Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2025-01-20
ECLI:NL:OGEAC:2025:180
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,808 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202301854
Vonnis van 20 januari 2025
in de zaak van
de naamloze vennootschap VILLAPARK FONTEIN N.V.,
gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. K.A. Doekhi en mr. K. Saleh-Rog,
tegen
de naamloze vennootschap GI-RO SETTLEMENT HOLDING N.V.,
gevestigd in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. H.W. Braam.
Partijen worden hierna Fontein en GSH genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 15 juni 2023,
de conclusie van antwoord,
de conclusie van repliek,
de conclusie van dupliek.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
Fontein heeft als doel het ontwikkelen, huren en verhuren van onroerende goederen.
2.2.
Girobank N.V. (hierna: Girobank) heeft sinds 2011 verschillende kredietfaciliteiten aan Fontein verleend, die zijn vastgelegd in afzonderlijke commitment letters:
een commitment letter van 7 juni 2011 voor een lening van NAf 2.000.000 (non-revolving loan) voor de duur van 3 jaar tegen 7% rente, te verhogen met 5% in geval van verzuim. Aflossing van de non-revolving loan vond plaats door maandelijkse betalingen van NAf 11.666,67;
een commitment letter van 28 mei 2013 voor een verhoging van de lening (non-revolving loan) naar NAf 2.300.000 voor de duur van 5 jaar tegen 7% rente, en een bankgarantie ten bedrage van NAf 600.000 geldig tot 31 december 2013. Aflossing van de non-revolving loan vond plaats door afdracht van 50% van de verkoopopbrengst van de woningen;
een commitment letter van 11 september 2014 voor een lening van NAf 3.742.548 in het kader van een herstructurering en verhoging van de non-revolving loan met NAf 1.170.000 voor de duur van 5 jaar (tot 28 juni 2019) tegen 7% rente, te verhogen met 18% in geval van verzuim. Aflossing van de non-revolving loan vond plaats door afdracht van 75% van de verkoopopbrengst van de woningen;
een commitment letter van 5 december 2018 voor een lening van NAf 1.630.000 (overdraft facility), credit card limiet van NAf 5.000 en een lening van NAf 2.764.297 zijnde een voortzetting van de non-revolving loan tot en met 31 december 2020 tegen 7% rente, te verhogen met 18% in geval van verzuim. Aflossing van de overdraft facility en de non-revolving loan vond plaats door afdracht van respectievelijk 30% en 60% van de verkoopopbrengst van de woningen. Bij brief van 8 juli 2020 is er nieuw afbetalingsschema met wisselende percentages overeengekomen waarbij het percentage van 18% bij verzuim is gehandhaafd.
2.3.
Bij e-mail van 8 december 2020 heeft Girobank aan Fontein aangegeven de kredietfaciliteiten per 31 december 2020 niet meer te zullen verlengen. Fontein is meteen op zoek gegaan naar een passende herfinanciering. In de tussentijd heeft Fontein gevraagd om verlenging van de aflossingstermijn met één jaar.
2.4.
Fontein is nog een kans gegeven om de lening af te lossen uiterlijk per 1 mei 2021. Dat is vastgelegd in een commitment letter van 1 maart 2021 voor een lening van NAf 3.288.464 in het kader van een herstructurering van de non-revolving loan ingaande 1 januari 2021 tot 1 mei 2021 tegen 7% rente, te verhogen met 18% in geval van verzuim. Aflossing van de non-revolving loan vond plaats door afdracht van 90% van de verkoopopbrengst van de woningen.
2.5.
GSH is op 28 december 2020 opgericht. GSH heeft alle leningsovereenkomsten van Girobank overgenomen.
2.6.
Op 12 mei 2021 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen GSH en Fontein.
2.7.
Bij e-mail van 9 september 2021 heeft GSH alsnog gereageerd op het verzoek van Fontein om de termijn tot aflossing van de lening te verlengen tot eind december 2021:
“ In een brief van 23 december 2020 heeft de gemachtigde van Villapark, mr. M. Murray, gesteld dat Villapark 1 jaar nodig zal hebben om meen nieuwe financier te vinden.
Girobank kan zich hierin vinden.
Per eind december 2021 dient de schuld van Villapark aan Giro volledig te zijn afgelost.
Girobank hiermee geen enkel recht of aanspraak tot onmiddellijke opeisbaarheid van de vordering vrij te geven en behoudt zich ten aanzien hiervan alle rechten en weren voor.”
2.8.
Bij e-mail van 8 augustus 2022 schrijft GSH aan Fontein, voor zover van belang:
“ Villapark is aan GSH per 29 juli 2022 verschuldigd een somma van Fl. 407.889,56.
Vermeerderd met de overeengekomen rente van 7% per jaar wordt het verschuldigde bedrag Fl. 436.452,53 en vermeerderd met de boeterente van 18% wordt dit Fl. 481.321,48.
Omdat Villapark in verzuim is, treedt de boeterente in werking c.q. kan op de boeterente een beroep worden gedaan.
De vorderingen en aanspraken van Girobank op haar debiteuren zijn aan GSH gecedeerd, hetgeen betekent dat ook de met Girobank destijds overeengekomen boeterente van 18% op GSH is overgegaan (dan wel de aanspraak op deze 18% boeterente). Daar hoeven we geen woorden aan vuil te maken.
Het verzuim is van rechtswege ingetreden doordat Villapark de aflossingen op de lening niet tijdig heeft gedaan.”
2.9.
Fontein heeft de schuld aan GSH per 9 september 2022 volledig afgelost. In het betaalde bedrag zit een bedrag van NAf 168.959,13 aan boeterente wegens te late aflossing van de schuld.
3De vordering en de standpunten van partijen
3.1.
Fontein vordert – samengevat – het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad
- voor recht te verklaren dat Fontein niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen ten opzichte van GSH, waardoor GSH het bedrag van NAf 168.959,13 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2023 tot aan de dag van volledige betaling, terug moet betalen aan Fontein, althans voor recht te verklaren dat het boetebeding waar GSH zich op beroept met terugwerkende kracht toepassing mist, althans tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat heeft geleden en dat daarom het bedrag van NAf 168.959,13 onverschuldigd is betaald door Fontein aan GSH, althans voornoemd bedrag te matigen tot nihil of tot een in goede justitie te bepalen boetebedrag;
- voor recht te verklaren dat GSH haar bancaire zorgplicht heeft geschonden ten aanzien van Fontein en dat GSH schadeplichtig is jegens Fontein;
- GSH te veroordelen tot betaling aan Fontein van het bedrag van NAf 168.959,13 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2023 tot de dag van volledige betaling;
- GSH te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan Fontein voor NAf 33.390 en NAf 14.492, 68 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2023 tot aan de dag van volledige betaling en voor het overige nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het ten deze te wijzen vonnis tot aan algehele voldoening;
- GSH te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten alsook in de wettelijke rente berekend over die kosten indien de betaling daarvan niet binnen 14 dagen na het ter zake te wijzen vonnis heeft plaatsgehad.
3.2.
GSH voert gemotiveerd verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hieronder nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
In de kern ziet het geschil op de vraag of GSH ten onrechte boeterente aan Fontein in rekening heeft gebracht.
4.2.
Fontein stelt dat zij deze boeterente niet verschuldigd was omdat zij altijd tijdig aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan. Er waren geen fatale afbetalingstermijnen afgesproken. De aflossingsverplichtingen hielden immers verband met de verkoop van de woningen. Die stelling van Fontein is op zichzelf juist, maar ligt naar het gerecht begrijpt ook niet ten grondslag aan het in rekening brengen van de boeterente. GSH heeft de boeterente in rekening gebracht omdat Fontein het krediet niet binnen de looptijd van de overeenkomst heeft afgelost.
4.3.
Bij het aangaan van de opeenvolgende kredietovereenkomsten, vastgelegd in verschillende commitment letters, heeft Fontein steeds opnieuw ingestemd met een looptijd van de overeenkomst waarbinnen de gehele schuld moest worden afgelost. Het aan Fontein verleende krediet (non-revolving loan) is sinds 2011 afwisselend verhoogd, geherstructureerd en verlengd. Steeds heeft Fontein opnieuw ingestemd met een looptijd voor nakoming en een boeterente ingeval van verzuim. Na beëindiging van de kredietovereenkomst per 31 december 2020 is de lening per 1 januari 2021 nog eenmaal geherstructureerd om Fontein in de gelegenheid te stellen de openstaande schuld af te lossen. Ook toen heeft Fontein een looptijd tot 1 mei 2021 en een boeterente in geval van verzuim aanvaard. Vaststaat dat Fontein de lening niet vóór 1 mei 2021 heeft afgelost. Dat heeft tot gevolg dat de openstaande schuld in zijn geheel ineens opeisbaar is en boeterente verschuldigd is.
4.4.
Voor zover Fontein betoogt dat tijdens de bespreking met GSH van 12 mei 2021 zou afgesproken dat er geen boeterente in rekening zou worden gebracht, heeft Fontein dat, gelet op de betwisting door GSH, niet onderbouwd zodat het gerecht daaraan voorbij gaat.
4.5.
Fontein heeft verder aangevoerd dat het in rekening brengen van de boeterente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij voert daartoe aan dat GSH wist dat Fontein al vanaf 2020 op zoek was naar een passende herfinanciering. Ook heeft GSH de aan Fontein tijdens het gesprek op 12 mei 2021 aangeboden aanvullende lening van NAf 350.000 om versneld te kunnen aflossen, vervolgens niet gestand gedaan. GSH heeft gemotiveerd betwist dat zij een aanvullende lening van NAf 350.000 zou hebben aangeboden. Of GSH in een gesprek een aanvullende lening heeft aangeboden is, gelet op het ontbreken van een commitment letter, niet zonder meer gebleken. Voor het oordeel van het gerecht is dat ook niet van belang. GSH heeft Fontein na beëindiging van het krediet in december 2020, middels een herstructurering van de kredietfaciliteit, een aanvullende termijn voor nakoming gegeven. In de daarbij behorende commitment letter zijn partijen overeengekomen dat er een boeterente verschuldigd zou zijn in geval van verzuim. Nu Fontein de lening niet binnen de aanvullend overeengekomen termijn heeft afgelost is zij in verzuim geraakt en is de boeterente verschuldigd. Dat GSH op zoek was naar een passende herfinanciering doet daar niet aan af. Dat er mogelijk met GSH is gesproken over een aanvullende lening om versneld te kunnen aflossen, is evenmin relevant nu dat gesprek heeft plaatsgevonden nadat Fontein reeds in verzuim was en de boeterente al verschuldigd was geworden.
4.6.
Van een schending van de bancaire zorgplicht is onder deze omstandigheden evenmin sprake. Gelet op de afspraken zoals vastgelegd in de laatste commitment letter wist dan wel had Fontein moeten weten dat een boeterente verschuldigd zou zijn als de schuld niet binnen de looptijd zou zijn afbetaald. Dat de geïnde boeterente tot een voor Fontein buitensporig en onaanvaardbaar resultaat heeft geleid is niet gelegen in het innen van de boete. Fontein had de boete immers kunnen beperken door sneller af te lossen of een passende herfinanciering te vinden. Daar komt bij dat GSH een lagere boeterente in rekening heeft gebracht dan is overeengekomen, te weten 11%.
4.7.
De boeterente is berekend over de periode 1 mei 2021 tot 9 september 2022. Het gerecht is van oordeel dat de boeterente eerst verschuldigd is vanaf 1 januari 2022. In de e-mail van 9 september 2021 heeft GSH gereageerd op het eerdere verzoek van Fontein om de termijn tot aflossing van de lening te verlengen tot eind december 2021. GSH heeft daar alsnog mee ingestemd, weliswaar onder voorbehoud van rechten, maar voldoende om aan te nemen dat Fontein er op mocht vertrouwen dat de termijn voor nakoming uiteindelijk alsnog is verlengd tot 31 december 2021. Ondanks dat Fontein niet binnen die wederom verlengde termijn heeft afgelost, mocht Fontein wel aannemen dat over die periode geen boeterente verschuldigd zou zijn. Dat brengt mee dat Fontein de boeterente over de periode mei 2021 tot en met december 2021 onverschuldigd heeft betaald. GSH zal daarom worden veroordeeld tot (terug)betaling aan Fontein van de in rekening gebrachte en betaalde boeterente over die periode, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2023. Voor matiging bestaat onder deze omstandigheden geen aanleiding, temeer daar de verschuldigde boeterente over de periode januari 2022 tot en met 9 september 2022 reeds is gematigd tot 11%.
4.8.
Gelet op het voorgaande heeft Fontein geen belang bij de gevraagde verklaringen voor recht, zo al toewijsbaar.
4.9.
De vordering tot vergoeding van schade wegens het niet terugbetalen van de teveel betaalde boeterente, wordt eveneens afgewezen nu de gevorderde schade niet in causaal verband staat met de gestelde wanprestatie. De schade die GSH vordert houdt verband met de zoektocht naar een nieuwe financier en de daarmee gepaarde notariskosten. Verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt eveneens afgewezen, nu Fontein niet heeft gesteld waar die schade dan in zou bestaan, anders dan de schade wegens vertraging in de betaling die wordt vergoed middels veroordeling tot betaling van de wettelijke rente over het onverschuldigd betaalde bedrag aan boeterente.
4.10.
Nu partijen over en weer deels in het gelijk worden gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
Dictum
Het gerecht:
5.1.
veroordeelt GSH tot betaling aan Fontein van de in rekening gebrachte en betaalde boeterente over de periode mei 2021 tot en met december 2021 en zoals volgt uit r.o. 4.7., te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2023;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en in het openbaar uitgesproken.