22 augustus 2024, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “Reiger” en de aanvulling daarop d.d. 27 oktober 2024.
Verklaring van de verdachte als getuige ter terechtzitting van 20 december 2024, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.
Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 19 december 2024, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.
Inleiding
bParketnummers: 500.00164/24 en 500.00170/24
Uitspraak: 29 januari 2025 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 en 20 december 2024 (inhoudelijke behandeling) en 8 januari 2025 (sluiting van het onderzoek). De verdachte is op 19 en 20 december 2024 verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.A. Koendjbiharie, advocaat in Curaçao.
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. [benadeelde partij 2] heeft ook een vordering namens haar zoon
[belanghebbende 1] ingediend.
De officieren van justitie, mrs. V.Z.B. Girigoria-Hernandez en W.J. de Graaf, hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder de feiten 1 (impliciet subsidiair doodslag), 2 primair (medeplegen gekwalificeerde doodslag), 3 (vuurwapenbezit) en 4 (medeplegen vuurwapenbezit) ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 jaren met aftrek van voorarrest.
De vordering houdt voorts in een gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met oplegging van een bijbehorende schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder de feiten 1 en 3 ten laste gelegde en ten aanzien van de feiten 2 en 4 een strafmaatverweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 23 september 2023 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, (gericht) op die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden; (artikel 2:262/259 Wetboek van Strafrecht)
Feit 2
primair
hij op of omstreeks 31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een
ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet (vanaf korte afstand) eenmaal met een vuurwapen, (gericht) op die [slachtoffer 2] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld en/of een afpersing tegen die [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] en/of [belanghebbende 2], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/ die feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededader(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren; (artikel 2:260 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair
hij op of omstreeks 31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto van het merk [merk 1] en/of een of meerdere mobiele telefoons en/of een of meerdere (gouden) kettingen en/of een gouden muntrand met gouden tientje en/of een (gouden) armband en/of een [spelcomputer 1], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] en/of [belanghebbende 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] en/of [belanghebbende 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s);
zich - voorzien van een geheel of gedeeltelijk bedekt hoofd/gezicht en/of gewapend met een of meer vuurwapens - naar/in de woning van voornoemde [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] (gelegen aan de [adres 1]) heeft/hebben begeven en/of;
(vervolgens) met een vuurwapen op en/of in de richting (van het lichaam) van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geschoten en/of;
(vervolgens) die [benadeelde partij 2] bij haar shirt heeft/hebben vast gepakt en tegen die [benadeelde partij 2] heeft hebben gezegd/geschreeuwd: "waar is het geld" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking) om vervolgens die [benadeelde partij 2] op de grond te laten vallen / gooien en/of;
de betreffende woning heeft/hebben doorzocht en/of (alles) overhoop heeft/hebben gehaald) en/of;
(vervolgens) met zijn hand de mond van die [benadeelde partij 2] dicht heeft/hebben gehouden en/of vervolgens tegen die [benadeelde partij 2] heeft hebben gezegd/geschreeuwd: "stil blijven" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking) en/of;
een vuurwapen op/in het lichaam die [benadeelde partij 2] gericht, althans een vuurwapen aan die [benadeelde partij 2] heeft getoond en/of een vuurwapen tegen het hoofd van die [benadeelde partij 2] heeft gericht/vastgehouden en/of;
(vervolgens) die [benadeelde partij 2] heeft/hebben vast gepakt en/of meegetrokken en/of vervolgens tegen die [benadeelde partij 2] heeft hebben gezegd/ geschreeuwd; "waar zijn de sleutels" (althans woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking)
ten gevolge van welk(e) bovenomschreven feit(en) die [slachtoffer 2] is overleden (art.
Feiten
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van de doodslag op [slachtoffer 1] en het vuurwapenbezit zal worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat voldoende wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.
Het Gerecht stelt op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, de volgende toedracht vast.
In de avonduren van 23 september 2023, rond 19:45 uur, wordt [slachtoffer 1], slachtoffer van een schietincident, door zijn vriendin [belanghebbende 2] en een vriend [getuige] afgezet bij het CMC. Om 20:30 uur wordt het overlijden van [slachtoffer 1] vastgesteld. Uit autopsie blijkt dat een enkelvoudige schotverwonding de dood heeft veroorzaakt.
[belanghebbende 2] en [getuige] verklaren dat zij samen met [slachtoffer 1] naar Otrobanda waren gegaan om langs te gaan bij een verjaardag. Ter plaatse aangekomen seint een man op straat naar [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1]stopt de auto, stapt uit en praat korte tijd met de man. [belanghebbende 2] hoort een schot waarop [slachtoffer 1]terugkeert in de auto. [slachtoffer 1]zegt dat de man hem heeft beschoten. Vervolgens rijdt [getuige] naar het CMC. Het is het Gerecht bekend dat het CMC nabij de plaats delict is gelegen, dus uitgaande van een aankomsttijd bij het CMC van 19:45 uur betekent dit dat het schieten zich -ruim genomen- in het uur voorafgaand moet hebben voltrokken
[belanghebbende 2] geeft in haar verklaring een signalement van de dader en herkent vervolgens bij twee meervoudige fotoconfrontaties de verdachte als de schutter.
Uit een onderzoek naar de historische verkeersgegevens van een telefoonnummer dat destijds tot op de dag van het schietincident bij de verdachte in gebruik was is gebleken dat het toestel waarin het nummer werd gebruikt zich op de avond vanaf 18:28 uur tot 21:28 uur in een dekkingsgebied bevond waarin de plaats delict was gelegen.
[belanghebbende 2] heeft diverse verklaringen als getuige en als verdachte afgelegd en is consistent in haar beschrijving van hoe het schietincident zich heeft voltrokken. Zij heeft de schutter goed kunnen zien, geeft een gedetailleerd signalement en wijst tot twee keer toe op verschillende meervoudige fotosheets de verdachte aan. Haar verklaring vindt steun in de verklaring van [getuige]. Weliswaar verklaart [getuige] -naar later blijkt uit angst- minder gedetailleerd over bijvoorbeeld het signalement van de schutter, maar wat hij verklaart komt overeen met dat wat [belanghebbende 2] verklaart. Voorts vindt de verklaring van [belanghebbende 2] bevestiging in die van [getuige 2], die zegt dat [getuige] hem direct na het incident had verteld dat [slachtoffer 1]was neergeschoten door de verdachte. Het Gerecht acht daarom de verklaring van [belanghebbende 2] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Daaraan doet niet af dat zij over het gebeuren bij het CMC en over de omschrijving van [getuige] wisselend heeft verklaard.
De genoemde getuigenverklaringen en de herkenning van [belanghebbende 2] in combinatie bezien met de historische gegevens van het bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer die hem ten tijde van het schietincident in de omgeving van de plaats delict plaatsen, schreeuwen om een verklaring van de verdachte, die echter is uitgebleven. Het Gerecht concludeert dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte degene is geweest die het schot op [slachtoffer 1] heeft gelost.
Nu er onvoldoende aanwijzingen aan het dossier zijn te ontlenen dat sprake was van voorbedachte rade zal het Gerecht de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. Het Gerecht acht de ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Feiten
Op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, stelt het Gerecht de volgende gang van zaken vast.
In de avond van 31 mei 2024 zijn vier jongemannen [medeverdachte 1], [verdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 2] in een pick-up op dievenpad gegaan. Daarbij was op voorhand een adres uitgekozen waar wat te halen zou vallen. [medeverdachte 1] verklaart in dit verband dat een beroving het plan was en dat hij daarom een vuurwapen meenam.
[medeverdachte 1] heeft meteen bij de politie verklaard dat hij degene is geweest die op het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft geschoten.
Op de dag ervoor en op de dag zelf heeft [medeverdachte 1] meerdere malen de (omgeving van de) woning voor verkend. Hij wou, zoals hij zelf heeft verklaard, weten hoeveel mensen er aanwezig waren en of hij misschien kon zien wie hij zal tegenkomen tijdens de beroving.
Eenmaal ter plaatse die bewuste avond zijn [medeverdachte 1], [verdachte 2] en [verdachte] met gemaskerde gezichten uit de pick-up gestapt en naar de bewuste woning gerend. [medeverdachte 2] nam plaats achter het stuur van de pick-up en reed weg. Bij het wegrijden passeerde [medeverdachte 2] de woning en zag één van de mannen over de afrastering springen.
Omdat beide auto’s van de bewoners in de carport stonden en de deur van de woning open stond moet het voor de verdachten duidelijk zijn geweest dat de bewoners thuis waren. [medeverdachte 1] verklaart in dit verband expliciet dat hij wist dat er personen thuis moesten zijn en dat hij zijn vuurwapen, eenmaal aangekomen in de kamer waar hij niemand aantrof, daarom geladen heeft.
Uit de verklaringen van aangeefster, [medeverdachte 1] en [verdachte 2] blijkt dat alle drieverdachten de woning zijn binnen gegaan en dat zij alle drie, aldus [medeverdachte 1] en [verdachte], beschikten over een vuurwapen. De verklaringen van [verdachte] dat hij niet in de woning is geweest respectievelijk van [verdachte 2] dat hij geen vuurwapen had worden daarom als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
De verdachten werden betrapt door de bewoners en in een confrontatie heeft [medeverdachte 1] een schot gelost op het slachtoffer [slachtoffer 2]. De echtgenote van [slachtoffer 2] is bedreigd met een vuurwapen en, onder toepassing van geweld, gevraagd naar geld. Alle drie verdachten hebben de woning doorzocht op zoek naar te stelen spullen en daarbij ook de slaapkamer waar het zoontje sliep niet ongemoeid gelaten. Uiteindelijk zijn zij er met zijn drieën met onder meer een auto en diverse sieraden vandoor gegaan.
Gekwalificeerde doodslag
De kern van deze strafbaarstelling bestaat uit een doodslag die in een onmiddellijk verband staat met een ander strafbaar feit, zowel in causaal opzicht als wat het tijdstip van het zich voordoen van de feiten betreft. Het andere feit (oorsprongsfeit) moet de doodslag in zo’n mate vergezellen of van nabij volgen of daaraan voorafgaan dat het geacht kan worden er één geheel van uit te maken met als nadere beperking van de reikwijdte van de strafbaarstelling het (bijkomende) oogmerk van verdachte dat de doodslag is gericht op het voorbereiden, gemakkelijk maken van of straffeloosheid of bezit van het gestolene verzekeren voor dat andere oorsprongsfeit.
Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van het Gerecht worden afgeleid dat de doodslag in onmiddellijk verband staat met de diefstal met geweld, causaal en qua tijdstip. Het Gerecht kan aan het handelen van de verdachte [medeverdachte 1] geen andere conclusie verbinden dan dat hij met het doden van het slachtoffer [slachtoffer 2] het voor strafbaarheid van gekwalificeerde doodslag benodigde oogmerk heeft gehad de diefstal gemakkelijk te maken dan wel straffeloosheid of het bezit van de weggenomen goederen te verzekeren. Immers, ook nadat het slachtoffer was neergeschoten, vervolgden verdachten hun plan door de kamers te doorzoeken en de echtgenote van het slachtoffer met (bedreiging met) geweld om geld en autosleutels te vragen.
Medeplegen
Het gezamenlijke voornemen was om te gaan stelen in de woning van de familie [benadeelde partij 2]. De drie verdachten [medeverdachte 1], [verdachte 2] en [verdachte] hebben daartoe hun gezichten bedekt en zich bewapend met vuurwapens, waarvan zij over en weer op de hoogte waren.
Zij zijn gezamenlijk de woning binnengegaan en hebben ook nadat het dodelijke schot was gevallen de uitvoering van het beoogde misdrijf voortgezet en voltooid.
Alles overziend is het Gerecht dan ook van oordeel dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het feit en nauw en volledig heeft samengewerkt met de medeverdachten.
Voorwaardelijk opzet
Het Gerecht is voorts van oordeel dat niet alleen de schutter [medeverdachte 1] maar ook [verdachte 2] en [verdachte] aldus voorwaardelijk opzet hebben gehad op de dood van het slachtoffer [slachtoffer 2].
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier (gekwalificeerde) doodslag - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De verdachte en de twee medeverdachten zijn voorzien van vuurwapens het huis binnen gegaan om daar te stelen, wetende dat de bewoners thuis waren. De kans op een confrontatie met of verzet van de bewoners en dat in reactie daarop met één van de vuurwapens kan worden geschoten en het slachtoffer dodelijk kan worden getroffen, is aanmerkelijk te noemen. Dat alle drie verdachten deze kans ook bewust hebben aanvaard of op zijn minst op de koop toe hebben genomen volgt onmiskenbaar uit de bewijsmiddelen.
Het Gerecht acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een gekwalificeerde doodslag.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder feit 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Doodslag.
Het onder feit 2 primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:260 juncto 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van gekwalificeerde doodslag.
Het onder feit 3 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.
Het onder feit 4 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Dictum
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 impliciet primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 26 (zesentwintig) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 29.050,34 (zegge: negenentwintigduizend vijftig gulden en vierendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 september 2023 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 29.050,34 (zegge: negenentwintigduizend vijftig gulden en vierendertig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 180 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2023 tot aan de dag van de voldoening;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 38.210,31 (zegge: achtendertigduizend tweehonderdtien gulden en eenendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 38.210,31 (zegge: achtendertigduizend tweehonderdtien gulden en eenendertig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 226 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2 ]namens [belanghebbende 1] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 20.000,= (zegge: twintigduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] namens [belanghebbende 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 20.000,= (zegge: twintigduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 135 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024 tot aan de dag van de voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komen te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan het Land in zoverre komen te vervallen;
bepaalt ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 2] namens [belanghebbende 1], voor zover toegewezen, dat indien en voor zover (een van) de mededader(s) van de verdachte voormelde bedragen heeft betaald aan de benadeelde partijen of het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen of aan het Land.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. H.R. Bracht, bijgestaan door mr. C. Anselma-Bernsen, zittingsgriffier, en op 29 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao d.d. 19 november 2024, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “Shon Fiel” en de aanvullingen daarop d.d. 17 december 2024 en 18 december 2024 alsmede in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao d.d. 22 augustus 2024, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “Reiger” en de aanvulling daarop d.d. 27 oktober 2024.
Verklaring van de verdachte als getuige ter terechtzitting van 20 december 2024, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.
Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 19 december 2024, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.
Inleiding
2:291 lid 3 Wetboek van Strafrecht
Feit 3
hij Op of omstreeks 23 September 2023, althans in de maand September 2023 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad; (artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Feit 4
hij in of omstreeks de periode van 31 mei 2024 tot en met 9 juni 2024, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad; (artikel 3 j° 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1
hij op 23 september 2023 te Curaçao, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen op die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;
Feit 2 primair
hij op 31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet (vanaf korte afstand) met een vuurwapen, op die [slachtoffer 2] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd en vergezeld van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] en/of [belanghebbende 1], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededaders straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
Feit 3
hij op 23 september 2023 in Curaçao een vuurwapen en munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad;
Feit 4
hij in de periode van 31 mei 2024 tot en met 9 juni 2024 in Curaçao tezamen en in vereniging met een ander of anderen vuurwapens en munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
Ten aanzien van de feiten 1 en 3 (onderzoek Shon Fiel):
1. Een proces-verbaal van bevinding onderzoek Curaçao Medical Center d.d. 24 september 2023, voor zover inhoudende:
Op 23 september 2023 omstreeks 20:04 uur kreeg ik, verbalisant, een melding dat een mannelijk slachtoffer bij het Curaçao Medical Center in een privéauto zich had gemeld met een schotverwonding. Daar aangekomen werd ik op de hoogte gesteld dat een witgelakte SUV het slachtoffer bij het CMC had afgezet. Het slachtoffer [slachtoffer 1] was in aanwezigheid van de [belanghebbende 2]. Die dag om 20:30 uur werd het overlijden van het slachtoffer vastgesteld. Omstreeks 21:49 uur werd met de vader [vader van slachtoffer 1] een lijkherkenning gehouden. De vader herkende het slachtoffer als zijn zoon [slachtoffer 1].
2. Een proces-verbaal bezichtigen videobeelden van CMC d.d. 24 september 2023, voor zover inhoudende:
Op 23 september 2023 omstreeks 19:47 uur kwam er bij de centrale meldkamer een melding binnen van Curaçao Medical Center dat een slachtoffer in een kritieke toestand was achtergelaten. Ik verbalisant werd in de gelegenheid gesteld beelden van het afzetten van het slachtoffer bij het CMC te bekijken. Het tijdstip van het afzetten van het slachtoffer was tussen 19:41 en 19:44 uur.
3. Een geschrift te weten een kopie van een autopsierapport d.d. 28 september 2023, opgesteld door dr. F.R.W. van de Goot, arts en forensisch patholoog, voor zover inhoudende:
Bij sectie werd een schotbaan gezien. Deze verliep van letsel A, links hoog aan de borst, van boven naar onderen, iets naar rechts en naar achteren. In de schotbaan lag de ondersleutelbeen ruimte, de bovenkwab van de linkerlong en de linkerboezem van het hart. Tevens waren er twee perforaties van het hartzakje, een linksboven en een midden achter. Los in de linker borsthelft was een geelwit metalen kogel.
Gezien de bloeduitstorting in de weefsels, de grote hoeveelheid bloed in de borstholte en zondermeer gezien de mededeling dat het slachtoffer levend/reanimatiebehoeftig het ziekenhuis zou hebben bereikt was het letsel bij leven opgelopen. Het verklaart het intreden van de dood zondermeer op basis van bloedverlies en functieverlies van het hart. Een andere doodsoorzaak was niet aanwijsbaar.
Definitieve conclusie
Bij [slachtoffer 1], oud 25 jaren, was bloedverlies en uitval van de hartfunctie ten gevolge van enkelvoudig schotletsel de oorzaak van het intreden van de dood.
4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [belanghebbende 2] d.d. 24 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [belanghebbende 2]:
De naam van mijn vriend is [slachtoffer 1]. Op 23 september 2023 gingen wij richting huis. Een vriend die samen met ons in de auto was deelde ons mede dat er een verjaardag was en om even langs te gaan. Dit is de beste vriend van [slachtoffer 1]. Hij wordt “[vreind van slachtoffer 1]” genoemd, of [vriend van slachtoffer 1]. Wij reden naar Otrobanda naar de [adres 2]. Toen we bij de plek arriveerden zag ik een man die een sein met [slachtoffer 1] deed om te stoppen.
[Slachtoffer 1] zette de auto aan de kant en stapte uit de auto. De persoon die een sein had gegeven kwam aanlopen. Ik zag dat zij elkaar met een vuist hadden gegroet. Zij bleven ongeveer twee minuten praten en ik hoorde plotseling een schot afgaan. [Slachtoffer 1] riep “e gai a tira mi sua” (verbalisant: “de man heeft mij geschoten man”). [Slachtoffer 1] stapte in de auto achter het stuur.
Vraag verbalisant: was dezelfde man die [slachtoffer 1] had gegroet, de persoon die hem had geschoten? Antwoord: ja, hij was de enige daar.
Feiten
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een doodslag als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 tot 12 jaren gegeven, voor een gekwalificeerde doodslag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren en voor vuurwapenbezit op straat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 tot 24 maanden (bij recidive dezelfde duur geheel onvoorwaardelijk).
De verdachte heeft binnen een tijdsbestek van negen maanden twee levensdelicten gepleegd. Op 23 september 2023 heeft hij midden op straat met een vuurwapen een jonge man van het leven beroofd. Het slachtoffer werd door zijn vriendin en een vriend naar het ziekenhuis gebracht alwaar hij overleed. Het slachtoffer was pas 25 jaren oud. Vervolgens heeft verdachte in de late avond van 31 mei 2024 samen met anderen meegedaan aan een gewapende overval op een woning. De overvallers werden betrapt door de bewoners en één van de medeverdachten schoot met een vuurwapen op de mannelijke bewoner. Vervolgens zijn verdachte en de medeverdachten, op meedogenloze wijze, gewoon doorgegaan met het uitvoeren van hun plan. Daarbij heeft de echtgenote machteloos moeten toezien hoe haar man lag te sterven, terwijl ze weerhouden werd om hulp te verlenen en ze zelf ook in doodsangst verkeerde. Hun elfjarige zoontje lag in bed, en heeft het schot gehoord, maar heeft zich uit angst slapende gehouden. Uiteindelijk zijn de verdachte en zijn mededaders er onder meer met een auto, telefoons en sieraden vandoor gegaan. Tot slot heeft de verdachte vuurwapens en munitie voorhanden gehad. Dat vuurwapens gevaarlijk zijn behoeft geen betoog en het gevaar heeft zich in deze beide zaken op gruwelijke wijze verwezenlijkt. Door het gedrag van de verdachte is aan de twee dodelijke slachtoffers het meest kostbare bezit van een mens -het leven- ontnomen en aan de nabestaanden onbeschrijflijk verdriet toegebracht. Hoe pijnlijk het verlies van een dierbare als gevolg van een misdrijf kan zijn bleek toen ter terechtzitting de moeder van het eerste slachtoffer en de echtgenote van het tweede slachtoffer het woord voerden. Het leed dat zij beschreven was voelbaar. Een dergelijk feit schokt de samenleving en veroorzaakt gevoelens van angst en onrust.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Gerecht heeft acht geslagen op de rapporten die over de verdachte zijn opgemaakt:
Een psychologisch rapport van drs. H.W.T. Linkels en S. Wichard MSc d.d. 28 juli 2024;
Een rapport van de psychiater F.G.M. Heijtel d.d. 12 december 2024;
Een rapport van de Reclassering d.d. 19 december 2024.
Volgens de deskundigen zijn er geen aanwijzingen voor een psychische stoornis en is de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op recidice wordt door de psychologen en de reclassering als hoog ingeschat. De psychiater onthoudt zich van een uitspraak over de recidivekans omdat door zijn zwijgzame opstelling geen inzicht is verkregen in de gedachtengang van de verdachte. Om dezelfde reden geeft de psychiater geen advies over eventuele toepassing van jeugdstrafrecht. Gezien de sociaal-emotionele ontwikkeling, de beperkte kans op pedagogische beïnvloeding, de mogelijkheid van negatieve invloed op andere jong-volwassenen, en de ernst van de delicten adviseren de psychologen om volwassenenstrafrecht toe te passen. De reclassering sluit zich daarbij aan.
Ten tijde van beide schietincidenten was de verdachte pas 19 jaar oud. Hij heeft een blanco strafblad. Het feit dat hij op zo’n jonge leeftijd al in staat is om in een relatief korte periode meermalen een eind te maken aan levens van anderen baart grote zorg en doet vrezen voor de toekomst. Te meer nu de verdachte zich tijdens dit strafproces vooral in stilzwijgen heeft gehuld en dus ook geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad. Daardoor zijn het hoe en waarom van de doodslag op [slachtoffer 1] in het ongewisse gebleven. Dit versterkt het verdriet van de nabestaanden en zal altijd aan hen blijven knagen. Over de overval op de familie [benadeelde partij 2] heeft de verdachte pas bij de deskundigen en tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting enige openheid van zaken gegeven, maar hij heeft daarbij zijn rol tot het minimale willen beperken. Deze proceshouding getuigt niet van verantwoordelijkheidsgevoel, moreel besef van het laakbare van zijn handelen en inlevingsvermogen.
Overigens houdt het Gerecht rekening met het feit dat de verdachte bij de woningoverval niet de schutter was, maar dat doet aan het voorgaande niet af.
Alles afwegende acht het Gerecht een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren passend en geboden.
Schadevergoeding
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 9.050,34 aan materiële schade (begrafeniskosten) en NAf 20.000,= als voorschot immateriële schade (shockschade).
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van verdachtes onder feit 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van NAf 9.050,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2023. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering, welke inhoudelijk niet door de raadsman is betwist, tot dat bedrag toewijsbaar is.
Immateriële schade
In casu ligt de vraag voor of aan het confrontatievereiste, dat door de benadeelde partij aan de vordering ten grondslag is gelegd, is voldaan. Uit de jurisprudentie kan als maatstaf worden afgeleid de vraag of de (ongewilde en onvoorbereide) waarneming van het lichaam en/of de verwondingen meteen na het misdrijf een hevige schok hebben veroorzaakt.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] is de moeder van het slachtoffer [slachtoffer 1]. Uit de bij haar vordering gevoegde brief en de ter terechtzitting door [benadeelde partij 1] gegeven toelichting blijkt dat zij kort na de schietpartij haar zoon in het ziekenhuis heeft zien sterven en dat de gruwelijke beelden van de laatste momenten van haar zoon eeuwig op haar netvlies blijven. Zij heeft professionele hulp bij een psycholoog gezocht maar ze is nog niet klaar voor de behandeling, zo maakt het Gerecht op uit de brief. Ondertussen ervaart zij angst, verdriet en slapeloze nachten met veel nachtmerries.
Naar het oordeel van het Gerecht is voldaan aan het confrontatievereiste. [benadeelde partij 1] is plotseling in het ziekenhuis geconfronteerd met haar stervende zoon.
Inleiding
2:291 lid 3 Wetboek van Strafrecht
Feit 3
hij Op of omstreeks 23 September 2023, althans in de maand September 2023 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad; (artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Feit 4
hij in of omstreeks de periode van 31 mei 2024 tot en met 9 juni 2024, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad; (artikel 3 j° 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1
hij op 23 september 2023 te Curaçao, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen op die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;
Feit 2 primair
hij op 31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet (vanaf korte afstand) met een vuurwapen, op die [slachtoffer 2] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd en vergezeld van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] en/of [belanghebbende 1], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededaders straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
Feit 3
hij op 23 september 2023 in Curaçao een vuurwapen en munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad;
Feit 4
hij in de periode van 31 mei 2024 tot en met 9 juni 2024 in Curaçao tezamen en in vereniging met een ander of anderen vuurwapens en munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
Ten aanzien van de feiten 1 en 3 (onderzoek Shon Fiel):
1. Een proces-verbaal van bevinding onderzoek Curaçao Medical Center d.d. 24 september 2023, voor zover inhoudende:
Op 23 september 2023 omstreeks 20:04 uur kreeg ik, verbalisant, een melding dat een mannelijk slachtoffer bij het Curaçao Medical Center in een privéauto zich had gemeld met een schotverwonding. Daar aangekomen werd ik op de hoogte gesteld dat een witgelakte SUV het slachtoffer bij het CMC had afgezet. Het slachtoffer [slachtoffer 1] was in aanwezigheid van de [belanghebbende 2]. Die dag om 20:30 uur werd het overlijden van het slachtoffer vastgesteld. Omstreeks 21:49 uur werd met de vader [vader van slachtoffer 1] een lijkherkenning gehouden. De vader herkende het slachtoffer als zijn zoon [slachtoffer 1].
2. Een proces-verbaal bezichtigen videobeelden van CMC d.d. 24 september 2023, voor zover inhoudende:
Op 23 september 2023 omstreeks 19:47 uur kwam er bij de centrale meldkamer een melding binnen van Curaçao Medical Center dat een slachtoffer in een kritieke toestand was achtergelaten. Ik verbalisant werd in de gelegenheid gesteld beelden van het afzetten van het slachtoffer bij het CMC te bekijken. Het tijdstip van het afzetten van het slachtoffer was tussen 19:41 en 19:44 uur.
3. Een geschrift te weten een kopie van een autopsierapport d.d. 28 september 2023, opgesteld door dr. F.R.W. van de Goot, arts en forensisch patholoog, voor zover inhoudende:
Bij sectie werd een schotbaan gezien. Deze verliep van letsel A, links hoog aan de borst, van boven naar onderen, iets naar rechts en naar achteren. In de schotbaan lag de ondersleutelbeen ruimte, de bovenkwab van de linkerlong en de linkerboezem van het hart. Tevens waren er twee perforaties van het hartzakje, een linksboven en een midden achter. Los in de linker borsthelft was een geelwit metalen kogel.
Gezien de bloeduitstorting in de weefsels, de grote hoeveelheid bloed in de borstholte en zondermeer gezien de mededeling dat het slachtoffer levend/reanimatiebehoeftig het ziekenhuis zou hebben bereikt was het letsel bij leven opgelopen. Het verklaart het intreden van de dood zondermeer op basis van bloedverlies en functieverlies van het hart. Een andere doodsoorzaak was niet aanwijsbaar.
Definitieve conclusie
Bij [slachtoffer 1], oud 25 jaren, was bloedverlies en uitval van de hartfunctie ten gevolge van enkelvoudig schotletsel de oorzaak van het intreden van de dood.
4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [belanghebbende 2] d.d. 24 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [belanghebbende 2]:
De naam van mijn vriend is [slachtoffer 1]. Op 23 september 2023 gingen wij richting huis. Een vriend die samen met ons in de auto was deelde ons mede dat er een verjaardag was en om even langs te gaan. Dit is de beste vriend van [slachtoffer 1]. Hij wordt “[vreind van slachtoffer 1]” genoemd, of [vriend van slachtoffer 1]. Wij reden naar Otrobanda naar de [adres 2]. Toen we bij de plek arriveerden zag ik een man die een sein met [slachtoffer 1] deed om te stoppen.
[Slachtoffer 1] zette de auto aan de kant en stapte uit de auto. De persoon die een sein had gegeven kwam aanlopen. Ik zag dat zij elkaar met een vuist hadden gegroet. Zij bleven ongeveer twee minuten praten en ik hoorde plotseling een schot afgaan. [Slachtoffer 1] riep “e gai a tira mi sua” (verbalisant: “de man heeft mij geschoten man”). [Slachtoffer 1] stapte in de auto achter het stuur.
Vraag verbalisant: was dezelfde man die [slachtoffer 1] had gegroet, de persoon die hem had geschoten? Antwoord: ja, hij was de enige daar.
Feiten
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een doodslag als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 tot 12 jaren gegeven, voor een gekwalificeerde doodslag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren en voor vuurwapenbezit op straat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 tot 24 maanden (bij recidive dezelfde duur geheel onvoorwaardelijk).
De verdachte heeft binnen een tijdsbestek van negen maanden twee levensdelicten gepleegd. Op 23 september 2023 heeft hij midden op straat met een vuurwapen een jonge man van het leven beroofd. Het slachtoffer werd door zijn vriendin en een vriend naar het ziekenhuis gebracht alwaar hij overleed. Het slachtoffer was pas 25 jaren oud. Vervolgens heeft verdachte in de late avond van 31 mei 2024 samen met anderen meegedaan aan een gewapende overval op een woning. De overvallers werden betrapt door de bewoners en één van de medeverdachten schoot met een vuurwapen op de mannelijke bewoner. Vervolgens zijn verdachte en de medeverdachten, op meedogenloze wijze, gewoon doorgegaan met het uitvoeren van hun plan. Daarbij heeft de echtgenote machteloos moeten toezien hoe haar man lag te sterven, terwijl ze weerhouden werd om hulp te verlenen en ze zelf ook in doodsangst verkeerde. Hun elfjarige zoontje lag in bed, en heeft het schot gehoord, maar heeft zich uit angst slapende gehouden. Uiteindelijk zijn de verdachte en zijn mededaders er onder meer met een auto, telefoons en sieraden vandoor gegaan. Tot slot heeft de verdachte vuurwapens en munitie voorhanden gehad. Dat vuurwapens gevaarlijk zijn behoeft geen betoog en het gevaar heeft zich in deze beide zaken op gruwelijke wijze verwezenlijkt. Door het gedrag van de verdachte is aan de twee dodelijke slachtoffers het meest kostbare bezit van een mens -het leven- ontnomen en aan de nabestaanden onbeschrijflijk verdriet toegebracht. Hoe pijnlijk het verlies van een dierbare als gevolg van een misdrijf kan zijn bleek toen ter terechtzitting de moeder van het eerste slachtoffer en de echtgenote van het tweede slachtoffer het woord voerden. Het leed dat zij beschreven was voelbaar. Een dergelijk feit schokt de samenleving en veroorzaakt gevoelens van angst en onrust.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Gerecht heeft acht geslagen op de rapporten die over de verdachte zijn opgemaakt:
Een psychologisch rapport van drs. H.W.T. Linkels en S. Wichard MSc d.d. 28 juli 2024;
Een rapport van de psychiater F.G.M. Heijtel d.d. 12 december 2024;
Een rapport van de Reclassering d.d. 19 december 2024.
Volgens de deskundigen zijn er geen aanwijzingen voor een psychische stoornis en is de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op recidice wordt door de psychologen en de reclassering als hoog ingeschat. De psychiater onthoudt zich van een uitspraak over de recidivekans omdat door zijn zwijgzame opstelling geen inzicht is verkregen in de gedachtengang van de verdachte. Om dezelfde reden geeft de psychiater geen advies over eventuele toepassing van jeugdstrafrecht. Gezien de sociaal-emotionele ontwikkeling, de beperkte kans op pedagogische beïnvloeding, de mogelijkheid van negatieve invloed op andere jong-volwassenen, en de ernst van de delicten adviseren de psychologen om volwassenenstrafrecht toe te passen. De reclassering sluit zich daarbij aan.
Ten tijde van beide schietincidenten was de verdachte pas 19 jaar oud. Hij heeft een blanco strafblad. Het feit dat hij op zo’n jonge leeftijd al in staat is om in een relatief korte periode meermalen een eind te maken aan levens van anderen baart grote zorg en doet vrezen voor de toekomst. Te meer nu de verdachte zich tijdens dit strafproces vooral in stilzwijgen heeft gehuld en dus ook geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad. Daardoor zijn het hoe en waarom van de doodslag op [slachtoffer 1] in het ongewisse gebleven. Dit versterkt het verdriet van de nabestaanden en zal altijd aan hen blijven knagen. Over de overval op de familie [benadeelde partij 2] heeft de verdachte pas bij de deskundigen en tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting enige openheid van zaken gegeven, maar hij heeft daarbij zijn rol tot het minimale willen beperken. Deze proceshouding getuigt niet van verantwoordelijkheidsgevoel, moreel besef van het laakbare van zijn handelen en inlevingsvermogen.
Overigens houdt het Gerecht rekening met het feit dat de verdachte bij de woningoverval niet de schutter was, maar dat doet aan het voorgaande niet af.
Alles afwegende acht het Gerecht een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren passend en geboden.
Schadevergoeding
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 9.050,34 aan materiële schade (begrafeniskosten) en NAf 20.000,= als voorschot immateriële schade (shockschade).
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van verdachtes onder feit 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van NAf 9.050,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2023. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering, welke inhoudelijk niet door de raadsman is betwist, tot dat bedrag toewijsbaar is.
Immateriële schade
In casu ligt de vraag voor of aan het confrontatievereiste, dat door de benadeelde partij aan de vordering ten grondslag is gelegd, is voldaan. Uit de jurisprudentie kan als maatstaf worden afgeleid de vraag of de (ongewilde en onvoorbereide) waarneming van het lichaam en/of de verwondingen meteen na het misdrijf een hevige schok hebben veroorzaakt.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] is de moeder van het slachtoffer [slachtoffer 1]. Uit de bij haar vordering gevoegde brief en de ter terechtzitting door [benadeelde partij 1] gegeven toelichting blijkt dat zij kort na de schietpartij haar zoon in het ziekenhuis heeft zien sterven en dat de gruwelijke beelden van de laatste momenten van haar zoon eeuwig op haar netvlies blijven. Zij heeft professionele hulp bij een psycholoog gezocht maar ze is nog niet klaar voor de behandeling, zo maakt het Gerecht op uit de brief. Ondertussen ervaart zij angst, verdriet en slapeloze nachten met veel nachtmerries.
Naar het oordeel van het Gerecht is voldaan aan het confrontatievereiste. [benadeelde partij 1] is plotseling in het ziekenhuis geconfronteerd met haar stervende zoon.
Inleiding
2:291 lid 3 Wetboek van Strafrecht
Feit 3
hij Op of omstreeks 23 September 2023, althans in de maand September 2023 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad; (artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Feit 4
hij in of omstreeks de periode van 31 mei 2024 tot en met 9 juni 2024, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad; (artikel 3 j° 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1
hij op 23 september 2023 te Curaçao, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen op die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;
Feit 2 primair
hij op 31 mei 2024 in Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet (vanaf korte afstand) met een vuurwapen, op die [slachtoffer 2] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd en vergezeld van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 2] en/of [belanghebbende 1], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededaders straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
Feit 3
hij op 23 september 2023 in Curaçao een vuurwapen en munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad;
Feit 4
hij in de periode van 31 mei 2024 tot en met 9 juni 2024 in Curaçao tezamen en in vereniging met een ander of anderen vuurwapens en munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
Ten aanzien van de feiten 1 en 3 (onderzoek Shon Fiel):
1. Een proces-verbaal van bevinding onderzoek Curaçao Medical Center d.d. 24 september 2023, voor zover inhoudende:
Op 23 september 2023 omstreeks 20:04 uur kreeg ik, verbalisant, een melding dat een mannelijk slachtoffer bij het Curaçao Medical Center in een privéauto zich had gemeld met een schotverwonding. Daar aangekomen werd ik op de hoogte gesteld dat een witgelakte SUV het slachtoffer bij het CMC had afgezet. Het slachtoffer [slachtoffer 1] was in aanwezigheid van de [belanghebbende 2]. Die dag om 20:30 uur werd het overlijden van het slachtoffer vastgesteld. Omstreeks 21:49 uur werd met de vader [vader van slachtoffer 1] een lijkherkenning gehouden. De vader herkende het slachtoffer als zijn zoon [slachtoffer 1].
2. Een proces-verbaal bezichtigen videobeelden van CMC d.d. 24 september 2023, voor zover inhoudende:
Op 23 september 2023 omstreeks 19:47 uur kwam er bij de centrale meldkamer een melding binnen van Curaçao Medical Center dat een slachtoffer in een kritieke toestand was achtergelaten. Ik verbalisant werd in de gelegenheid gesteld beelden van het afzetten van het slachtoffer bij het CMC te bekijken. Het tijdstip van het afzetten van het slachtoffer was tussen 19:41 en 19:44 uur.
3. Een geschrift te weten een kopie van een autopsierapport d.d. 28 september 2023, opgesteld door dr. F.R.W. van de Goot, arts en forensisch patholoog, voor zover inhoudende:
Bij sectie werd een schotbaan gezien. Deze verliep van letsel A, links hoog aan de borst, van boven naar onderen, iets naar rechts en naar achteren. In de schotbaan lag de ondersleutelbeen ruimte, de bovenkwab van de linkerlong en de linkerboezem van het hart. Tevens waren er twee perforaties van het hartzakje, een linksboven en een midden achter. Los in de linker borsthelft was een geelwit metalen kogel.
Gezien de bloeduitstorting in de weefsels, de grote hoeveelheid bloed in de borstholte en zondermeer gezien de mededeling dat het slachtoffer levend/reanimatiebehoeftig het ziekenhuis zou hebben bereikt was het letsel bij leven opgelopen. Het verklaart het intreden van de dood zondermeer op basis van bloedverlies en functieverlies van het hart. Een andere doodsoorzaak was niet aanwijsbaar.
Definitieve conclusie
Bij [slachtoffer 1], oud 25 jaren, was bloedverlies en uitval van de hartfunctie ten gevolge van enkelvoudig schotletsel de oorzaak van het intreden van de dood.
4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [belanghebbende 2] d.d. 24 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [belanghebbende 2]:
De naam van mijn vriend is [slachtoffer 1]. Op 23 september 2023 gingen wij richting huis. Een vriend die samen met ons in de auto was deelde ons mede dat er een verjaardag was en om even langs te gaan. Dit is de beste vriend van [slachtoffer 1]. Hij wordt “[vreind van slachtoffer 1]” genoemd, of [vriend van slachtoffer 1]. Wij reden naar Otrobanda naar de [adres 2]. Toen we bij de plek arriveerden zag ik een man die een sein met [slachtoffer 1] deed om te stoppen.
[Slachtoffer 1] zette de auto aan de kant en stapte uit de auto. De persoon die een sein had gegeven kwam aanlopen. Ik zag dat zij elkaar met een vuist hadden gegroet. Zij bleven ongeveer twee minuten praten en ik hoorde plotseling een schot afgaan. [Slachtoffer 1] riep “e gai a tira mi sua” (verbalisant: “de man heeft mij geschoten man”). [Slachtoffer 1] stapte in de auto achter het stuur.
Vraag verbalisant: was dezelfde man die [slachtoffer 1] had gegroet, de persoon die hem had geschoten? Antwoord: ja, hij was de enige daar.
Feiten
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een doodslag als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 tot 12 jaren gegeven, voor een gekwalificeerde doodslag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren en voor vuurwapenbezit op straat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 tot 24 maanden (bij recidive dezelfde duur geheel onvoorwaardelijk).
De verdachte heeft binnen een tijdsbestek van negen maanden twee levensdelicten gepleegd. Op 23 september 2023 heeft hij midden op straat met een vuurwapen een jonge man van het leven beroofd. Het slachtoffer werd door zijn vriendin en een vriend naar het ziekenhuis gebracht alwaar hij overleed. Het slachtoffer was pas 25 jaren oud. Vervolgens heeft verdachte in de late avond van 31 mei 2024 samen met anderen meegedaan aan een gewapende overval op een woning. De overvallers werden betrapt door de bewoners en één van de medeverdachten schoot met een vuurwapen op de mannelijke bewoner. Vervolgens zijn verdachte en de medeverdachten, op meedogenloze wijze, gewoon doorgegaan met het uitvoeren van hun plan. Daarbij heeft de echtgenote machteloos moeten toezien hoe haar man lag te sterven, terwijl ze weerhouden werd om hulp te verlenen en ze zelf ook in doodsangst verkeerde. Hun elfjarige zoontje lag in bed, en heeft het schot gehoord, maar heeft zich uit angst slapende gehouden. Uiteindelijk zijn de verdachte en zijn mededaders er onder meer met een auto, telefoons en sieraden vandoor gegaan. Tot slot heeft de verdachte vuurwapens en munitie voorhanden gehad. Dat vuurwapens gevaarlijk zijn behoeft geen betoog en het gevaar heeft zich in deze beide zaken op gruwelijke wijze verwezenlijkt. Door het gedrag van de verdachte is aan de twee dodelijke slachtoffers het meest kostbare bezit van een mens -het leven- ontnomen en aan de nabestaanden onbeschrijflijk verdriet toegebracht. Hoe pijnlijk het verlies van een dierbare als gevolg van een misdrijf kan zijn bleek toen ter terechtzitting de moeder van het eerste slachtoffer en de echtgenote van het tweede slachtoffer het woord voerden. Het leed dat zij beschreven was voelbaar. Een dergelijk feit schokt de samenleving en veroorzaakt gevoelens van angst en onrust.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Gerecht heeft acht geslagen op de rapporten die over de verdachte zijn opgemaakt:
Een psychologisch rapport van drs. H.W.T. Linkels en S. Wichard MSc d.d. 28 juli 2024;
Een rapport van de psychiater F.G.M. Heijtel d.d. 12 december 2024;
Een rapport van de Reclassering d.d. 19 december 2024.
Volgens de deskundigen zijn er geen aanwijzingen voor een psychische stoornis en is de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op recidice wordt door de psychologen en de reclassering als hoog ingeschat. De psychiater onthoudt zich van een uitspraak over de recidivekans omdat door zijn zwijgzame opstelling geen inzicht is verkregen in de gedachtengang van de verdachte. Om dezelfde reden geeft de psychiater geen advies over eventuele toepassing van jeugdstrafrecht. Gezien de sociaal-emotionele ontwikkeling, de beperkte kans op pedagogische beïnvloeding, de mogelijkheid van negatieve invloed op andere jong-volwassenen, en de ernst van de delicten adviseren de psychologen om volwassenenstrafrecht toe te passen. De reclassering sluit zich daarbij aan.
Ten tijde van beide schietincidenten was de verdachte pas 19 jaar oud. Hij heeft een blanco strafblad. Het feit dat hij op zo’n jonge leeftijd al in staat is om in een relatief korte periode meermalen een eind te maken aan levens van anderen baart grote zorg en doet vrezen voor de toekomst. Te meer nu de verdachte zich tijdens dit strafproces vooral in stilzwijgen heeft gehuld en dus ook geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad. Daardoor zijn het hoe en waarom van de doodslag op [slachtoffer 1] in het ongewisse gebleven. Dit versterkt het verdriet van de nabestaanden en zal altijd aan hen blijven knagen. Over de overval op de familie [benadeelde partij 2] heeft de verdachte pas bij de deskundigen en tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting enige openheid van zaken gegeven, maar hij heeft daarbij zijn rol tot het minimale willen beperken. Deze proceshouding getuigt niet van verantwoordelijkheidsgevoel, moreel besef van het laakbare van zijn handelen en inlevingsvermogen.
Overigens houdt het Gerecht rekening met het feit dat de verdachte bij de woningoverval niet de schutter was, maar dat doet aan het voorgaande niet af.
Alles afwegende acht het Gerecht een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren passend en geboden.
Schadevergoeding
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 9.050,34 aan materiële schade (begrafeniskosten) en NAf 20.000,= als voorschot immateriële schade (shockschade).
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van verdachtes onder feit 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van NAf 9.050,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2023. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering, welke inhoudelijk niet door de raadsman is betwist, tot dat bedrag toewijsbaar is.
Immateriële schade
In casu ligt de vraag voor of aan het confrontatievereiste, dat door de benadeelde partij aan de vordering ten grondslag is gelegd, is voldaan. Uit de jurisprudentie kan als maatstaf worden afgeleid de vraag of de (ongewilde en onvoorbereide) waarneming van het lichaam en/of de verwondingen meteen na het misdrijf een hevige schok hebben veroorzaakt.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] is de moeder van het slachtoffer [slachtoffer 1]. Uit de bij haar vordering gevoegde brief en de ter terechtzitting door [benadeelde partij 1] gegeven toelichting blijkt dat zij kort na de schietpartij haar zoon in het ziekenhuis heeft zien sterven en dat de gruwelijke beelden van de laatste momenten van haar zoon eeuwig op haar netvlies blijven. Zij heeft professionele hulp bij een psycholoog gezocht maar ze is nog niet klaar voor de behandeling, zo maakt het Gerecht op uit de brief. Ondertussen ervaart zij angst, verdriet en slapeloze nachten met veel nachtmerries.
Naar het oordeel van het Gerecht is voldaan aan het confrontatievereiste. [benadeelde partij 1] is plotseling in het ziekenhuis geconfronteerd met haar stervende zoon.
Inleiding
De man die op [slachtoffer 1] had geschoten had een ontbloot bovenlijf en driekwart witte broek aan.
5. Een proces-verbaal nader verhoor verdachte [belanghebbende 2] d.d.27 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [belanghebbende 2]:
Toen wij aan kwamen rijden stond de schutter bij de hoek van de straat. De straatverlichting was van voldoende sterkte dat ik de schutter kon zien. Het raam van de auto waar ik zat stond helemaal open. De afstand tussen onze auto en de schutter was ongeveer drie meter.
6. Een proces-verbaal meerkeuze fotoconfrontatie met de verdachte [belanghebbende 2] d.d. 24 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [belanghebbende 2]:
De man afgebeeld op foto 1 is de man die op [slachtoffer 1] had geschoten.
7. Een proces-verbaal van bevinding bij meervoudige fotoconfrontatie met [belanghebbende 2] d.d. 24 september 2023:
Op 24 september 2023 werd een meervoudige fotoconfrontatie gehouden met [belanghebbende 2].
Op de sheet A onder nummer 1 staat afgebeeld [verdachte].
8. Een proces-verbaal meerkeuze fotoconfrontatie met de verdachte [belanghebbende 2] d.d. 25 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [belanghebbende 2]:
De man afgebeeld op foto 9 is de man die op [slachtoffer 1] had neergeschoten.
9. Een proces-verbaal van bevinding bij meervoudige fotoconfrontatie met [belanghebbende 2] d.d. 25 september 2023:
Op 25 september 2023 werd nogmaals een meervoudige fotoconfrontatie gehouden met [belanghebbende 2].
Op de sheet B onder nummer 9 staat afgebeeld [verdachte].
10. Een proces-verbaal van verhoor getuige [vriend van slachtoffer 1] d.d. 25 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [vriend van slachtoffer 1]:
Op 23 september 2023 werd ik door [slachtoffer 1] opgehaald. [slachtoffer 1] was in gezelschap van zijn vriendin. [Slachtoffer 1] deelde mij mede om hem te herinneren om langs Otrobanda te gaan bij iemand. Wij reden toen naar een smalle steeg in Otrobanda. [slachtoffer 1] parkeerde auto aan de kant en stapte uit. Hij liep naar de achterkant van de auto en stond daar met de persoon te praten. Op een gegeven moment liep [slachtoffer 1] terug naar de auto en deelde mij mede dat hij geschoten werd.
Vraag: kan jij die persoon beschrijven waarmee [slachtoffer 1] stond te praten? De man had een bloot bovenlijf en driekwart broek aan.
11. Een proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 2] d.d.4 september 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2]:
Na het overlijden van [slachtoffer 1] heb ik met [vriend van slachtoffer 1] (het Gerecht begrijpt: getuige [vriend van slachtoffer 1]) gesproken. Meteen na het incident kwam [vriend van slachtoffer 1] naar me toe. [vriend van slachtoffer 1] vertelde dat [slachtoffer 1] was neergeschoten en dat [verdachte] (het Gerecht begrijpt: verdachte) de schutter was. Vraag: heeft [vriend van slachtoffer 1] zelf gezien dat [verdachte] de schutter was? Antwoord: ja dat heeft hij gezien.
12. Een proces-verbaal van bevinding belcontacten verdachte [verdachte] en [belanghebbende 3] d.d. 17 december 2024, voor zover inhoudende:
Bij analyse van de historische print gegevens is gebleken dat vanuit/naar het door de verdachte [verdachte], destijds gebruikte mobiele aansluitnummer [aansluitnummer 1], over de periode van 01 januari 2023 en tot 23 september 2023, belcontacten zijn tussen het in gebruik van de verdachte [verdachte] zijnde mobiele aansluitnummer en het in gebruik. zijnde mobiele aansluitnummer van zijn moeder (de vrouw [moeder van verdachte]), zijnde [aansluitnummer 2].
Tevens is uit de historische print gegevens gebleken dat er belcontacten zijn tussen het in gebruik van de verdachte [verdachte] zijnde mobiele aansluitnummer en het in gebruik zijnde mobiele aansluitnummer van zijn stiefvader, zijnde [aansluitnummer 3].
Uit deze onderzoek bevindingen werd vastgesteld dat de verdachte [verdachte], destijds gebruikte mobiele aansluitnummer [aansluitnummer 1]
Uit de historische print gegevens blijkt, dat op 23 september 2023, omstreeks 04:42 uur, zijnde op de dag van de schietpartij met dodelijk afloop, voor de schietpartij twee keren, vanuit een onbekend aansluitnummer naar het door de verdachte [verdachte], destijds gebruikte aansluitnummer [aansluitnummer 1], werd gebeld.
13. Een proces-verbaal van bevindingen historische gegevens d.d. 18 december 2024, voor zover inhoudende:
V.w.b. de ontvangen historische VLR-data en SGSN-data van het telefoonnummer [aansluitnummer 1] op 23 september 2023 kan het volgende worden gesteld:
Op 23 september 2023 om 18:18:53 wordt er verbinding opgezet via cellid [cell-id 1]. Op 23 september 2023 te 18:28:10 uur wordt verbinding opgezet via cellid [cell-id 2].
Op 23 september 2023 van 18:28:10 uur tot 21:28:17 uur bevindt het toestel zich opnieuw in het dekkingsgebied van de cell-id’s [cell-id 3], [cell-id 4] (Otrobanda) en zijn er 5 registraties te zien.
Op 16 december 2024 werd door gecertificeerde medewerkers van RST en KPC een netwerkmeting verricht op de plaats delict op [adres 2] te Willemstad. Daarbij werd onder andere vastgesteld dat de plaats delict zich onder meer bevindt in het dekkingsgebied van cell-id’s [cell-id 4] en [cell-id 5].
Ten aanzien van de feiten 2 primair en 4 (onderzoek Reiger):
14. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 4 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 2]:
Op 31 mei 2024 rond 23:25 uur zaten wij op de achter porch en wij hoorden de krabpaal van de katten omvallen. [Slachtoffer 2], mijn man, liep naar de woonkamer. Ik hoor een mannenstem “hey” zeggen en daarna hoor ik een schot. Ik zie [slachtoffer 2] vallen en zag drie personen en die zijn alle kamers afgegaan. Eentje kwam naar mij toe, greep me bij mijn shirt en vroeg voor geld. Hij is verder gegaan en kort daarna komt diezelfde dader terug. Hij plaatst zijn hand op mijn mond en ik zag dat deze dader zwarte wollen handschoenen droeg.
Op een gegeven moment dacht ik dat ze weg waren. Toen kwamen ze nog een keer terug. Hij heeft mij weer opgepakt en vroeg waar de sleutels waren. Toen had ik de heksleutels en die van de auto aan hem gegeven. Ik kon niks, zijn telefoon was ook weg.
Weggenomen goed: [auto van merk 1], mobiele telefoon merk [merk 2], mobiele telefoon merk [merk 3].
15. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 4 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 2]:
Er zijn meer spullen weg:
Gouden ketting met hanger;
Gouden armband.
Ten tijde van de overval was mijn zoon [belanghebbende 1] in zijn slaapkamer. Ik heb later aan hem gevraagd of hij wat gezien had. Hij was wakker geworden van een knal. Hij zag dat iemand zijn kamer doorzocht. [belanghebbende 1]heeft gedaan alsof hij sliep.
Op het moment dat de inbrekers terugkwamen, nadat ze voor de eerste keer weg waren gegaan, zag ik 1 persoon op mij aflopen met een pistool in zijn rechterhand op mij gericht.
16. Een geschrift, te weten een kopie van een autopsierapport d.d. 4 juni 2024, opgesteld door dr. L. Althaus, forensisch patholoog, voor zover inhoudende:
Autopsy [slachtoffer 2]
Conclusions:
1. perforating (“in-out”) gunshot trajectory could be found on the body:
Slightly ascending gunshot (ca. 5-10 degrees) from the frontal left to the right back with entry on the lower left frontal thorax below the 12.
Feiten
Dat dit bij haar een hevige schok heeft veroorzaakt acht het Gerecht voor de hand liggend, temeer nu zij nagenoeg vijf jaren geleden haar oudste zoon ook door een misdrijf heeft verloren.
Het Gerecht is bekend met de jurisprudentie waaruit volgt dat voor een toewijzing van de schade sprake moet zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat in beginsel uit een rapportage van een deskundige– waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – kan worden afgeleid.
Ondanks dat het Gerecht niet over een dergelijke rapportage beschikt neemt het Gerecht, gelet op de wijze waarop de benadeelde partij met de dood van haar zoon is geconfronteerd in combinatie met de gevolgen zoals zij die in haar brief heeft omschreven aan dat sprake is van geestelijk letsel en aldus van de immateriële schade zoals gevorderd.
Het Gerecht wijst aldus het voor de immateriële schade gevorderde bedrag van NAf 20.000,= toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2023.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De volgende posten zijn opgevoerd tot een totaal van NAf 42.642,35,:
NAf 21.120,= gestolen sieraden, ;
NAf 429,90 reparatie [telefoon 1];
NAf 645,58 waarde gestolen motor;
NAf 447,17 [spelcomputer];
NAf 20.000,= voorschot immateriële schade.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van verdachtes onder feit 2 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Dit betreft de posten 1, 2 en 4. Het Gerecht stelt vast dat deze schade, met uitzondering van de emotionele schade als gevolg van het verlies van de sierraden, genoegzaam met stukken is onderbouwd. De vordering, die niet inhoudelijk door de raadsman is betwist, komt dan ook in zoverre voor toewijzing in aanmerking.
Dat is anders voor de vordering voor zover deze post 3 betreft nu deze betrekking heeft op schade als gevolg van diefstal van een motor, dat niet ten laste is gelegd aan de verdachte.
De totaal toegewezen materiële schade bedraagt daarmee NAf 18.210,31, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024.
Voor het overige zal de vordering, voor zover het materiele schade betreft, niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voor de gevorderde immateriële schade geldt het volgende. [Benadeelde partij 2] heeft een gewelddadige overval in haar woning meegemaakt waarbij haar echtgenoot is doodgeschoten en voor haar ogen is gestorven. Ook [benadeelde partij 2] zelf is bedreigd met vuurwapens en er zijn geweldshandelingen met haar verricht. In dit geval is sprake van zowel een onrechtmatige daad tegen [benadeelde partij 2] zelf als van een directe confrontatie met de gevolgen van het tegen haar echtgenoot gepleegde delict.
Bij de vordering is een verklaring van een psycholoog gevoegd die geestelijk letsel vaststelt in de vorm van een andere gespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis. Traumabehandeling is op termijn, als betrokkene eraan toe is, geïndiceerd.
Het gevorderde bedrag van NAf 20.000,= voor de immateriële schade, wat evenmin door de raadsman is betwist, komt het Gerecht alleszins billijk voor en zal geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich ook namens haar zoon
[belanghebbende 1] in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van NAf 20.000,= als voorschot voor de geleden immateriële schade. De zoon destijds 11 jaar oud, lag tijdens de overval in bed en heeft het schot gehoord en heeft zijn moeder horen schreeuwen. Toen de overvallers zijn kamer doorzochten en daarbij ook zijn matras optilden heeft de zoon zich slapend gehouden. Volgens de bijgevoegde verklaring van een psycholoog zijn er traumaklachten en moet er een andere vorm van therapie worden ingezet omdat EMDR te overspoelend werkte. Uit een brief van Diekstra Van der Laan advocaten blijkt dat de zoon bovendien een Autisme Spectrum Stoornis heeft die belemmerend is voor de verwerking.
Ook voor de zoon acht het Gerecht het gevorderde, en niet betwiste, bedrag van NAf 20.000,= voor de immateriële schade billijk en dit zal dan ook geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024.
Het Gerecht stelt vast dat verdachte het onder 2 primair bewezenverklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd en dat verdachte en de medeverdachten naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Het Gerecht zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte/medeverdachten deze al heeft/hebben betaald, en andersom.
Het Gerecht ziet bij de drie vorderingen -voor zover toegewezen- aanleiding een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen.
Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
De proceskosten van de benadeelde partijen zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.
Inleiding
De man die op [slachtoffer 1] had geschoten had een ontbloot bovenlijf en driekwart witte broek aan.
5. Een proces-verbaal nader verhoor verdachte [belanghebbende 2] d.d.27 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [belanghebbende 2]:
Toen wij aan kwamen rijden stond de schutter bij de hoek van de straat. De straatverlichting was van voldoende sterkte dat ik de schutter kon zien. Het raam van de auto waar ik zat stond helemaal open. De afstand tussen onze auto en de schutter was ongeveer drie meter.
6. Een proces-verbaal meerkeuze fotoconfrontatie met de verdachte [belanghebbende 2] d.d. 24 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [belanghebbende 2]:
De man afgebeeld op foto 1 is de man die op [slachtoffer 1] had geschoten.
7. Een proces-verbaal van bevinding bij meervoudige fotoconfrontatie met [belanghebbende 2] d.d. 24 september 2023:
Op 24 september 2023 werd een meervoudige fotoconfrontatie gehouden met [belanghebbende 2].
Op de sheet A onder nummer 1 staat afgebeeld [verdachte].
8. Een proces-verbaal meerkeuze fotoconfrontatie met de verdachte [belanghebbende 2] d.d. 25 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [belanghebbende 2]:
De man afgebeeld op foto 9 is de man die op [slachtoffer 1] had neergeschoten.
9. Een proces-verbaal van bevinding bij meervoudige fotoconfrontatie met [belanghebbende 2] d.d. 25 september 2023:
Op 25 september 2023 werd nogmaals een meervoudige fotoconfrontatie gehouden met [belanghebbende 2].
Op de sheet B onder nummer 9 staat afgebeeld [verdachte].
10. Een proces-verbaal van verhoor getuige [vriend van slachtoffer 1] d.d. 25 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [vriend van slachtoffer 1]:
Op 23 september 2023 werd ik door [slachtoffer 1] opgehaald. [slachtoffer 1] was in gezelschap van zijn vriendin. [Slachtoffer 1] deelde mij mede om hem te herinneren om langs Otrobanda te gaan bij iemand. Wij reden toen naar een smalle steeg in Otrobanda. [slachtoffer 1] parkeerde auto aan de kant en stapte uit. Hij liep naar de achterkant van de auto en stond daar met de persoon te praten. Op een gegeven moment liep [slachtoffer 1] terug naar de auto en deelde mij mede dat hij geschoten werd.
Vraag: kan jij die persoon beschrijven waarmee [slachtoffer 1] stond te praten? De man had een bloot bovenlijf en driekwart broek aan.
11. Een proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 2] d.d.4 september 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2]:
Na het overlijden van [slachtoffer 1] heb ik met [vriend van slachtoffer 1] (het Gerecht begrijpt: getuige [vriend van slachtoffer 1]) gesproken. Meteen na het incident kwam [vriend van slachtoffer 1] naar me toe. [vriend van slachtoffer 1] vertelde dat [slachtoffer 1] was neergeschoten en dat [verdachte] (het Gerecht begrijpt: verdachte) de schutter was. Vraag: heeft [vriend van slachtoffer 1] zelf gezien dat [verdachte] de schutter was? Antwoord: ja dat heeft hij gezien.
12. Een proces-verbaal van bevinding belcontacten verdachte [verdachte] en [belanghebbende 3] d.d. 17 december 2024, voor zover inhoudende:
Bij analyse van de historische print gegevens is gebleken dat vanuit/naar het door de verdachte [verdachte], destijds gebruikte mobiele aansluitnummer [aansluitnummer 1], over de periode van 01 januari 2023 en tot 23 september 2023, belcontacten zijn tussen het in gebruik van de verdachte [verdachte] zijnde mobiele aansluitnummer en het in gebruik. zijnde mobiele aansluitnummer van zijn moeder (de vrouw [moeder van verdachte]), zijnde [aansluitnummer 2].
Tevens is uit de historische print gegevens gebleken dat er belcontacten zijn tussen het in gebruik van de verdachte [verdachte] zijnde mobiele aansluitnummer en het in gebruik zijnde mobiele aansluitnummer van zijn stiefvader, zijnde [aansluitnummer 3].
Uit deze onderzoek bevindingen werd vastgesteld dat de verdachte [verdachte], destijds gebruikte mobiele aansluitnummer [aansluitnummer 1]
Uit de historische print gegevens blijkt, dat op 23 september 2023, omstreeks 04:42 uur, zijnde op de dag van de schietpartij met dodelijk afloop, voor de schietpartij twee keren, vanuit een onbekend aansluitnummer naar het door de verdachte [verdachte], destijds gebruikte aansluitnummer [aansluitnummer 1], werd gebeld.
13. Een proces-verbaal van bevindingen historische gegevens d.d. 18 december 2024, voor zover inhoudende:
V.w.b. de ontvangen historische VLR-data en SGSN-data van het telefoonnummer [aansluitnummer 1] op 23 september 2023 kan het volgende worden gesteld:
Op 23 september 2023 om 18:18:53 wordt er verbinding opgezet via cellid [cell-id 1]. Op 23 september 2023 te 18:28:10 uur wordt verbinding opgezet via cellid [cell-id 2].
Op 23 september 2023 van 18:28:10 uur tot 21:28:17 uur bevindt het toestel zich opnieuw in het dekkingsgebied van de cell-id’s [cell-id 3], [cell-id 4] (Otrobanda) en zijn er 5 registraties te zien.
Op 16 december 2024 werd door gecertificeerde medewerkers van RST en KPC een netwerkmeting verricht op de plaats delict op [adres 2] te Willemstad. Daarbij werd onder andere vastgesteld dat de plaats delict zich onder meer bevindt in het dekkingsgebied van cell-id’s [cell-id 4] en [cell-id 5].
Ten aanzien van de feiten 2 primair en 4 (onderzoek Reiger):
14. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 4 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 2]:
Op 31 mei 2024 rond 23:25 uur zaten wij op de achter porch en wij hoorden de krabpaal van de katten omvallen. [Slachtoffer 2], mijn man, liep naar de woonkamer. Ik hoor een mannenstem “hey” zeggen en daarna hoor ik een schot. Ik zie [slachtoffer 2] vallen en zag drie personen en die zijn alle kamers afgegaan. Eentje kwam naar mij toe, greep me bij mijn shirt en vroeg voor geld. Hij is verder gegaan en kort daarna komt diezelfde dader terug. Hij plaatst zijn hand op mijn mond en ik zag dat deze dader zwarte wollen handschoenen droeg.
Op een gegeven moment dacht ik dat ze weg waren. Toen kwamen ze nog een keer terug. Hij heeft mij weer opgepakt en vroeg waar de sleutels waren. Toen had ik de heksleutels en die van de auto aan hem gegeven. Ik kon niks, zijn telefoon was ook weg.
Weggenomen goed: [auto van merk 1], mobiele telefoon merk [merk 2], mobiele telefoon merk [merk 3].
15. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 4 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 2]:
Er zijn meer spullen weg:
Gouden ketting met hanger;
Gouden armband.
Ten tijde van de overval was mijn zoon [belanghebbende 1] in zijn slaapkamer. Ik heb later aan hem gevraagd of hij wat gezien had. Hij was wakker geworden van een knal. Hij zag dat iemand zijn kamer doorzocht. [belanghebbende 1]heeft gedaan alsof hij sliep.
Op het moment dat de inbrekers terugkwamen, nadat ze voor de eerste keer weg waren gegaan, zag ik 1 persoon op mij aflopen met een pistool in zijn rechterhand op mij gericht.
16. Een geschrift, te weten een kopie van een autopsierapport d.d. 4 juni 2024, opgesteld door dr. L. Althaus, forensisch patholoog, voor zover inhoudende:
Autopsy [slachtoffer 2]
Conclusions:
1. perforating (“in-out”) gunshot trajectory could be found on the body:
Slightly ascending gunshot (ca. 5-10 degrees) from the frontal left to the right back with entry on the lower left frontal thorax below the 12.
Feiten
Dat dit bij haar een hevige schok heeft veroorzaakt acht het Gerecht voor de hand liggend, temeer nu zij nagenoeg vijf jaren geleden haar oudste zoon ook door een misdrijf heeft verloren.
Het Gerecht is bekend met de jurisprudentie waaruit volgt dat voor een toewijzing van de schade sprake moet zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat in beginsel uit een rapportage van een deskundige– waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – kan worden afgeleid.
Ondanks dat het Gerecht niet over een dergelijke rapportage beschikt neemt het Gerecht, gelet op de wijze waarop de benadeelde partij met de dood van haar zoon is geconfronteerd in combinatie met de gevolgen zoals zij die in haar brief heeft omschreven aan dat sprake is van geestelijk letsel en aldus van de immateriële schade zoals gevorderd.
Het Gerecht wijst aldus het voor de immateriële schade gevorderde bedrag van NAf 20.000,= toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2023.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De volgende posten zijn opgevoerd tot een totaal van NAf 42.642,35,:
NAf 21.120,= gestolen sieraden, ;
NAf 429,90 reparatie [telefoon 1];
NAf 645,58 waarde gestolen motor;
NAf 447,17 [spelcomputer];
NAf 20.000,= voorschot immateriële schade.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van verdachtes onder feit 2 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Dit betreft de posten 1, 2 en 4. Het Gerecht stelt vast dat deze schade, met uitzondering van de emotionele schade als gevolg van het verlies van de sierraden, genoegzaam met stukken is onderbouwd. De vordering, die niet inhoudelijk door de raadsman is betwist, komt dan ook in zoverre voor toewijzing in aanmerking.
Dat is anders voor de vordering voor zover deze post 3 betreft nu deze betrekking heeft op schade als gevolg van diefstal van een motor, dat niet ten laste is gelegd aan de verdachte.
De totaal toegewezen materiële schade bedraagt daarmee NAf 18.210,31, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024.
Voor het overige zal de vordering, voor zover het materiele schade betreft, niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voor de gevorderde immateriële schade geldt het volgende. [Benadeelde partij 2] heeft een gewelddadige overval in haar woning meegemaakt waarbij haar echtgenoot is doodgeschoten en voor haar ogen is gestorven. Ook [benadeelde partij 2] zelf is bedreigd met vuurwapens en er zijn geweldshandelingen met haar verricht. In dit geval is sprake van zowel een onrechtmatige daad tegen [benadeelde partij 2] zelf als van een directe confrontatie met de gevolgen van het tegen haar echtgenoot gepleegde delict.
Bij de vordering is een verklaring van een psycholoog gevoegd die geestelijk letsel vaststelt in de vorm van een andere gespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis. Traumabehandeling is op termijn, als betrokkene eraan toe is, geïndiceerd.
Het gevorderde bedrag van NAf 20.000,= voor de immateriële schade, wat evenmin door de raadsman is betwist, komt het Gerecht alleszins billijk voor en zal geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich ook namens haar zoon
[belanghebbende 1] in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van NAf 20.000,= als voorschot voor de geleden immateriële schade. De zoon destijds 11 jaar oud, lag tijdens de overval in bed en heeft het schot gehoord en heeft zijn moeder horen schreeuwen. Toen de overvallers zijn kamer doorzochten en daarbij ook zijn matras optilden heeft de zoon zich slapend gehouden. Volgens de bijgevoegde verklaring van een psycholoog zijn er traumaklachten en moet er een andere vorm van therapie worden ingezet omdat EMDR te overspoelend werkte. Uit een brief van Diekstra Van der Laan advocaten blijkt dat de zoon bovendien een Autisme Spectrum Stoornis heeft die belemmerend is voor de verwerking.
Ook voor de zoon acht het Gerecht het gevorderde, en niet betwiste, bedrag van NAf 20.000,= voor de immateriële schade billijk en dit zal dan ook geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024.
Het Gerecht stelt vast dat verdachte het onder 2 primair bewezenverklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd en dat verdachte en de medeverdachten naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Het Gerecht zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte/medeverdachten deze al heeft/hebben betaald, en andersom.
Het Gerecht ziet bij de drie vorderingen -voor zover toegewezen- aanleiding een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen.
Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
De proceskosten van de benadeelde partijen zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.
Inleiding
De man die op [slachtoffer 1] had geschoten had een ontbloot bovenlijf en driekwart witte broek aan.
5. Een proces-verbaal nader verhoor verdachte [belanghebbende 2] d.d.27 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [belanghebbende 2]:
Toen wij aan kwamen rijden stond de schutter bij de hoek van de straat. De straatverlichting was van voldoende sterkte dat ik de schutter kon zien. Het raam van de auto waar ik zat stond helemaal open. De afstand tussen onze auto en de schutter was ongeveer drie meter.
6. Een proces-verbaal meerkeuze fotoconfrontatie met de verdachte [belanghebbende 2] d.d. 24 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [belanghebbende 2]:
De man afgebeeld op foto 1 is de man die op [slachtoffer 1] had geschoten.
7. Een proces-verbaal van bevinding bij meervoudige fotoconfrontatie met [belanghebbende 2] d.d. 24 september 2023:
Op 24 september 2023 werd een meervoudige fotoconfrontatie gehouden met [belanghebbende 2].
Op de sheet A onder nummer 1 staat afgebeeld [verdachte].
8. Een proces-verbaal meerkeuze fotoconfrontatie met de verdachte [belanghebbende 2] d.d. 25 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [belanghebbende 2]:
De man afgebeeld op foto 9 is de man die op [slachtoffer 1] had neergeschoten.
9. Een proces-verbaal van bevinding bij meervoudige fotoconfrontatie met [belanghebbende 2] d.d. 25 september 2023:
Op 25 september 2023 werd nogmaals een meervoudige fotoconfrontatie gehouden met [belanghebbende 2].
Op de sheet B onder nummer 9 staat afgebeeld [verdachte].
10. Een proces-verbaal van verhoor getuige [vriend van slachtoffer 1] d.d. 25 september 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [vriend van slachtoffer 1]:
Op 23 september 2023 werd ik door [slachtoffer 1] opgehaald. [slachtoffer 1] was in gezelschap van zijn vriendin. [Slachtoffer 1] deelde mij mede om hem te herinneren om langs Otrobanda te gaan bij iemand. Wij reden toen naar een smalle steeg in Otrobanda. [slachtoffer 1] parkeerde auto aan de kant en stapte uit. Hij liep naar de achterkant van de auto en stond daar met de persoon te praten. Op een gegeven moment liep [slachtoffer 1] terug naar de auto en deelde mij mede dat hij geschoten werd.
Vraag: kan jij die persoon beschrijven waarmee [slachtoffer 1] stond te praten? De man had een bloot bovenlijf en driekwart broek aan.
11. Een proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 2] d.d.4 september 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2]:
Na het overlijden van [slachtoffer 1] heb ik met [vriend van slachtoffer 1] (het Gerecht begrijpt: getuige [vriend van slachtoffer 1]) gesproken. Meteen na het incident kwam [vriend van slachtoffer 1] naar me toe. [vriend van slachtoffer 1] vertelde dat [slachtoffer 1] was neergeschoten en dat [verdachte] (het Gerecht begrijpt: verdachte) de schutter was. Vraag: heeft [vriend van slachtoffer 1] zelf gezien dat [verdachte] de schutter was? Antwoord: ja dat heeft hij gezien.
12. Een proces-verbaal van bevinding belcontacten verdachte [verdachte] en [belanghebbende 3] d.d. 17 december 2024, voor zover inhoudende:
Bij analyse van de historische print gegevens is gebleken dat vanuit/naar het door de verdachte [verdachte], destijds gebruikte mobiele aansluitnummer [aansluitnummer 1], over de periode van 01 januari 2023 en tot 23 september 2023, belcontacten zijn tussen het in gebruik van de verdachte [verdachte] zijnde mobiele aansluitnummer en het in gebruik. zijnde mobiele aansluitnummer van zijn moeder (de vrouw [moeder van verdachte]), zijnde [aansluitnummer 2].
Tevens is uit de historische print gegevens gebleken dat er belcontacten zijn tussen het in gebruik van de verdachte [verdachte] zijnde mobiele aansluitnummer en het in gebruik zijnde mobiele aansluitnummer van zijn stiefvader, zijnde [aansluitnummer 3].
Uit deze onderzoek bevindingen werd vastgesteld dat de verdachte [verdachte], destijds gebruikte mobiele aansluitnummer [aansluitnummer 1]
Uit de historische print gegevens blijkt, dat op 23 september 2023, omstreeks 04:42 uur, zijnde op de dag van de schietpartij met dodelijk afloop, voor de schietpartij twee keren, vanuit een onbekend aansluitnummer naar het door de verdachte [verdachte], destijds gebruikte aansluitnummer [aansluitnummer 1], werd gebeld.
13. Een proces-verbaal van bevindingen historische gegevens d.d. 18 december 2024, voor zover inhoudende:
V.w.b. de ontvangen historische VLR-data en SGSN-data van het telefoonnummer [aansluitnummer 1] op 23 september 2023 kan het volgende worden gesteld:
Op 23 september 2023 om 18:18:53 wordt er verbinding opgezet via cellid [cell-id 1]. Op 23 september 2023 te 18:28:10 uur wordt verbinding opgezet via cellid [cell-id 2].
Op 23 september 2023 van 18:28:10 uur tot 21:28:17 uur bevindt het toestel zich opnieuw in het dekkingsgebied van de cell-id’s [cell-id 3], [cell-id 4] (Otrobanda) en zijn er 5 registraties te zien.
Op 16 december 2024 werd door gecertificeerde medewerkers van RST en KPC een netwerkmeting verricht op de plaats delict op [adres 2] te Willemstad. Daarbij werd onder andere vastgesteld dat de plaats delict zich onder meer bevindt in het dekkingsgebied van cell-id’s [cell-id 4] en [cell-id 5].
Ten aanzien van de feiten 2 primair en 4 (onderzoek Reiger):
14. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 4 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 2]:
Op 31 mei 2024 rond 23:25 uur zaten wij op de achter porch en wij hoorden de krabpaal van de katten omvallen. [Slachtoffer 2], mijn man, liep naar de woonkamer. Ik hoor een mannenstem “hey” zeggen en daarna hoor ik een schot. Ik zie [slachtoffer 2] vallen en zag drie personen en die zijn alle kamers afgegaan. Eentje kwam naar mij toe, greep me bij mijn shirt en vroeg voor geld. Hij is verder gegaan en kort daarna komt diezelfde dader terug. Hij plaatst zijn hand op mijn mond en ik zag dat deze dader zwarte wollen handschoenen droeg.
Op een gegeven moment dacht ik dat ze weg waren. Toen kwamen ze nog een keer terug. Hij heeft mij weer opgepakt en vroeg waar de sleutels waren. Toen had ik de heksleutels en die van de auto aan hem gegeven. Ik kon niks, zijn telefoon was ook weg.
Weggenomen goed: [auto van merk 1], mobiele telefoon merk [merk 2], mobiele telefoon merk [merk 3].
15. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 4 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 2]:
Er zijn meer spullen weg:
Gouden ketting met hanger;
Gouden armband.
Ten tijde van de overval was mijn zoon [belanghebbende 1] in zijn slaapkamer. Ik heb later aan hem gevraagd of hij wat gezien had. Hij was wakker geworden van een knal. Hij zag dat iemand zijn kamer doorzocht. [belanghebbende 1]heeft gedaan alsof hij sliep.
Op het moment dat de inbrekers terugkwamen, nadat ze voor de eerste keer weg waren gegaan, zag ik 1 persoon op mij aflopen met een pistool in zijn rechterhand op mij gericht.
16. Een geschrift, te weten een kopie van een autopsierapport d.d. 4 juni 2024, opgesteld door dr. L. Althaus, forensisch patholoog, voor zover inhoudende:
Autopsy [slachtoffer 2]
Conclusions:
1. perforating (“in-out”) gunshot trajectory could be found on the body:
Slightly ascending gunshot (ca. 5-10 degrees) from the frontal left to the right back with entry on the lower left frontal thorax below the 12.
Feiten
Dat dit bij haar een hevige schok heeft veroorzaakt acht het Gerecht voor de hand liggend, temeer nu zij nagenoeg vijf jaren geleden haar oudste zoon ook door een misdrijf heeft verloren.
Het Gerecht is bekend met de jurisprudentie waaruit volgt dat voor een toewijzing van de schade sprake moet zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat in beginsel uit een rapportage van een deskundige– waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – kan worden afgeleid.
Ondanks dat het Gerecht niet over een dergelijke rapportage beschikt neemt het Gerecht, gelet op de wijze waarop de benadeelde partij met de dood van haar zoon is geconfronteerd in combinatie met de gevolgen zoals zij die in haar brief heeft omschreven aan dat sprake is van geestelijk letsel en aldus van de immateriële schade zoals gevorderd.
Het Gerecht wijst aldus het voor de immateriële schade gevorderde bedrag van NAf 20.000,= toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2023.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De volgende posten zijn opgevoerd tot een totaal van NAf 42.642,35,:
NAf 21.120,= gestolen sieraden, ;
NAf 429,90 reparatie [telefoon 1];
NAf 645,58 waarde gestolen motor;
NAf 447,17 [spelcomputer];
NAf 20.000,= voorschot immateriële schade.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van verdachtes onder feit 2 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Dit betreft de posten 1, 2 en 4. Het Gerecht stelt vast dat deze schade, met uitzondering van de emotionele schade als gevolg van het verlies van de sierraden, genoegzaam met stukken is onderbouwd. De vordering, die niet inhoudelijk door de raadsman is betwist, komt dan ook in zoverre voor toewijzing in aanmerking.
Dat is anders voor de vordering voor zover deze post 3 betreft nu deze betrekking heeft op schade als gevolg van diefstal van een motor, dat niet ten laste is gelegd aan de verdachte.
De totaal toegewezen materiële schade bedraagt daarmee NAf 18.210,31, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024.
Voor het overige zal de vordering, voor zover het materiele schade betreft, niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voor de gevorderde immateriële schade geldt het volgende. [Benadeelde partij 2] heeft een gewelddadige overval in haar woning meegemaakt waarbij haar echtgenoot is doodgeschoten en voor haar ogen is gestorven. Ook [benadeelde partij 2] zelf is bedreigd met vuurwapens en er zijn geweldshandelingen met haar verricht. In dit geval is sprake van zowel een onrechtmatige daad tegen [benadeelde partij 2] zelf als van een directe confrontatie met de gevolgen van het tegen haar echtgenoot gepleegde delict.
Bij de vordering is een verklaring van een psycholoog gevoegd die geestelijk letsel vaststelt in de vorm van een andere gespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis. Traumabehandeling is op termijn, als betrokkene eraan toe is, geïndiceerd.
Het gevorderde bedrag van NAf 20.000,= voor de immateriële schade, wat evenmin door de raadsman is betwist, komt het Gerecht alleszins billijk voor en zal geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich ook namens haar zoon
[belanghebbende 1] in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van NAf 20.000,= als voorschot voor de geleden immateriële schade. De zoon destijds 11 jaar oud, lag tijdens de overval in bed en heeft het schot gehoord en heeft zijn moeder horen schreeuwen. Toen de overvallers zijn kamer doorzochten en daarbij ook zijn matras optilden heeft de zoon zich slapend gehouden. Volgens de bijgevoegde verklaring van een psycholoog zijn er traumaklachten en moet er een andere vorm van therapie worden ingezet omdat EMDR te overspoelend werkte. Uit een brief van Diekstra Van der Laan advocaten blijkt dat de zoon bovendien een Autisme Spectrum Stoornis heeft die belemmerend is voor de verwerking.
Ook voor de zoon acht het Gerecht het gevorderde, en niet betwiste, bedrag van NAf 20.000,= voor de immateriële schade billijk en dit zal dan ook geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2024.
Het Gerecht stelt vast dat verdachte het onder 2 primair bewezenverklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd en dat verdachte en de medeverdachten naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Het Gerecht zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte/medeverdachten deze al heeft/hebben betaald, en andersom.
Het Gerecht ziet bij de drie vorderingen -voor zover toegewezen- aanleiding een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen.
Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
De proceskosten van de benadeelde partijen zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.
Inleiding
rib, perforating the diaphragm on both sides, lacerating the bottom side of the liver and perforating the right lobe of the liver including the liver root, containing the big vessels of the liver (liver artery and liver veins) and causing a contusion of the lower lobe of the right lung with exit on the posterior thorax between the ribs 10 and 11.
Cause of death:
Internal bleeding to death due to a gunshot.
17. Een proces-verbaal van 3e verhoor verdachte [verdachte 2] d.d. 13 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte 2], bijgenaamd [verdachte 2]:
Toen [medeverdachte 1] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) mij kwam ophalen zat hij samen met 1 andere persoon (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [verdachte 1]) in de pick-up.
Gezichtbedekking hadden ze al op.
Bij een snack of minimarket tegenover de kerk van [plek] hebben we de 4e verdachte opgehaald Ik ken hem goed, zijn bijnaam is [medeverdachte 2]. Zijn achternaam is iets van [achternaam medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] sprong achter in de pick-up. Vraag: wat was de rol van [medeverdachte 2]? Antwoord: [medeverdachte 2] moest de pick-up besturen.
We reden naar de locatie van de te beroven woning. We parkeerden in een zijstraat. We sprongen met ons drieën uit de auto. We zijn toen rennend naar de woning gegaan.
Ik zag dat er 2 auto’s stonden. Ik zag het slachtoffer op de grond liggen Ik liep steeds van de voorporch naar de achterporch.
18. Een proces-verbaal van 4e verhoor verdachte [verdachte 2] d.d. 17 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte 2], bijgenaamd [verdachte 2]:
V: Wie was verantwoordelijk voor de besluitvorming bij de overval?
A: Niemand. De bedoeling was gewoon geld en sieraden, iedereen zoekt mee en dan weg.
V: Welke persoon had het laatste woord als er iets beslist moest worden?
A: Ook hier niemand. We waren gelijkwaardig in alles.
19. Een proces-verbaal van 6e verhoor verdachte [verdachte 2]d.d. 30 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte 2], bijgenaamd [verdachte 2]:
0: De ene man bleef bij de vrouw, terwijl de andere de kamers doorzocht.
V: Met wat was je op dat moment bezig geweest?
A: Ik bleef de hele tijd bij de man (het slachtoffer). Af en toe liep ik naar de ingang op de uitkijk. Een van de jongens zei dat we moesten vertrekken, maar ze bleven zoeken totdat ze een sleutel hadden gevonden.
V: Met welk bedoeling was je binnen gebleven?
A: Ik nam alles in gaten, en zorgde ook ervoor dat de vrouw de politie niet belt.
20. Een proces-verbaal van horen bij inverzekeringstelling d.d. 13 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
Ik beken dat ik betrokken was bij het voorval en dat ik degene was die de man had geschoten.
21. Een proces-verbaal van 1e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 13 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
De dag van het gebeurde waren wij naar [adres 1] geweest. Wij rennen daarnaar toe en sprongen over de afrasteringsdeur op het erf. Ik was vergezeld van [verdachte 1] en [verdachte 2] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [verdachte 2]) de woning binnen geweest. Toen ik over het hek sprong had ik een vuistvuurwapen in mijn rechterhand. [verdachte ] hield ook een vuistvuurwapen in zijn hand. Wij zagen dat de deur van de woning open was. We liepen met ons drieën de woning binnen. Ik liep alleen naar een slaapkamer. [verdachte ] en [verdachte 2] waren in een andere richting geweest. Toen het schot afging zag ik dat deze man zijn hand richting zijn borst zette. Ik zag dat hij op de grond viel. Ik heb een sleutel van een auto van het slachtoffer genomen. En een afstandsbediening. We reden met de auto weg.
Vraag: waar hadden jullie elkaar ontmoet op 31 mei? Ik was [verdachte ] gaan zoeken en ik was samen met hem naar de woning van [verdachte 2] gegaan. Daarna zijn we met ons drieën naar de Chinees voor de kerk van [plek] geweest. Dit hebben wij gedaan op aanwijzing van [verdachte 2] om een vierde persoon op te halen, een kennis van [verdachte 2]. Ik ken hem bij aanzicht. Ik hoorde [verdachte 2] hem “[medeverdachte 2]”(het Gerecht begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) noemen. Vraag: waarom moesten jullie [medeverdachte 2] opzoeken? Antwoord: zodat hij de pick-up kon besturen.
Ik was de eerste zijweg rechts van [adres 3] ingereden. Ga je een heuveltje op. Het was min of meer achter de woning [adres 1]. Ik was daar gestopt en stapte uit. Hierna wist “[medeverdachte 2]” al dat hij het stuur moest overnemen. Dit had [verdachte 2] al met hem afgesproken. We liepen met ons drieën samen. Ik sprong als eerste over de afrastering, daarna [verdachte ] en als laatste [verdachte 2].
We bleven naast de auto’s op [verdachte 2] wachten. Daarna waren ik en [verdachte ] de woning als eerste binnen gelopen en direct na ons was [verdachte 2] binnen gekomen.
Vraag: wat heb je met het vuurwapen dat je tijdens deze beroving gebruikt gedaan? Antwoord: deze vuurwapen werd ook door de politie in beslaggenomen. Dit werd door de politie aangetroffen toen [verdachte ] werd aangehouden. Vraag: Waar lag deze vuistvuurwapen? Antwoord: het lag in een zwarte tas. Ik had het op een raam achtergelaten. Het was een zwart vuurwapen waarop "[merk 4]" was geschreven.
Aan de verdachte [medeverdachte 1]werden twee foto’s getoond waarop de aangetroffen vuurwapens tijdens huiszoeking te [adres 2] naast [nummer a] staan afgebeeld.
Vraag: welke van deze vuurwapens is van jou? Antwoord: ik herken het vuurwapen afgebeeld op foto nummer 2 als het vuurwapen welke ik daar had achtergelaten. Het is ook dezelfde vuurwapen welke ik tijdens de beroving met dodelijke afloop te [adres 1] had gebruikt om de bewoner neer te schieten.
22. Een proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 19 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
Vraag: was je bij [verdachte] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [verdachte]) op de dag dat hij bij [adres 2] werd aangehouden? Antwoord: ja, ik was samen met [verdachte]. Het vuurwapen dat ik bij de overval te [adres 1] had gebruikt lag bij het raam naast de sofa waarop ik zat. Het andere vuurwapen is van [verdachte ].
Ik heb mijn vuurwapen geladen toen ik in de kamer aankwam. Ik wist dat er personen thuis moeten zijn.
Wij hadden allemaal een vuurwapen. [verdachte 2] had ook een vuurwapen bij zich. Vraag: had je [verdachte 2] met een vuurwapen tijdens deze beroving gezien? Antwoord: ja, het was geen revolver. Het was een pistool.
Vraag: hoe vaak reed jij voor de woning [adres 1]? Ik had een scooter en de pick-up gebruikt. Een dag voor het incident en de dag van het incident was ik langs gereden om de situatie bij de woning te bezichtigen. In totaal vier (4) keer. Ik wou gewoon weten hoeveel mensen er daar aanwezig was en of ik kon misschien kon zien wie ik zal tegenkomen tijdens de beroving.
23. Een proces-verbaal van 3e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 4 juli 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
Vraag: wat zou het plan zijn als het schot niet afging? Antwoord: we zouden dan te voet vertrekken om [medeverdachte 2] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) te ontmoeten nabij de plaats van de Haïtianen. [verdachte 2] had verteld dat [medeverdachte 2] daar zou wachten. [verdachte 2] had verteld dat [medeverdachte 2] ons zal afzetten en ophalen.
24. Een proces-verbaal van 4e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 4 juli 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
De twee zakken munitie aangetroffen tijdens de zoeking te [adres 2] zijn van mij.
25. Een proces-verbaal van zoeking [adres 2] naast 93 d.d.
Inleiding
rib, perforating the diaphragm on both sides, lacerating the bottom side of the liver and perforating the right lobe of the liver including the liver root, containing the big vessels of the liver (liver artery and liver veins) and causing a contusion of the lower lobe of the right lung with exit on the posterior thorax between the ribs 10 and 11.
Cause of death:
Internal bleeding to death due to a gunshot.
17. Een proces-verbaal van 3e verhoor verdachte [verdachte 2] d.d. 13 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte 2], bijgenaamd [verdachte 2]:
Toen [medeverdachte 1] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) mij kwam ophalen zat hij samen met 1 andere persoon (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [verdachte 1]) in de pick-up.
Gezichtbedekking hadden ze al op.
Bij een snack of minimarket tegenover de kerk van [plek] hebben we de 4e verdachte opgehaald Ik ken hem goed, zijn bijnaam is [medeverdachte 2]. Zijn achternaam is iets van [achternaam medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] sprong achter in de pick-up. Vraag: wat was de rol van [medeverdachte 2]? Antwoord: [medeverdachte 2] moest de pick-up besturen.
We reden naar de locatie van de te beroven woning. We parkeerden in een zijstraat. We sprongen met ons drieën uit de auto. We zijn toen rennend naar de woning gegaan.
Ik zag dat er 2 auto’s stonden. Ik zag het slachtoffer op de grond liggen Ik liep steeds van de voorporch naar de achterporch.
18. Een proces-verbaal van 4e verhoor verdachte [verdachte 2] d.d. 17 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte 2], bijgenaamd [verdachte 2]:
V: Wie was verantwoordelijk voor de besluitvorming bij de overval?
A: Niemand. De bedoeling was gewoon geld en sieraden, iedereen zoekt mee en dan weg.
V: Welke persoon had het laatste woord als er iets beslist moest worden?
A: Ook hier niemand. We waren gelijkwaardig in alles.
19. Een proces-verbaal van 6e verhoor verdachte [verdachte 2]d.d. 30 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte 2], bijgenaamd [verdachte 2]:
0: De ene man bleef bij de vrouw, terwijl de andere de kamers doorzocht.
V: Met wat was je op dat moment bezig geweest?
A: Ik bleef de hele tijd bij de man (het slachtoffer). Af en toe liep ik naar de ingang op de uitkijk. Een van de jongens zei dat we moesten vertrekken, maar ze bleven zoeken totdat ze een sleutel hadden gevonden.
V: Met welk bedoeling was je binnen gebleven?
A: Ik nam alles in gaten, en zorgde ook ervoor dat de vrouw de politie niet belt.
20. Een proces-verbaal van horen bij inverzekeringstelling d.d. 13 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
Ik beken dat ik betrokken was bij het voorval en dat ik degene was die de man had geschoten.
21. Een proces-verbaal van 1e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 13 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
De dag van het gebeurde waren wij naar [adres 1] geweest. Wij rennen daarnaar toe en sprongen over de afrasteringsdeur op het erf. Ik was vergezeld van [verdachte 1] en [verdachte 2] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [verdachte 2]) de woning binnen geweest. Toen ik over het hek sprong had ik een vuistvuurwapen in mijn rechterhand. [verdachte ] hield ook een vuistvuurwapen in zijn hand. Wij zagen dat de deur van de woning open was. We liepen met ons drieën de woning binnen. Ik liep alleen naar een slaapkamer. [verdachte ] en [verdachte 2] waren in een andere richting geweest. Toen het schot afging zag ik dat deze man zijn hand richting zijn borst zette. Ik zag dat hij op de grond viel. Ik heb een sleutel van een auto van het slachtoffer genomen. En een afstandsbediening. We reden met de auto weg.
Vraag: waar hadden jullie elkaar ontmoet op 31 mei? Ik was [verdachte ] gaan zoeken en ik was samen met hem naar de woning van [verdachte 2] gegaan. Daarna zijn we met ons drieën naar de Chinees voor de kerk van [plek] geweest. Dit hebben wij gedaan op aanwijzing van [verdachte 2] om een vierde persoon op te halen, een kennis van [verdachte 2]. Ik ken hem bij aanzicht. Ik hoorde [verdachte 2] hem “[medeverdachte 2]”(het Gerecht begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) noemen. Vraag: waarom moesten jullie [medeverdachte 2] opzoeken? Antwoord: zodat hij de pick-up kon besturen.
Ik was de eerste zijweg rechts van [adres 3] ingereden. Ga je een heuveltje op. Het was min of meer achter de woning [adres 1]. Ik was daar gestopt en stapte uit. Hierna wist “[medeverdachte 2]” al dat hij het stuur moest overnemen. Dit had [verdachte 2] al met hem afgesproken. We liepen met ons drieën samen. Ik sprong als eerste over de afrastering, daarna [verdachte ] en als laatste [verdachte 2].
We bleven naast de auto’s op [verdachte 2] wachten. Daarna waren ik en [verdachte ] de woning als eerste binnen gelopen en direct na ons was [verdachte 2] binnen gekomen.
Vraag: wat heb je met het vuurwapen dat je tijdens deze beroving gebruikt gedaan? Antwoord: deze vuurwapen werd ook door de politie in beslaggenomen. Dit werd door de politie aangetroffen toen [verdachte ] werd aangehouden. Vraag: Waar lag deze vuistvuurwapen? Antwoord: het lag in een zwarte tas. Ik had het op een raam achtergelaten. Het was een zwart vuurwapen waarop "[merk 4]" was geschreven.
Aan de verdachte [medeverdachte 1]werden twee foto’s getoond waarop de aangetroffen vuurwapens tijdens huiszoeking te [adres 2] naast [nummer a] staan afgebeeld.
Vraag: welke van deze vuurwapens is van jou? Antwoord: ik herken het vuurwapen afgebeeld op foto nummer 2 als het vuurwapen welke ik daar had achtergelaten. Het is ook dezelfde vuurwapen welke ik tijdens de beroving met dodelijke afloop te [adres 1] had gebruikt om de bewoner neer te schieten.
22. Een proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 19 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
Vraag: was je bij [verdachte] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [verdachte]) op de dag dat hij bij [adres 2] werd aangehouden? Antwoord: ja, ik was samen met [verdachte]. Het vuurwapen dat ik bij de overval te [adres 1] had gebruikt lag bij het raam naast de sofa waarop ik zat. Het andere vuurwapen is van [verdachte ].
Ik heb mijn vuurwapen geladen toen ik in de kamer aankwam. Ik wist dat er personen thuis moeten zijn.
Wij hadden allemaal een vuurwapen. [verdachte 2] had ook een vuurwapen bij zich. Vraag: had je [verdachte 2] met een vuurwapen tijdens deze beroving gezien? Antwoord: ja, het was geen revolver. Het was een pistool.
Vraag: hoe vaak reed jij voor de woning [adres 1]? Ik had een scooter en de pick-up gebruikt. Een dag voor het incident en de dag van het incident was ik langs gereden om de situatie bij de woning te bezichtigen. In totaal vier (4) keer. Ik wou gewoon weten hoeveel mensen er daar aanwezig was en of ik kon misschien kon zien wie ik zal tegenkomen tijdens de beroving.
23. Een proces-verbaal van 3e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 4 juli 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
Vraag: wat zou het plan zijn als het schot niet afging? Antwoord: we zouden dan te voet vertrekken om [medeverdachte 2] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) te ontmoeten nabij de plaats van de Haïtianen. [verdachte 2] had verteld dat [medeverdachte 2] daar zou wachten. [verdachte 2] had verteld dat [medeverdachte 2] ons zal afzetten en ophalen.
24. Een proces-verbaal van 4e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 4 juli 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
De twee zakken munitie aangetroffen tijdens de zoeking te [adres 2] zijn van mij.
25. Een proces-verbaal van zoeking [adres 2] naast 93 d.d.
Inleiding
rib, perforating the diaphragm on both sides, lacerating the bottom side of the liver and perforating the right lobe of the liver including the liver root, containing the big vessels of the liver (liver artery and liver veins) and causing a contusion of the lower lobe of the right lung with exit on the posterior thorax between the ribs 10 and 11.
Cause of death:
Internal bleeding to death due to a gunshot.
17. Een proces-verbaal van 3e verhoor verdachte [verdachte 2] d.d. 13 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte 2], bijgenaamd [verdachte 2]:
Toen [medeverdachte 1] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) mij kwam ophalen zat hij samen met 1 andere persoon (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [verdachte 1]) in de pick-up.
Gezichtbedekking hadden ze al op.
Bij een snack of minimarket tegenover de kerk van [plek] hebben we de 4e verdachte opgehaald Ik ken hem goed, zijn bijnaam is [medeverdachte 2]. Zijn achternaam is iets van [achternaam medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] sprong achter in de pick-up. Vraag: wat was de rol van [medeverdachte 2]? Antwoord: [medeverdachte 2] moest de pick-up besturen.
We reden naar de locatie van de te beroven woning. We parkeerden in een zijstraat. We sprongen met ons drieën uit de auto. We zijn toen rennend naar de woning gegaan.
Ik zag dat er 2 auto’s stonden. Ik zag het slachtoffer op de grond liggen Ik liep steeds van de voorporch naar de achterporch.
18. Een proces-verbaal van 4e verhoor verdachte [verdachte 2] d.d. 17 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte 2], bijgenaamd [verdachte 2]:
V: Wie was verantwoordelijk voor de besluitvorming bij de overval?
A: Niemand. De bedoeling was gewoon geld en sieraden, iedereen zoekt mee en dan weg.
V: Welke persoon had het laatste woord als er iets beslist moest worden?
A: Ook hier niemand. We waren gelijkwaardig in alles.
19. Een proces-verbaal van 6e verhoor verdachte [verdachte 2]d.d. 30 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte 2], bijgenaamd [verdachte 2]:
0: De ene man bleef bij de vrouw, terwijl de andere de kamers doorzocht.
V: Met wat was je op dat moment bezig geweest?
A: Ik bleef de hele tijd bij de man (het slachtoffer). Af en toe liep ik naar de ingang op de uitkijk. Een van de jongens zei dat we moesten vertrekken, maar ze bleven zoeken totdat ze een sleutel hadden gevonden.
V: Met welk bedoeling was je binnen gebleven?
A: Ik nam alles in gaten, en zorgde ook ervoor dat de vrouw de politie niet belt.
20. Een proces-verbaal van horen bij inverzekeringstelling d.d. 13 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
Ik beken dat ik betrokken was bij het voorval en dat ik degene was die de man had geschoten.
21. Een proces-verbaal van 1e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 13 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
De dag van het gebeurde waren wij naar [adres 1] geweest. Wij rennen daarnaar toe en sprongen over de afrasteringsdeur op het erf. Ik was vergezeld van [verdachte 1] en [verdachte 2] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [verdachte 2]) de woning binnen geweest. Toen ik over het hek sprong had ik een vuistvuurwapen in mijn rechterhand. [verdachte ] hield ook een vuistvuurwapen in zijn hand. Wij zagen dat de deur van de woning open was. We liepen met ons drieën de woning binnen. Ik liep alleen naar een slaapkamer. [verdachte ] en [verdachte 2] waren in een andere richting geweest. Toen het schot afging zag ik dat deze man zijn hand richting zijn borst zette. Ik zag dat hij op de grond viel. Ik heb een sleutel van een auto van het slachtoffer genomen. En een afstandsbediening. We reden met de auto weg.
Vraag: waar hadden jullie elkaar ontmoet op 31 mei? Ik was [verdachte ] gaan zoeken en ik was samen met hem naar de woning van [verdachte 2] gegaan. Daarna zijn we met ons drieën naar de Chinees voor de kerk van [plek] geweest. Dit hebben wij gedaan op aanwijzing van [verdachte 2] om een vierde persoon op te halen, een kennis van [verdachte 2]. Ik ken hem bij aanzicht. Ik hoorde [verdachte 2] hem “[medeverdachte 2]”(het Gerecht begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) noemen. Vraag: waarom moesten jullie [medeverdachte 2] opzoeken? Antwoord: zodat hij de pick-up kon besturen.
Ik was de eerste zijweg rechts van [adres 3] ingereden. Ga je een heuveltje op. Het was min of meer achter de woning [adres 1]. Ik was daar gestopt en stapte uit. Hierna wist “[medeverdachte 2]” al dat hij het stuur moest overnemen. Dit had [verdachte 2] al met hem afgesproken. We liepen met ons drieën samen. Ik sprong als eerste over de afrastering, daarna [verdachte ] en als laatste [verdachte 2].
We bleven naast de auto’s op [verdachte 2] wachten. Daarna waren ik en [verdachte ] de woning als eerste binnen gelopen en direct na ons was [verdachte 2] binnen gekomen.
Vraag: wat heb je met het vuurwapen dat je tijdens deze beroving gebruikt gedaan? Antwoord: deze vuurwapen werd ook door de politie in beslaggenomen. Dit werd door de politie aangetroffen toen [verdachte ] werd aangehouden. Vraag: Waar lag deze vuistvuurwapen? Antwoord: het lag in een zwarte tas. Ik had het op een raam achtergelaten. Het was een zwart vuurwapen waarop "[merk 4]" was geschreven.
Aan de verdachte [medeverdachte 1]werden twee foto’s getoond waarop de aangetroffen vuurwapens tijdens huiszoeking te [adres 2] naast [nummer a] staan afgebeeld.
Vraag: welke van deze vuurwapens is van jou? Antwoord: ik herken het vuurwapen afgebeeld op foto nummer 2 als het vuurwapen welke ik daar had achtergelaten. Het is ook dezelfde vuurwapen welke ik tijdens de beroving met dodelijke afloop te [adres 1] had gebruikt om de bewoner neer te schieten.
22. Een proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 19 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
Vraag: was je bij [verdachte] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [verdachte]) op de dag dat hij bij [adres 2] werd aangehouden? Antwoord: ja, ik was samen met [verdachte]. Het vuurwapen dat ik bij de overval te [adres 1] had gebruikt lag bij het raam naast de sofa waarop ik zat. Het andere vuurwapen is van [verdachte ].
Ik heb mijn vuurwapen geladen toen ik in de kamer aankwam. Ik wist dat er personen thuis moeten zijn.
Wij hadden allemaal een vuurwapen. [verdachte 2] had ook een vuurwapen bij zich. Vraag: had je [verdachte 2] met een vuurwapen tijdens deze beroving gezien? Antwoord: ja, het was geen revolver. Het was een pistool.
Vraag: hoe vaak reed jij voor de woning [adres 1]? Ik had een scooter en de pick-up gebruikt. Een dag voor het incident en de dag van het incident was ik langs gereden om de situatie bij de woning te bezichtigen. In totaal vier (4) keer. Ik wou gewoon weten hoeveel mensen er daar aanwezig was en of ik kon misschien kon zien wie ik zal tegenkomen tijdens de beroving.
23. Een proces-verbaal van 3e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 4 juli 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
Vraag: wat zou het plan zijn als het schot niet afging? Antwoord: we zouden dan te voet vertrekken om [medeverdachte 2] (het Gerecht begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) te ontmoeten nabij de plaats van de Haïtianen. [verdachte 2] had verteld dat [medeverdachte 2] daar zou wachten. [verdachte 2] had verteld dat [medeverdachte 2] ons zal afzetten en ophalen.
24. Een proces-verbaal van 4e verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 4 juli 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
De twee zakken munitie aangetroffen tijdens de zoeking te [adres 2] zijn van mij.
25. Een proces-verbaal van zoeking [adres 2] naast 93 d.d.
Inleiding
9 juni 2024, voor zover inhoudende:
Op 9 juni 2024 werd de woning adres [adres 2] naast [nummer a] binnengetreden ter aanhouding van de verdachte [verdachte]. Tijdens de zoeking werden verschillende voorwerpen aangetroffen:
Sofa
Een zwarte tas met een zwart vuistvuurwapen met 15 scherpe patronen in de patroonhouder.
Raam
Een zwart vuistvuurwapen met 18 scherpe patronen in de patroonhouder.
Nabij deur naar achteren
Een zak inhoudende 51 scherpe patronen en een zakje inhoudende 16 scherpe patronen.
26. Een proces-verbaal forensisch onderzoek aan een op een vuurwapen gelijkend voorwerp d.d. 1 juli 2024, voor zover inhoudende:
Het op 9 juni 2024 op de [adres 2] naast [nummer a] in beslag genomen voorwerp is een pistool van het merk [merk 4] model F samen met 18 scherpe patronen. Het pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en het pistool en de scherpe patronen zijn deugdelijk.
27. Een proces-verbaal forensisch onderzoek aan een op een vuurwapen gelijkend voorwerp d.d. 1 juli 2024, voor zover inhoudende:
Het op 9 juni 2024 op de [adres 2] naast [nummer a] in beslag genomen voorwerp is een pistool van het merk [merk 4] model [model 1] samen met 15 scherpe patronen. Het pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en het pistool en de scherpe patronen zijn deugdelijk.
28. Een proces-verbaal van 2e verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 19 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2], bijgenaamd [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2]:
[verdachte 2] had mij gezegd om naar de Toko voor de Rooms Katholieke Kerk van [plek] te gaan. Dit had ik ook gedaan. Hierna kreeg ik een telefoontje binnen. Het was [verdachte 2] die mij had opgebeld. [verdachte 2] die zei tegen mij om naar de pick-up te komen !open. [verdachte 2] zat bij de mede inzittende zitting. lk zag dat [medeverdachte 1] achter het stuur van deze pick-up zat. [verdachte 2] heeft mij dan gevraagd om eventjes met hun mee te gaan. Aangezien er geen zitting plaats meer in de pick-up was, ging ik in de laadbak van deze pick-up zitten.
De pick-up reed op een weg waar wij een heuveltje op moest rijden. Ze hebben de pick-up bij een T-kruising geparkeerd. lk had dan uit de laadbak uitgestapt. lk zag dat [medeverdachte 1], [verdachte 2] en de persoon wie ik niet ken hun masker aantrok. lk ging achter het stuur van de pick-up zitten. lk zag dat ze met z'n drieën wegliepen.
Onderweg zag ik dat één van de personen die zonet uit de pick-up was gestapt over de afrastering van een woning aan het springen was.
29. Een proces-verbaal van 1e verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 15 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2], bijgenaamd [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2]:
Vraag: en wat was uw reactie op het feit dat u twee mensen in de auto ziet zitten met hoofd bedekkende stof en 1 persoon die u helemaal niet kon zien? Antwoord: ik dacht op dat moment wel dat er iets mis was. Dat ze iets gingen doen wat niet goed was.
30. De verklaring die de verdachte [verdachte] als getuige ter terechtzitting van 20 december 2024 heeft afgelegd, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik betrokken was bij de overval op de woning van de familie [benadeelde partij 2] op 31 mei 2024. Ik probeerde de poort open te krijgen. Ik nam sleutels van hem over om de poort open te krijgen en hij startte de auto. Ik had een vuurwapen bij me. Toen [verdachte 2] langs me liep om het huis binnen te gaan had hij een vuurwapen in zijn hand. Ik was op de dag van mijn aanhouding 9 juni 2024 in de woning op de [adres 2]. Ik was daar met [medeverdachte 1] [medeverdachte 1]. Ik had die dag mijn vuurwapen bij me. Sinds het incident hield ik het vuurwapen bij me.
31. De verklaring die de verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 19 december 2024 heeft afgelegd, voor zover inhoudende:
Het vuurwapen met de 18 scherpe patronen erin was van mij. Dat is het wapen dat is aangetroffen bij het raam.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
9 juni 2024, voor zover inhoudende:
Op 9 juni 2024 werd de woning adres [adres 2] naast [nummer a] binnengetreden ter aanhouding van de verdachte [verdachte]. Tijdens de zoeking werden verschillende voorwerpen aangetroffen:
Sofa
Een zwarte tas met een zwart vuistvuurwapen met 15 scherpe patronen in de patroonhouder.
Raam
Een zwart vuistvuurwapen met 18 scherpe patronen in de patroonhouder.
Nabij deur naar achteren
Een zak inhoudende 51 scherpe patronen en een zakje inhoudende 16 scherpe patronen.
26. Een proces-verbaal forensisch onderzoek aan een op een vuurwapen gelijkend voorwerp d.d. 1 juli 2024, voor zover inhoudende:
Het op 9 juni 2024 op de [adres 2] naast [nummer a] in beslag genomen voorwerp is een pistool van het merk [merk 4] model F samen met 18 scherpe patronen. Het pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en het pistool en de scherpe patronen zijn deugdelijk.
27. Een proces-verbaal forensisch onderzoek aan een op een vuurwapen gelijkend voorwerp d.d. 1 juli 2024, voor zover inhoudende:
Het op 9 juni 2024 op de [adres 2] naast [nummer a] in beslag genomen voorwerp is een pistool van het merk [merk 4] model [model 1] samen met 15 scherpe patronen. Het pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en het pistool en de scherpe patronen zijn deugdelijk.
28. Een proces-verbaal van 2e verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 19 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2], bijgenaamd [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2]:
[verdachte 2] had mij gezegd om naar de Toko voor de Rooms Katholieke Kerk van [plek] te gaan. Dit had ik ook gedaan. Hierna kreeg ik een telefoontje binnen. Het was [verdachte 2] die mij had opgebeld. [verdachte 2] die zei tegen mij om naar de pick-up te komen !open. [verdachte 2] zat bij de mede inzittende zitting. lk zag dat [medeverdachte 1] achter het stuur van deze pick-up zat. [verdachte 2] heeft mij dan gevraagd om eventjes met hun mee te gaan. Aangezien er geen zitting plaats meer in de pick-up was, ging ik in de laadbak van deze pick-up zitten.
De pick-up reed op een weg waar wij een heuveltje op moest rijden. Ze hebben de pick-up bij een T-kruising geparkeerd. lk had dan uit de laadbak uitgestapt. lk zag dat [medeverdachte 1], [verdachte 2] en de persoon wie ik niet ken hun masker aantrok. lk ging achter het stuur van de pick-up zitten. lk zag dat ze met z'n drieën wegliepen.
Onderweg zag ik dat één van de personen die zonet uit de pick-up was gestapt over de afrastering van een woning aan het springen was.
29. Een proces-verbaal van 1e verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 15 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2], bijgenaamd [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2]:
Vraag: en wat was uw reactie op het feit dat u twee mensen in de auto ziet zitten met hoofd bedekkende stof en 1 persoon die u helemaal niet kon zien? Antwoord: ik dacht op dat moment wel dat er iets mis was. Dat ze iets gingen doen wat niet goed was.
30. De verklaring die de verdachte [verdachte] als getuige ter terechtzitting van 20 december 2024 heeft afgelegd, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik betrokken was bij de overval op de woning van de familie [benadeelde partij 2] op 31 mei 2024. Ik probeerde de poort open te krijgen. Ik nam sleutels van hem over om de poort open te krijgen en hij startte de auto. Ik had een vuurwapen bij me. Toen [verdachte 2] langs me liep om het huis binnen te gaan had hij een vuurwapen in zijn hand. Ik was op de dag van mijn aanhouding 9 juni 2024 in de woning op de [adres 2]. Ik was daar met [medeverdachte 1] [medeverdachte 1]. Ik had die dag mijn vuurwapen bij me. Sinds het incident hield ik het vuurwapen bij me.
31. De verklaring die de verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 19 december 2024 heeft afgelegd, voor zover inhoudende:
Het vuurwapen met de 18 scherpe patronen erin was van mij. Dat is het wapen dat is aangetroffen bij het raam.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
9 juni 2024, voor zover inhoudende:
Op 9 juni 2024 werd de woning adres [adres 2] naast [nummer a] binnengetreden ter aanhouding van de verdachte [verdachte]. Tijdens de zoeking werden verschillende voorwerpen aangetroffen:
Sofa
Een zwarte tas met een zwart vuistvuurwapen met 15 scherpe patronen in de patroonhouder.
Raam
Een zwart vuistvuurwapen met 18 scherpe patronen in de patroonhouder.
Nabij deur naar achteren
Een zak inhoudende 51 scherpe patronen en een zakje inhoudende 16 scherpe patronen.
26. Een proces-verbaal forensisch onderzoek aan een op een vuurwapen gelijkend voorwerp d.d. 1 juli 2024, voor zover inhoudende:
Het op 9 juni 2024 op de [adres 2] naast [nummer a] in beslag genomen voorwerp is een pistool van het merk [merk 4] model F samen met 18 scherpe patronen. Het pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en het pistool en de scherpe patronen zijn deugdelijk.
27. Een proces-verbaal forensisch onderzoek aan een op een vuurwapen gelijkend voorwerp d.d. 1 juli 2024, voor zover inhoudende:
Het op 9 juni 2024 op de [adres 2] naast [nummer a] in beslag genomen voorwerp is een pistool van het merk [merk 4] model [model 1] samen met 15 scherpe patronen. Het pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en het pistool en de scherpe patronen zijn deugdelijk.
28. Een proces-verbaal van 2e verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 19 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2], bijgenaamd [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2]:
[verdachte 2] had mij gezegd om naar de Toko voor de Rooms Katholieke Kerk van [plek] te gaan. Dit had ik ook gedaan. Hierna kreeg ik een telefoontje binnen. Het was [verdachte 2] die mij had opgebeld. [verdachte 2] die zei tegen mij om naar de pick-up te komen !open. [verdachte 2] zat bij de mede inzittende zitting. lk zag dat [medeverdachte 1] achter het stuur van deze pick-up zat. [verdachte 2] heeft mij dan gevraagd om eventjes met hun mee te gaan. Aangezien er geen zitting plaats meer in de pick-up was, ging ik in de laadbak van deze pick-up zitten.
De pick-up reed op een weg waar wij een heuveltje op moest rijden. Ze hebben de pick-up bij een T-kruising geparkeerd. lk had dan uit de laadbak uitgestapt. lk zag dat [medeverdachte 1], [verdachte 2] en de persoon wie ik niet ken hun masker aantrok. lk ging achter het stuur van de pick-up zitten. lk zag dat ze met z'n drieën wegliepen.
Onderweg zag ik dat één van de personen die zonet uit de pick-up was gestapt over de afrastering van een woning aan het springen was.
29. Een proces-verbaal van 1e verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 15 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2], bijgenaamd [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2]:
Vraag: en wat was uw reactie op het feit dat u twee mensen in de auto ziet zitten met hoofd bedekkende stof en 1 persoon die u helemaal niet kon zien? Antwoord: ik dacht op dat moment wel dat er iets mis was. Dat ze iets gingen doen wat niet goed was.
30. De verklaring die de verdachte [verdachte] als getuige ter terechtzitting van 20 december 2024 heeft afgelegd, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik betrokken was bij de overval op de woning van de familie [benadeelde partij 2] op 31 mei 2024. Ik probeerde de poort open te krijgen. Ik nam sleutels van hem over om de poort open te krijgen en hij startte de auto. Ik had een vuurwapen bij me. Toen [verdachte 2] langs me liep om het huis binnen te gaan had hij een vuurwapen in zijn hand. Ik was op de dag van mijn aanhouding 9 juni 2024 in de woning op de [adres 2]. Ik was daar met [medeverdachte 1] [medeverdachte 1]. Ik had die dag mijn vuurwapen bij me. Sinds het incident hield ik het vuurwapen bij me.
31. De verklaring die de verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 19 december 2024 heeft afgelegd, voor zover inhoudende:
Het vuurwapen met de 18 scherpe patronen erin was van mij. Dat is het wapen dat is aangetroffen bij het raam.
Bewijsoverwegingen