Rechtspraak 2025-01-21
ECLI:NL:OGEAC:2025:225
Uitspraak van 21 januari 2025 BBZ nrs. CUR202401792 en CUR202402472 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van: [Belanghebbende] , gevestigd te Curaçao, belanghebbende, gericht tegen: DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN , zetelend in Curaçao, de Inspecteur. 1 PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is op 30 juni 2021 een naheffingsaanslag winstbelasting over het jaar 2019 opgelegd resulterende in een bedrag aan te betalen winstbelasting van NAf 6.000. Tegelijkertijd is een verzuimboete opgelegd van NAf 300. 1.2 Aan belanghebbende is op 29 juni 2023 een naheffingsaanslag winstbelasting over het jaar 2021 opgelegd resulterende in een bedrag aan te betalen winstbelasting van NAf 6.000. Tegelijkertijd is een verzuimboete opgelegd van NAf 1.000. 1.3 Belanghebbende heeft op 17 augustus 2021 (2019) en 24 juli 2023 (2021) bezwaar gemaakt. 1.4 De Inspecteur heeft op 3 april 2024 (2019) en 5 juni 2024 (2021) uitspraken op bezwaar gedaan en de naheffingsaanslagen en de boetes gehandhaafd. Nadien heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag winstbelasting 2019 alsnog vernietigd en de boete verminderd tot een bedrag van NAf 250. 1.5 Belanghebbende heeft op 26 mei 2024 (2019) en 2 juli 2024 (2021) beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van tweemaal NAf 150, totaal NAf 300. 1.6 Belanghebbende heeft op 31 oktober 2014 (een) aanvullend stuk(ken) ingediend. 1.7 De Inspecteur heeft op 21 november 2024 een verweerschrift ingediend. Hierop heeft belanghebbende gereageerd op 27 november 2024. 1.8 De zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2024 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen de heer [A] verbonden aan [Q] en [B]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [C] en [D]. 1.9 Kort na sluiting van de zitting heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag winstbelasting 2021 vernietigd. 2 FEITEN 2.1 Belanghebbende is opgericht op 12 januari 2011 met als doel het doen van uitkeringen uit haar vermogen aan zodanige instellingen en personen als het bestuur zal bepalen en het verschaffen van financiële bijstand aan die instellingen en personen door middel van leningen, het stellen van zekerheid, lijfrenteovereenkomsten en daarmee vergelijkbare regelingen. 2.2 De bestuursleden van belanghebbende zijn [S] NV en [W]. 2.3 Op 30 juni 2021 heeft de Inspecteur een taxatieve naheffingsaanslag winstbelasting 2019 opgelegd, alsmede een verzuimboete van NAf 300. Op 24 mei 2024 heeft belanghebbende alsnog een (nihil)aangifte winstbelasting 2019 ingediend. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag vernietigd en de boete verminderd naar NAf 250 (eerste verzuim). 2.4 Op 29 juni 2023 heeft de Inspecteur een taxatieve naheffingsaanslag winstbelasting 2021 opgelegd, alsmede een verzuimboete van NAf 1.000 (derde verzuim). Op 24 juni 2024 heeft belanghebbende alsnog een (nihil)aangifte winstbelasting 2021 ingediend. 2.5 Na sluiting van de zitting, op 2 december 2024 heeft de Inspecteur na ontvangst van de jaarstukken over 2021, de naheffingsaanslag winstbelasting 2021 vernietigd. De ter zake opgelegde boete van NAf 1.000 is in stand gebleven. 3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN 3.1 Na vernietiging van de naheffingsaanslagen winstbelasting zijn enkel de in stand gebleven boetes van NAf 250 (2019) en NAf 1.000 (2021) nog in geschil. 3.2 Belanghebbende is van mening dat geen boete kan worden opgelegd, omdat er geen aangifte gedaan hoeft te worden. Daarnaast meent belanghebbende dat artikel 18 ALL niet van toepassing is, en er ook om die reden geen boete kan worden opgelegd. Tot slot stelt belanghebbende dat vanwege een overschrijding van de termijn waarbinnen uitspraak op bezwaar moet worden gedaan, het bezwaar toegewezen had moeten worden. 3.3 De Inspecteur is van mening dat de boetes terecht zijn opgelegd en er geen reden is voor een (verder) vermindering. 4 OVERWEGINGEN Beroep tegen de naheffingsaanslagen 2019 en 2021 4.1. De zinsnede ’stichtingen uit bedrijven’ getuigt bepaalt niet van fraai taalgebruik – beter zou zijn: ‘stichtingen die een bedrijf of onderneming uitoefenen –, maar dit betekent zeker niet dat ‘uit bedrijven’ mede ziet op ‘stichtingen particulier fonds’. Zou dit wel het geval zijn dan verwordt artikel 2, lid 1, letter h, Lv WB tot een betekenisloze bepaling, omdat op grond van die bepaling dan de winst wordt vrijgesteld van een lichaam dat niet belastingplichtig is. Daarnaast zou de zienswijze van belanghebbende de parlementaire toelichting, opgenomen onder 4.7 zinledig maken. 4.10 Belanghebbende heeft verder nog aangevoerd dat in Nederland de SPF (ook) buiten de vennootschapsbelasting wordt gehouden. Indien belanghebbende daarmee betoogt dat dit betekent dat om die reden de SPF ook in Curaçao als niet belastingplichtig dient te worden aangemerkt, faalt dat betoog, omdat het Land Curaçao een eigen, autonome wet- en regelgeving kent, onafhankelijk van wat in Nederland te gelden heeft. 4.11 Voorts is belanghebbende onder verwijzing naar artikel 18, lid 2 van de ALL van mening dat geen boete kan worden opgelegd, omdat uit genoemde bepaling zou blijken dat sprake zou moeten zijn van verschuldigdheid van belasting die op aangifte moet worden voldaan, wil de Inspecteur een boete kunnen opleggen. En er is in de jaren 2019 en 2021 geen belasting verschuldigd, aldus nog steeds belanghebbende. 4.12 Artikel 18, lid 2 van de ALL bepaalt: ‘2. Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de aangifte voor een belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete van ten hoogste NAf 2.500,-- kan opleggen.’ 4.13 Naar het oordeel van het Gerecht is belanghebbendes interpretatie van artikel 18, lid 2 van de ALL niet juist. De zinsnede ‘belasting die op aangifte moet worden voldaan’ betekent niet dat er sprake dient te zijn van de verschuldigdheid van belasting, maar dat het bepaalde in artikel 18, lid 2 van de ALL ziet op de zogenaamde ‘aangiftebelastingen’, dit ter onderscheiding van de ‘aanslagbelastingen’ (artikel 18, lid 1 van de ALL). Een vergelijkbaar onderscheid tussen aangiftebelastingen en aanslagbelastingen wordt onder andere ook gemaakt in de artikelen 7 en 8 van de ALL en in Afdeling 2 (aanslagbelastingen) en Afdeling 3 (aangiftebelastingen) van de ALL. 4.14 Belanghebbende heeft tot slot nog aangevoerd dat vanwege een overschrijding van de termijn waarbinnen uitspraak op bezwaar moet worden gedaan, het bezwaar toegewezen had moeten worden. Belanghebbende doelt in dit verband op het bepaalde in artikel 30, lid 2 van de ALL alwaar is bepaald dat een uitspraak geacht wordt niet tijdig te zijn gedaan indien de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak op bezwaar doet. 4.15 Het bezwaarschrift voor het jaar 2019 is bij de Inspecteur binnengekomen op 17 augustus 2021 en er is uitspraak gedaan door de Inspecteur op 3 april 2024. Het bezwaarschrift voor het jaar 2021 is bij de Inspecteur binnengekomen op 24 juli 2023 en er is uitspraak gedaan door de Inspecteur op 5 juni 2024. Het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar, zoals in de onderhavige gevallen, wordt gelijkgesteld met het doen van een uitspraak op bezwaar. Als gevolg van deze gelijkstelling wordt de belastingplichtige de gelegenheid geboden om beroep aan te tekenen tegen de weigering van de Inspecteur om tijdig uitspraak op bezwaar te doen. Anders dan belanghebbende kennelijk veronderstelt, betekent dit echter niet dat het bezwaar toegewezen dient te worden. 4.16 Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot oordeel van het Gerecht dat belanghebbende wel degelijk de verplichting had tot het tijdig doen van aangiften winstbelasting voor de jaren 2019 en 2021. Belanghebbende heeft niet tijdig aangiften gedaan en is vanwege die gedraging terecht beboet. Niet i