Rechtspraak 2025-01-21
ECLI:NL:OGEAC:2025:218
Uitspraak van 21 januari 2025 BBZ nrs. CUR202402359, CUR202402360 en CUR202402471 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van: [Belanghebbende] , gevestigd te Curaçao, belanghebbende, gericht tegen: DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN , zetelend in Curaçao, de Inspecteur. 1 PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is op 30 juni 2021 een naheffingsaanslag winstbelasting over het jaar 2019 opgelegd resulterende in een bedrag aan te betalen winstbelasting van NAf 6.000. Tegelijkertijd is een verzuimboete opgelegd van NAf 300. 1.2 Aan belanghebbende is op 28 juni 2022 een naheffingsaanslag winstbelasting over het jaar 2020 opgelegd resulterende in een bedrag aan te betalen winstbelasting van NAf 6.000. Tegelijkertijd is een verzuimboete opgelegd van NAf 600. 1.3 Aan belanghebbende is op 29 juni 2023 een naheffingsaanslag winstbelasting over het jaar 2021 opgelegd resulterende in een bedrag aan te betalen winstbelasting van NAf 6.000. Tegelijkertijd is een verzuimboete opgelegd van NAf 1.000. 1.4 Belanghebbende heeft op 29 augustus 2021 (2019), 6 juli 2023 (2020) en 14 juli 2023 (2021) bezwaar gemaakt. 1.5 De Inspecteur heeft op 18 juni 2024 (2019) en 26 april 2024 (2020) en 5 juni 2024 (2021) uitspraken op bezwaar gedaan en de naheffingsaanslagen en de boetes gehandhaafd. 1.6 Belanghebbende heeft op 1 juli 2024 (2019) en 23 juni 2024 (2020 en 2021) beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van tweemaal NAf 150 is, totaal, NAf 300. 1.7 Belanghebbende heeft op 31 oktober 2014 (een) aanvullend stuk(ken) ingediend. 1.8 De Inspecteur heeft op 19 november 2024 een verweerschrift ingediend. Hierop heeft belanghebbende gereageerd op 27 november 2024. 1.9 Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnotitie (‘Mogelijk pleidooi’) voorgedragen en overgelegd aan de wederpartij en het Gerecht. 1.10 De zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2024 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen de heer [A] verbonden aan [Q] en [B]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [C] en [D]. 1.11 Kort na sluiting van de zitting heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen winstbelasting 2019, 2020 en 2021 vernietigd en de boete over het jaar 2020 verminderd van NAf 600 naar NAf 500. 2 FEITEN 2.1 Belanghebbende is opgericht op 12 januari 2011 met als doel het doen van uitkeringen uit haar vermogen aan zodanige instellingen en personen als het bestuur zal bepalen en het verschaffen van financiële bijstand aan die instellingen en personen door middel van leningen, het stellen van zekerheid, lijfrenteovereenkomsten en daarmee vergelijkbare regelingen. 2.2 De bestuursleden van belanghebbende zijn [S] en [W]. 2.3 Op 30 juni 2021 heeft de Inspecteur een taxatieve naheffingsaanslag winstbelasting 2019 opgelegd, alsmede een verzuimboete van NAf 300 (eerste verzuim). Op 22 juni 2024 heeft belanghebbende alsnog een (nihil)aangifte winstbelasting 2019 ingediend. Na sluiting van de zitting, op 2 december 2024, heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag winstbelasting 2019 vernietigd en de boete verminderd naar NAf 250. 2.4 Op 28 juni 2022 heeft de Inspecteur een taxatieve naheffingsaanslag winstbelasting 2020 opgelegd, alsmede een verzuimboete van NAf 600 (tweede verzuim). Op 22 juni 2024 heeft belanghebbende alsnog een (nihil)aangifte winstbelasting 2020 ingediend. Na sluiting van de zitting, op 2 december 2024 heeft de Inspecteur na ontvangst van de jaarstukken over 2020, de naheffingsaanslag winstbelasting 2020 vernietigd. De ter zake opgelegde boete van NAf 600 is verminderd naar NAf 500. 2.5 Op 29 juni 2023 heeft de Inspecteur een taxatieve naheffingsaanslag winstbelasting 2021 opgelegd, alsmede een verzuimboete van NAf 1.000 (derde verzuim). Op 22 juni 2024 heeft belanghebbende alsnog een (nihil)aangifte winstbelasting 2021 ingediend. Na sluiting van de zitting, op 2 december 2024 heeft de Inspecteur na ontvangst Beroep tegen de boetes 2019, 2020 en 2021 4.6 Belanghebbende is van mening dat de boetes van NAf 250 (2019), 500 (2020) en NAf 1.000 (2021) in verband met het te laat indienen van de aangiften winstbelasting 2019, 2020 en 2021 ten onrechte zijn opgelegd, omdat belanghebbende geen bedrijf uitoefent, geen activiteiten in het economische verkeer verricht en geen winstdoelstelling heeft, en dus ook niet de verplichting heeft om aangiften in te dienen. In dit verband verwijst belanghebbende naar artikel 1, lid 1, letter b en artikel 2, lid 1, letter h, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 (hierna: Lv WB). 4.7 De Inspecteur is van mening dat belanghebbende de verplichting tot het indienen van aangiften wél had en te laat aangiften heeft gedaan. Omdat sprake is van een eerste (2019), tweede (2020) en een derde verzuim (2021) is (na vermindering) een boete van NAf 250 (2019), NAf 500 (2020) en NAf 1.000 (2021) opgelegd. 4.8. Artikel 1, aanhef, alsmede lid 1, letter b van de Lv WB bepaalt: ‘1. Onder de naam van “winstbelasting” wordt een belasting geheven van: a. (…) b. binnen de Nederlandse Antillen [Gerecht: bedoeld zal zijn: Curaçao] gevestigde verenigingen, waarbij het kapitaal niet in aandelen is verdeeld, trusts, stichtingen particulier fonds en stichtingen uit bedrijven, andere dan die uitsluitend ter behartiging van een algemeen maatschappelijk belang; (…).’ 4.9 Artikel 2, aanhef, alsmede lid 1, letter h van de Lv WB bepaalt: ‘2. Van de belasting is vrijgesteld: a.-g. (…) h. de winst van een stichting die overeenkomstig haar statuten is ingericht als een particulier fonds, tenzij deze winst voortvloeit uit bedrijf; (…).’ 4.10. In artikel 1 van de Lv WB is derhalve bepaald wie subjectief belastingplichtig zijn. Onder die subjectief belastingplichtigen is mede geschaard: de stichting particulier fonds, zoals belanghebbende. In artikel 2 van de Lv WB is bepaald welke winsten en voordelen zijn vrijgesteld, waarbij het gaat om objectieve vrijstellingen. Onder letter h is bepaald dat de winst van de subjectieve belastingplichtige stichting particulier fonds is vrijgesteld indien die stichting particulier fonds niet een bedrijf uitoefent. 4.11 Het belang van het subjectief belastingplichtig zijn van een stichting particulier fonds vloeit ook duidelijk voort uit de parlementaire geschiedenis. Bij de introductie van de subjectieve belastingplicht van de stichting particulier fonds bij Landsverordening van 13 juni 2018, PB 2018, no. 30 heeft de wetgever als toelichting gegeven: ‘Een stichting particulier fonds is per abuis niet opgenomen. Immers. Het is wenselijk dat een stichting particulier fonds jaarlijks aangifte doet, enerzijds om te kunnen controleren of aan alle voorwaarden voor het niet verschuldigd zijn van winstbelasting wordt voldaan en anderzijds vanuit het oogpunt van transparantie ten behoeve van een mogelijk verzoek om inlichtingenuitwisseling. Deze omissie wordt in dit onderdeel hersteld.’ Uit de toelichting van de wetgever leidt het Gerecht af dat de wetgever nadrukkelijk beoogd heeft de stichting particulier fonds aan te merken als subjectief belastingplichtige, onder andere om zodoende een aangiftetoets te kunnen doen plaatsvinden. Aan de hand van de in te dienen aangifte wordt beoordeeld of de belastingplichtige in aanmerking komt voor een objectieve vrijstelling. 4.12 In haar reactie op het verweerschrift heeft belanghebbende verder nog aangevoerd dat op grond van het bepaalde in artikel 1, lid 1, letter b, Lv WB belanghebbende niet subjectief belastingplichtig is, onder verwijzing naar: ‘stichtingen particulier fonds en stichtingen uit bedrijven’. Naar het Gerecht begrijpt betoogt belanghebbende in deze dat ‘uit bedrijven’ mede ziet op ‘stichtingen particulier fonds’. 4.13 Naar het oordeel van het Gerecht is de interpretatie van belanghebbende onjuist en hoort ‘uit bedrijven’ exclusief bij ‘stichtingen’. De bedoelde categorie betreft derhalve ‘stichtingen uit bedrijven’. De zinsnede ’stichtingen uit bed 4.21 Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot oordeel van het Gerecht dat belanghebbende wel degelijk de verplichting had tot het tijdig doen van aangiften winstbelasting voor de jaren 2019, 2020 en 2021. Belanghebbende heeft niet tijdig aangiften gedaan en is vanwege die gedragingen terecht beboet. Niet in geschil is dat sprake is van een eerste (2019), tweede (2020) en derde (2021) verzuim. De door de Inspecteur opgelegde boete is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 18, lid 2 van de ALL juncto artikel 4.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht. Het Gerecht oordeelt de boetes voorts passend en geboden en ziet dan ook geen reden om de boetes te verminderen. Slotsom beroep tegen de naheffingsaanslag winstbelasting 2019, 2020 en 2021 en de ter zake daarvan opgelegde boetes 4.22 Voor wat betreft de naheffingsaanslagen winstbelasting 2019, 2020 en 2021 moet het beroep gegrond worden verklaard, alsmede voor wat betreft de boetes voor de jaren 2019 en 2020 nu de Inspecteur (alsnog) heeft besloten de naheffingsaanslag 2019, 2020 en 2021 te vernietigen en boetes voor de jaren 2019 en 2020 te verminderen van respectievelijk NAf 300 naar NAf 250 en NAf 600 naar NAf 500. Voor zover het de boete voor het jaar 2021 betreft, moet het beroep ongegrond worden verklaard. 5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT Kosten bezwaarfase 5.1 Ingevolge artikel 32a, lid 1 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet ingevolge artikel 32a, lid 2 ALL worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in artikel 6.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht. 5.2 Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de kosten van bezwaar. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende niet verzocht om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Overigens heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Gerecht ook niet ernstig onzorgvuldig gehandeld. Kosten beroepsfase 5.3 Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. 5.4 In artikel 15, lid 2, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127. 5.5 In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf. 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1). Griffierecht 5.6 Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 300 aan belanghebbende te vergoeden. 6 DE BESLISSING Het Gerecht: verklaart het beroep voor zover het betreft de naheffingsaanslagen winstbelasting 2019, 2020 en 2021, alsmede voor wat betreft de boetes voor wat betreft de jaren 2019 en 2020 gegrond en voor zover het betreft de boete voor het jaar 2021 ongegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover het de naheffingsaanslagen winstbelasting 2019, 2020 en 2021 en de boetes voor de jaren 2019 en 2020 betreft; vernietigt de naheffingsaanslagen winstbelasting 2019, 2020 en 2021; vermindert de boete voor wat betreft het jaar 2019 van NAf 300 naar NAf 250 en voor wat betreft het jaar van N