Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2025-01-31
ECLI:NL:OGEAC:2025:142
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,751 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202401852
Beschikking van 31 januari 2025
in de zaak van [verweerder],wonend in Curaçao,verweerder,gemachtigde: mr. D. Wildeman,
tegen
de besloten vennootschap CURAÇAO REFINERY UTILITIES B.V.,gevestigd in Curaçao,verzoekster,gemachtigden: mrs. L.F.F.M. Drissen en L. Sluiter.
Partijen worden hierna [verweerder] en CRU genoemd.
Samenvatting
CRU heeft [verweerder] op 23 december 2023 op staande voet ontslagen. [verweerder] heeft een kort geding aangespannen, waarin hij wedertewerkstelling en loondoorbetaling heeft gevorderd. Die vordering is bij vonnis in kort geding van 2 april 2024 toegewezen. CRU heeft een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. [verweerder] heeft bij verweer een zelfstandig verzoek ingediend dat onder meer er toe strekt dat de bodemrechter voor recht verklaart dat het op 23 december 2023 gegeven ontslag op staande voet nietig is. Het verzoek van CRU tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is bij beschikking van 19 september 2024 afgewezen. In de onderhavige beschikking wordt het zelfstandig verzoek van [verweerder] een verklaring voor recht te geven dat het ontslag op staande voet nietig is toegewezen, omdat CRU onvoldoende heeft onderbouwd dat en welke gedragingen van [verweerder] een dringende reden voor dit ontslag opleveren.
1Het procesverloop
1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit:
de tussenbeschikking van 19 september 2024,
de schriftelijke reactie met producties van 15 oktober 2024 van CRU;
de akte uitlating producties van 12 november 2024 van [verweerder] (door hemzelf genoemd: de antwoordakte).
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1. [
verweerder] is van 1 januari 2020 tot 30 september 2021 in dienst geweest bij CRU. Op 1 november 2022 is hij opnieuw in dienst getreden bij CRU in de functie van Preservation Expert, vanaf 1 september 2023 voor onbepaalde tijd tegen een actueel salaris van NAf 5.477 bruto per maand. Daaraan voorafgaand werkte [verweerder] gedurende negentien jaar tot en met 31 december 2019 bij Isla.
2.3.
Begin oktober 2023 is bij de general manager van CRU, [general manager] (hierna: [general manager]) een bericht binnengekomen van een klokkenluider. [general manager] heeft met de klokkenluider twee gesprekken gevoerd. De klokkenluider heeft de informatie ook op schrift gesteld. In het tweede gesprek heeft zij ook geluidsfragmenten van door haar opgenomen (telefoon)gesprekken met [werknemer 2], een collega van [verweerder], laten horen. [verweerder] is op 7 oktober 2023 door CRU op non actief gesteld. (Het gerecht: inmiddels is bekend dat de naam van de klokkenluider [hoofd v/d afdeling general services CRU] is (hoofd van de afdeling General Services CRU). Zij zal hierna bij haar naam [hoofd v/d afdeling general services CRU] worden genoemd.)
2.4.
Op 8 oktober 2023 heeft CRU opdracht gegeven aan onderzoeksbureau Forensic Caribbean (hierna FC) voor een onderzoek naar de door [hoofd v/d afdeling general services CRU] geuite verwijten en wat de betrokkenheid van -naast drie anderen- [verweerder] is geweest.
2.5.
Op 12 december 2023 heeft FC het (4e) conceptrapport met de onderzoeksresultaten gedeeld met CRU. Op dezelfde dag is [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek bij CRU met [general manager], [CFO van CRU] (CFO van CRU) en [bestuurder bij Refineria di Kòrsou N.V.] (bestuurder bij Refineria di Kòrsou N.V., het moederbedrijf van CRU; hierna te noemen: RdK). In het gesprek is hem verteld dat hij tot 15 december 2023 het rapport kon inzien als hij een geheimhoudingsverklaring zou ondertekenen. Aan [verweerder] is daarna desgevraagd twee keer uitstel van die inzagetermijn verleend tot 21 december 2023, 14:00 uur.
2.6.
Nadat de deadline voor inzage op 21 december 2023 om 14:00 uur was verlopen, heeft mr. Terpstra namens [verweerder] op 21 december 2023 om 18:38 uur nog een beroep gedaan op CRU en haar geschreven: ‘Op dit moment zijn wij bezig met de engagement en ik verzoek u daarom even niets te doen in deze zaak. Wij zullen u zo spoedig mogelijk van een inhoudelijke reactie voorzien’. Hierop is door CRU niet gereageerd en op 23 december 2023 heeft FC aan CRU bevestigd dat het conceptrapport definitief zal worden gemaakt.
2.7.
Bij brief van 23 december 2023 is [verweerder] op staande voet ontslagen. In de brief wordt een korte toelichting gegeven op het door FC verrichte onderzoek. In de brief staat verder, voor zover relevant:
‘Op 12 december 2023 ontving de directie van CRU een onderzoeksrapport met voorlopige bevindingen. Het onderzoek dat het onderzoeksbureau heeft verricht is volledig onafhankelijk van CRU gebeurd en is omvattend. Het onderzoek was gericht op het beantwoorden van de vragen: (a) hebben er onregelmatigheden dan wel onrechtmatigheden, waaronder het bevorderen van bepaalde (bevriende) contractors, plaatsgevonden binnen CRU? En (b) indien wordt vastgesteld dat onregelmatigheden dan wel onrechtmatigheden hebben plaatsgebonden, wie kan of kunnen daarvoor dan verantwoordelijk worden gehouden?
C. CONCLUSIES ONDERZOEK
Het onderzoeksbureau somt diverse conclusies uit het verrichte onderzoek op, waarvan onder meer de conclusie dat door allen die onderwerp waren van het onderzoek, waaronder dus u, ernstige procedurele onregelmatigheden en onrechtmatigheden zijn verricht. Vastgesteld is dat binnen CRU een klein team actief is, bestaande uit u samen met drie andere, dat bewust essentiële en basale regels over hoe om te gaan met (bevriende) contractors opzij heeft gezet en waarbij betalingen door CRU zijn gedaan voor diensten en werkzaamheden waarvan men wist dat deze niet hebben plaatsgevonden, dan wel tegen een te hoge prijs, en waarvan achteraf bewijsstukken zijn gefabriceerd om deze betalingen of gegunde contracten mee te rechtvaardigen. Bovendien zijn collega’s onder druk gezet of zelfs uit functies ontheven op het moment dat het dit team te heet onder de voeten leek te worden.
Los van het feit dat u dus onderdeel was van het voormelde team, is in uw geval onder meer vastgesteld dat u betrokken was bij de opdrachtverlening, uitvoering prestatiecontrole en betaalbaarstelling van schoonmaak- en weedingswerkzaamheden op de terreinen door CRU door nieuwe contractors. Deze opdrachtstelling valt buiten de scope van uw functie als preservation expert om. Met uw medewerking zijn andere contractors voor deze werkzaamheden aangenomen dan de afdeling maintenance van CRU daarvoor hanteert, binnen welke afdeling deze taakstelling valt.
Met deze nieuwe contractors zijn geen schriftelijke overeenkomst gesloten, desalniettemin is wel een bedrag van in totaal 145 duizend Antilliaanse Guldens aan hen betaald. Een deel hiervan is betaald voor het schoonmaken van de terreinen rondom de medische dienst van CRU, waar een vergunning per werkdag voor nodig is. Deze vergunning is door uw medewerking in strijd met de bestaande procedures verkregen. U bent nota bene in het weekend bij een collega van CRU thuis langsgegaan om buiten de normale procedures om de werkvergunningen voor deze contractor te krijgen. Vervolgens is het werk door de specifieke contractor (te weten: H&M Gardening) nooit verricht, maar is daar wel met toedoen van u voor betaald. Eenmaal nadat u geconfronteerd werd met het feit dat de werkzaamheden door de contractor niet waren verricht herhaalt u het proces van het verkrijgen van de werkvergunning door opnieuw langs te gaan bij medewerkers thuis. Op het moment dat u en het team geconfronteerd worden met feiten die erop wijzen dat de facturen aan deze contractor ten onrechte worden betaald worden er foto’s als bewijs van de werkzaamheden ingediend waarvan is komen vast te staan dat deze foto’s geantidateerd zijn. Bovendien was het overduidelijk zichtbaar voor iedereen, en dus ook u, dat de werkzaamheden niet verricht waren, maar trekt u nergens aan de bel.
Deze gang van zaken waarbij tegen de procedures van CRU ten onrechte gelden zijn uitgekeerd aan contractors (bijvoorbeeld aan Codyson Construction voor de schoonmaak en reparties van mopeds) werd door u achteraf verklaard dat er sprake was van een spoedeisend karakter waardoor deze opdrachten gegund moesten worden. In haar onderzoeksrapport concludeert het onderzoeksbureau dat van een dergelijk spoedeisend karakter juist geen sprake was. De gunningen werden wel met spoed door u en de andere er doorheen gedrukt (zelfs tot in het weekend langsgaan bij werknemers om hen te dwingen vergunningen af te geven), maar van daadwerkelijke spoed achter de opdracht is nooit sprake geweest. Dat er dan ook zodanig met de regels en belangen van CRU is omgesprongen valt op geen enkele wijze te rechtvaardigen, aldus (ook) het onderzoeksbureau.
Verder concludeert het onderzoeksbureau dat uit de vele (onderlinge) e-mailberichten is gebleken dat u zich vrijwel in alle gunningen van contractors ondersteunend en uitvoerend bezighield ten opzichte van de andere teamleden, terwijl u daarmee buiten uw taakstelling om – en in strijd met het belang van CRU- handelde. Een voorbeeld hiervan is het schilderwerk project van de opslagtanks en de aanschaf van nieuwe airco’s. Bovendien is de vaste afdeling die over de uitbesteding gaat door u geheel buiten het proces gehouden.’ .
Beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 7A:1615o lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.
Het vereiste van onverwijldheid
4.2.
Voor het antwoord op de vraag of een ontslag al dan niet onverwijld is geschied, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden voor dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Het vereiste dat de opzegging wegens een dringende reden onverwijld dient te worden gegeven betekent evenwel niet dat het ontslag direct op de constatering van de dringende reden moet worden verleend, maar dat de werkgever voortvarend te werk moet gaan en moet kunnen toelichten waarom niet eerder tot ontslag is overgegaan.
4.3.
Het gerecht is van oordeel dat het ontslag op staande voet van [verweerder] op 23 december 2023 aan deze vereisten voldoet. CRU heeft, daags nadat er een melding van misstanden was gedaan, FC ingeschakeld om deze melding te onderzoeken. De melding had betrekking op meerdere misstanden binnen CRU die onderzocht dienden te worden en waarbij meerdere werknemers waren betrokken. Het conceptrapport van FC was klaar op 12 december 2023, dat is gelet op bovenstaande, een voldoende voortvarend onderzoek naar de meldingen.
4.4.
CRU wijst erop dat zij meteen na ontvangst van het conceptrapport [verweerder] heeft uitgenodigd voor een gesprek, waarin zij aan hem een samenvatting van de conclusies van het rapport heeft gegeven. Dat moge volgens [verweerder] een summiere samenvatting zijn geweest, het gerecht acht in het kader van de eis van onverwijldheid van belang dat op verzoek van [verweerder] de termijn waarbinnen hij op het rapport mocht reageren twee keer is verlengd, tot 21 december 2023. Gelet hierop is de periode tussen de ontvangst van het conceptrapport en de ontslagbrief van 23 december 2023 voldoende deugdelijk toegelicht en verantwoord.
De dringende reden
4.5.
Een ontslag op staande voet is een uiterst middel dat slechts mag worden gegeven als van de werkgever op grond van een dringende reden niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met de betreffende werknemer nog langer te laten voortduren. In artikel 7A:1615p lid 1 BW is bepaald dat voor de werkgever als dringende redenen worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Volgens vaste rechtspraak moeten bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen, waaronder begrepen de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Daarbij dient niet alleen te worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, in de afweging worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zullen hebben.
4.6.
Haar stelling dat sprake is van een dringende reden, grondt CRU op het onderzoek en het rapport van FC. In de ontslagbrief (r.o. 2.7.) wordt hem verweten dat hij deel uitmaakt van een klein team dat bewust essentiële en basale regels over de omgang met (bevriende) contractors opzij heeft gezet en waarbij betalingen door CRU zijn gedaan aan contractors voor diensten en werkzaamheden waarvan men wist dat deze niet hebben plaatsgevonden, dan wel tegen een te hoge prijs. Ook (het gerecht begrijpt: Althans) heeft [verweerder] geen melding gemaakt van die onrechtmatigheden, waar hij dat wel had moeten doen. Daarin heeft [verweerder] een eigen verantwoordelijkheid en dit nalaten kan volgens vaste rechtspraak als een dringende reden worden aangemerkt, aldus CRU.
CRU heeft concreet vijf ‘dossiers’ vermeld waarin [verweerder] zich volgens haar verwijtbaar heeft gedragen:
1) Maliebaan/Mopeds;
2) [naam 1], [naam 2] en [naam 3];
3) Airconditioning/ Man Camp;
4) Schoonmaak Medische Dienst/De-weeding;
5) Angstcultuur.
4.7.
Het gerecht overweegt dat CRU op basis van de bevindingen van FC drie medewerkers op staande voet heeft ontslagen. Naast [verweerder] betreft dat [werknemer CRU 1] (hierna: [werknemer CRU 1]) en [werknemer CRU 2] (hierna: [werknemer CRU 2]). Met [werknemer CRU 1] heeft zij inmiddels een schikking getroffen. De onderbouwing van het ontslag van [werknemer CRU 2] en [verweerder] (en, aanvankelijk, [werknemer CRU 1]) is door CRU gegeven in één (proces-)dossier. In haar stukken wordt keer op keer gesproken over onrechtmatige gedragingen van ‘het team’ en wordt ‘de Verweerders’ bepaald gedrag verweten, maar los van het feit dat CRU in het midden laat dat en welke rechtsgevolgen aan die gedragingen in groepsverband op zichzelf moeten worden verbonden, gaat het in deze zaak om een al dan niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet van [verweerder], zodat CRU de gedragingen die zij hem verwijt -al dan niet in groepsverband- concreet moet benoemen en onderbouwen. Dit is met name van belang omdat blijkens het verzoekschrift [werknemer CRU 1] (de HR manager, hoogste in rang van de drie werknemers die betrokken zijn in deze procedure en de medewerker met wie de arbeidsovereenkomst inmiddels in onderling overleg is beëindigd) en, tot op zekere hoogte [werknemer CRU 2] de initiatiefnemers waren bij de aan het team verweten gedragingen van, kort gezegd, vriendjespolitiek. Dat en wat de bijdrage van [verweerder] is geweest aan hieraan, dient dus steeds duidelijk te zijn om te kunnen beoordelen of er sprake is geweest van een dringende reden voor het ontslag op staande voet.
4.8.
Dat is naar het oordeel onvoldoende het geval in de dossiers (2) [naam 1], [naam 2] en [naam 3], (3) Airconditioning Man Camp en (5) Angstcultuur. In het verzoekschrift wordt in dossier (2) [verweerder] individuele gedrag/bijdrage slechts twee keer vermeld, namelijk in de zin: ‘[werknemer CRU 1] stuurde [naam 2]’s invoices naar [verweerder], waarna deze uiteindelijk werden geaccordeerd door [werknemer CRU 1].’ (randnummer 6.36) en daar waar hem wordt verweten (randnummer 6.40) dat hij via zijn privé e-mailadres correspondeerde met [naam 2] over contractors. In dossier (3) wordt met betrekking tot [verweerder] alleen vermeld dat [werknemer CRU 1] hem verantwoordelijk heeft gemaakt voor (het gerecht begrijpt:) het man-campgebouw. Dit zijn, zonder enige gegeven samenhang, losse flodders en het incidenteel noemen van de naam van [verweerder] geeft niet voldoende concreet aan waarom dit een dringende reden is voor ontslag op staande voet. In dossier (5) wordt de angstcultuur aan [verweerder] verweten op basis van de verklaring van [verklaarder 1], laborant bij CRU en vrijwillig logistiek medewerker bij de opvang van honkbalspelers, die [verweerder] over [verklaarder 2] (verpleegkundige bij de medische dienst van CRU met de bevoegdheid work pemits te ondertekenen, hierna: [verklaarder 2]) hoorde zeggen: ‘E hombu ta hode un tiki ku firmamentu di e permit nan. Nos ta tene abou ora e tin ku bai kurso’, waaruit blijkt dat het de bedoeling was van verweerders om [verklaarder 2] aan de kant te schuiven, aldus CRU. [verklaarder 1] heeft ook nog verklaard dat hij tijdens een vergadering enige controverse heeft ervaren met [verweerder]. Dit is naar het oordeel van het gerecht onvoldoende om te spreken van het (bijdragen aan het) kweken van een angstcultuur door [verweerder].
Dictum
Het gerecht:
5.1.
verklaart voor recht dat het op 23 december 2023 gegeven ontslag op staande voet nietig is;
5.2.
bepaalt dat CRU [verweerder] in de gelegenheid stelt binnen twee werkdagen na betekening van deze uitspraak zijn werkzaamheden te hervatten;
5.3.
veroordeelt CRU tot betaling van het achterstallige loon en de emolumenten vanaf januari 2024, vermeerderd met de vertragingsrente en wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van het niet betaalde loon en de niet betaalde emolumenten tot de dag van betaling;
5.4.
veroordeelt CRU tot betaling van de proceskosten die tot op heden voor [verweerder] worden begroot op NAf 1.500 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met NAf 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met NAf 150 in geval van betekening.
5.5.
wijst het overige verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, bijgestaan door mr. M.M.M. van Leest, griffier en op 31 januari 2025 in het openbaar uitgesproken.
Beoordeling
Nu voormelde drie dossiers onvoldoende onderbouwen welke concrete gedragingen van [verweerder] zodanig onrechtmatig waren dat zij moesten leiden tot het gegeven ontslag op staande voet, worden deze dossiers in de verdere beoordeling van het verzoek buiten beschouwing gelaten.
dossier 1
4.9.
CRU heeft de gang van zaken in dit dossier en de rol van [verweerder] daarin als volgt toegelicht. Codyson had een overeenkomst met CRU en factureerde CRU voor werkzaamheden. Op enig moment is geprobeerd om (onder andere) [zoon van verweerder], de zoon van [verweerder], via Codyson door CRU voor het verrichten van werkzaamheden (autowassen) te laten betalen. Codyson zou meer uren/werkzaamheden gaan factureren aan CRU, maar daar stonden niet (voor 100%) werkzaamheden ten behoeve van CRU tegenover. De uitbreiding van het aantal te factureren werkzaamheden werd gedekt door een addendum, dat zou worden gevoegd bij het lopende contract tussen CRU en Codyson en een justification letter waarin die extra werkzaamheden werden toegelicht. Deze justification letter is mede-ondertekend door [verweerder]. Het addendum en de justification letter zijn ter ondertekening voorgelegd aan [general manager].
4.10.
Vooropgesteld zij dat naar het oordeel van het gerecht het welbewust inschakelen van bevriende (onder)aannemers of opdrachtnemers buiten de regels van CRU om niet door de beugel kan en dan ook een dringende reden in vorenbedoelde zin oplevert. Het gerecht is echter van oordeel dat de in dit dossier gestelde feitelijke bijdrage van [verweerder] aan -samengevat- de fraude en vriendjespolitiek, bestaand uit de mede-ondertekening van de justification letter op zich onvoldoende is als grond voor ontslag op staande voet. Het gaat inderdaad om (kennelijk onder andere) de zoon van [verweerder] die buiten de regels om wordt ingeschakeld, maar gesteld noch gebleken is dat [verweerder] hierbij een rol speelde en zo ja, welke, laat staan dat aannemelijk is gemaakt dat hij welbewust en niet alleen in opdracht van zijn leidinggevende heeft gehandeld. CRU heeft verder, onder verwijzing naar jurisprudentie, terecht aangevoerd dat het niet doen van een melding onder bepaalde omstandigheden als dringende reden kan worden aangemerkt, maar heeft niet gesteld welke omstandigheden in dit geval tot dat oordeel moeten leiden. Daarbij komt dat [werknemer 1] en [werknemer 2], de hogeren in rang, hierbij zelf ook waren betrokken.
dossier 4
4.11.
CRU heeft in dit dossier gesteld dat [verweerder] in het weekend tot twee keer toe naar de woning van [verklaarder 2] is gegaan, hem onder druk heeft gezet work permits voor H&M Gardening (het bedrijf van [betrokkene 1], de broer van een bevriende ex-collega van [werknemer 1]; hierna: H&M) te ondertekenen, terwijl het uitbesteden van het werk niet volgens de regels was verlopen en de werkzaamheden aan H&M waren gegund op basis van, samengevat, vriendjespolitiek en niet zijn uitgevoerd. Ter onderbouwing heeft zij met name verwezen naar twee schriftelijke verklaringen van [verklaarder 2] (d.d. 25 oktober 2023, bij verweerschrift van 15 oktober 2024 aangevuld met de verklaring van 8 oktober 2024). In beide verklaringen schrijft [verklaarder 2] dat [verweerder] hem thuis in het weekend van 5 en 6 augustus 2023 heeft gevraagd een work-permit voor H&M te tekenen en dat hij, [verklaarder 2], dat aanvankelijk niet wilde doen omdat het weekend was, maar [verweerder] hem daar toch toe heeft bewogen.
4.12.
Vast staat dat [verweerder] [verklaarder 2] in het weekend heeft benaderd en hem heeft gevraagd een work permit te ondertekenen voor H&M. H&M is buiten de reguliere procedures naar voren geschoven voor de opdracht tot de-weeding. Het gerecht overweegt dat ook in dit geval van vriendjespolitiek dat CRU noemt, de rol van [verweerder] beperkt is: hij zit er duidelijk achteraan dat het work permit in dat weekend wordt getekend, maar hij heeft betwist dat dit ongebruikelijk was. Voor zover uit de ontslagbrief moet worden opgemaakt dat CRU hem verdere betrokkenheid verwijt bij het verdoezelen van het feit dat de-weeding werkzaamheden niet waren uitgevoerd, is niet duidelijk waar deze betrokkenheid dan concreet uit bestaat. Uit de verklaringen van [verklaarder 2] blijkt in elk geval dat [verweerder] het werk niet fysiek heeft gecontroleerd in dat weekend. Het gestelde verzamelen van bewijs door [verweerder] dat de factuur voor betaling in aanmerking kwam is niet onderbouwd en blijkt nergens uit. Net als in dossier 1 is de vraag in dit dossier hoeverre [verweerder] welbewust heeft meegewerkt aan deze vriendjespolitiek. Het ligt immers in de rede dat [verweerder] van [werknemer 2] –degene die [verweerder] voor deze taak naar voren had geschoven- of [werknemer 1] de opdracht heeft gehad [verklaarder 2] te vragen het formulier te ondertekenen. Over enig belang voor [verweerder] bij dit handelen is niets gesteld.
4.13.
De conclusie is dat het ontslag op staande voet nietig is, omdat een dringende reden daartoe niet voldoende is komen vast te staan. De ernst van gedragingen die [verweerder] concreet worden verweten is in de ontslagbrief noch in deze procedure voldoende uit de verf gekomen. Uit niets blijkt dat [verweerder] zelfstandig en niet alleen in opdracht van anderen heeft bijgedragen aan de vriendjespolitiek. De aan [verweerder] verweten gedragingen die in rechte zijn komen vast te staan, leveren naar het oordeel van het gerecht, gelet op dit alles, geen dringende reden voor ontslag.Nu het verzoek om die reden zal worden toegewezen, hoeven de overige stellingen en verweren in dit verband daarom geen bespreking.
4.14.
Ook de verzochte wedertewerkstelling zal worden toegewezen, omdat CRU hiertegen geen concrete en steekhoudende bezwaren heeft ingebracht. Zij heeft volstaan met de stelling dat, gelet op het handelen van [verweerder] waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt, van haar niet kan worden verlangd [verweerder] toe te laten op de werkplek. Voor het overige verwijst zij naar uitspraken waarin een wedertewerkstelling is afgewezen, zonder evenwel toe te lichten waarom en in hoeverre de wedertewerkstelling van [verweerder] daarmee verglijkbaar is.
4.15.
De vordering tot betaling van het achterstallig loon wordt toegewezen. De daarover gevorderde rente zal als na te melden worden toegewezen. De dwangsom wordt afgewezen omdat het gerecht daar de noodzaak niet toe ziet, zeker niet in combinatie met het feit dat door [verweerder] niet is verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.16.
De proceskosten komen voor rekening van CRU, als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij en zullen worden toegewezen, de gevorderde nakosten daaronder begrepen.
4.17.
Het gerecht ziet geen aanleiding tot vergoeding van de gestelde reële advocaatkosten; van misbruik van procesrecht is geen sprake, al merkt het gerecht in dit verband op dat beide partijen zich hebben ingegraven in hun eigen stellingen en deze met omvangrijke stukken voor het voetlicht hebben geprobeerd te brengen. Aan de gemachtigde van [verweerder] komt conform het Procesreglement 2023 het salaris van NAf 1.500 toe. De vordering van de kosten van de betekening van het vonnis in kort geding in deze procedure vindt geen steun in het recht en wordt afgewezen.
4.18.
Tot slot merkt het gerecht volledigheidshalve nog op dat, voor zover de stellingen in de laatste akte van [verweerder] geen betrekking hebben op de laatste producties van CRU, het gerecht die niet bij de beoordeling heeft betrokken.