Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2025-01-31
ECLI:NL:OGEAC:2025:134
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,542 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202401853
Uitspraak van 31 januari 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in Curaçao,
verzoeker,
gemachtigde: mr. D. Wildeman,
tegen
de besloten vennootschap Curaçao Refinery Utilities B.V.,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gemachtigden: mrs. L.F.F.M. Drissen en L. Sluiter.
Partijen worden hierna [verzoeker] en CRU genoemd.
Inleiding
CRU heeft [verzoeker] op 23 december 2023 op staande voet ontslagen. [verzoeker] heeft een kort geding aangespannen, waarin hij wedertewerkstelling en loondoorbetaling heeft gevorderd. Die vordering is bij vonnis in kort geding van 2 april 2024 toegewezen. CRU heeft een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. [verzoeker] heeft bij verweer een zelfstandig verzoek ingediend dat onder meer er toe strekt dat de bodemrechter voor recht verklaart dat het op 23 december 2023 gegeven ontslag op staande voet nietig is. Het verzoek van CRU tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is bij beschikking van 19 september 2024 afgewezen. In de onderhavige beschikking wordt het zelfstandig verzoek van [verzoeker] afgewezen, omdat voldoende vaststaat dat [verzoeker] wist dat door een derde partij ten onrechte aan CRU werkzaamheden in rekening werden gebracht en hij daar actief aan heeft meegewerkt door foto’s van in het verleden verrichte werkzaamheden bij de facturering als bewijs van het werk in te dienen. Dit handelen is naar het oordeel van het gerecht, alle relevante omstandigheden van het geval meegewogen, een dringende reden voor ontslag op staande voet.
1Het verdere procesverloop
Het verdere procesverloop blijkt uit:
- de tussenbeschikking van 19 september 2024;
- de schriftelijke reactie met producties van 15 oktober 2024 van CRU;
- de akte uitlating producties van 12 november 2024 van [verzoeker] (door hemzelf genoemd: antwoordakte).
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1. [
verzoeker] is op 1 januari 2020 voor de duur van zes maanden in dienst geweest bij CRU in de functie van civil training coördinator. Op 3 mei 2022 is hij opnieuw in dienst getreden bij CRU, vanaf 1 september 2023 in de functie van senior civil training coördinator voor onbepaalde tijd tegen een actueel salaris van NAf 9.750 bruto per maand. Daaraan voorafgaand werkte [verzoeker] van april 2012 tot en met december 2019 bij Isla.
2.2.
Begin oktober 2023 is bij de general manager van CRU, [general manager] (hierna: [general manager]) een bericht binnengekomen van een klokkenluider. [general manager] heeft met de klokkenluider twee gesprekken gevoerd. De klokkenluider heeft de informatie ook op schrift gesteld. In het tweede gesprek heeft zij ook geluidsfragmenten van door haar opgenomen (telefoon)gesprekken met [verzoeker] laten horen. [verzoeker] is op 7 oktober 2023 door CRU op non-actief gesteld. De geluidsfragmenten in het Papiaments zijn later in opdracht van CRU uitgeschreven door een deurwaarder in een proces-verbaal van constateringen van 26 maart 2024 en door een beëdigd vertaler vertaald naar het Nederlands. Deze transcripties zijn door CRU overgelegd. (Het gerecht: inmiddels is bekend dat de klokkenluider [hoofd v/d afdeling General Services CRU] is (hoofd van de afdeling General Services CRU). Zij zal hierna ook bij haar naam [hoofd v/d afdeling General Services CRU] worden genoemd.) Bij haar schriftelijke reactie van 15 oktober 2024 heeft CRU ook de geluidsdrager overgelegd, waarop de gesprekken te beluisteren zijn.
2.3.
Op 8 oktober 2023 heeft CRU opdracht gegeven aan onderzoeksbureau Forensic Caribbean (hierna FC) voor een onderzoek naar de door [hoof v/d afdeling General Services CRU] geuite verwijten en wat de betrokkenheid van -naast drie anderen- [verzoeker] is geweest.
2.4.
Op 12 december 2023 heeft FC het (4e) conceptrapport met de onderzoeksresultaten gedeeld met CRU. Op dezelfde dag is [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek bij CRU met [general manager], CFO van CRU] (CFO van CRU) en [bestuurder bij Refineria di Kòrsou N.V.] (bestuurder bij Refineria di Kòrsou N.V., het moederbedrijf van CRU; hierna te noemen: RdK). In het gesprek is hem verteld dat hij tot 15 december 2023 het rapport kon inzien als hij een geheimhoudingsverklaring zou ondertekenen. Aan [verzoeker] is daarna desgevraagd twee keer uitstel van die inzagetermijn verleend tot 21 december 2023, 14:00 uur.
2.5.
Nadat de deadline voor inzage op 21 december 2023 om 14:00 uur was verlopen, heeft mr. Terpstra namens [verzoeker] op 21 december 2023 om 18:38 uur nog een beroep gedaan op CRU en haar geschreven: ‘Op dit moment zijn wij bezig met de engagement en ik verzoek u daarom even niets te doen in deze zaak. Wij zullen u zo spoedig mogelijk van een inhoudelijke reactie voorzien’. Hierop is door CRU niet gereageerd en op 23 december 2023 heeft FC aan CRU bevestigd dat het conceptrapport definitief zal worden gemaakt.
2.6.
Bij brief van 23 december 2023 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de brief wordt een korte toelichting gegeven op het door FC verrichte onderzoek. In de brief staat verder, voor zover relevant:
‘Op 12 december 2023 ontving de directie van CRU een onderzoeksrapport met voorlopige bevindingen. Het onderzoek dat het onderzoeksbureau heeft verricht is volledig onafhankelijk van CRU gebeurd en is omvattend. Het onderzoek was gericht op het beantwoorden van de vragen: (a) hebben er onregelmatigheden dan wel onrechtmatigheden, waaronder het bevorderen van bepaalde (bevriende) contractors, plaatsgevonden binnen CRU? En (b) indien wordt vastgesteld dat onregelmatigheden dan wel onrechtmatigheden hebben plaatsgebonden, wie kan of kunnen daarvoor dan verantwoordelijk worden gehouden?
C. CONCLUSIES ONDERZOEK
Het onderzoeksbureau somt diverse conclusies uit het verrichte onderzoek op, waarvan onder meer de conclusie dat door allen die onderwerp waren van het onderzoek, waaronder dus u, ernstige procedurele onregelmatigheden en onrechtmatigheden zijn verricht. Vastgesteld is dat binnen CRU een klein team actief is, bestaande uit u samen met drie andere, dat bewust essentiële en basale regels over hoe om te gaan met (bevriende) contractors opzij heeft gezet en waarbij betalingen door CRU zijn gedaan voor diensten en werkzaamheden waarvan men wist dat deze niet hebben plaatsgevonden, dan wel tegen een te hoge prijs, en waarvan achteraf bewijsstukken zijn gefabriceerd om deze betalingen of gegunde contracten mee te rechtvaardigen. Bovendien zijn collega’s onder druk gezet of zelfs uit functies ontheven op het moment dat het dit team te heet onder de voeten leek te worden.
Los van het feit dat u dus onderdeel was van het voormelde team, is in uw geval onder meer vastgesteld dat u betrokken was bij de opdrachtverlening, uitvoering prestatiecontrole en betaalbaarstelling van schoonmaak- en weedingswerkzaamheden op de terreinen door CRU door nieuwe contractors. Deze opdrachtstelling valt buiten de scope van uw functie als civiel ingenieur om. Met uw medewerking zijn andere contractors voor deze werkzaamheden aangenomen dan de afdeling maintenance van CRU daarvoor hanteert, binnen welke afdeling deze taakstelling valt.
Met deze nieuwe contractors zijn geen schriftelijke overeenkomst gesloten, desalniettemin is wel een bedrag van in totaal 145 duizend Antilliaanse Guldens aan hen betaald. Een deel hiervan is betaald voor het schoonmaken van de terreinen rondom de medische dienst van CRU, waar een vergunning per werkdag voor nodig is. Deze vergunning is in strijd met de bestaande procedures verkregen. Vervolgens is het werk door de specifieke contractor (te weten: H&M Gardening) nooit verricht, maar is daar wel met toedoen van u voor betaald. Eenmaal nadat het team waarvan u onderdeel bent, geconfronteerd werd met het feit dat de werkzaamheden door de contractor niet waren verricht worden de stappen door het team herhaald. Opnieuw wordt tegen de staande regels van CRU in een werkvergunning verkregen, waarbij ditmaal een heel summier deel van de gefactureerde werkzaamheden worden verricht. Op het moment dat u en het team geconfronteerd worden met feiten die erop wijzen dat de facturen aan deze contractor ten onrechte worden betaald worden er door u persoonlijk foto’s als bewijs van de werkzaamheden bij CRU ingediend waarvan is komen vast te staan dat deze foto’s door u geantidateerd zijn. Bovendien was het overduidelijk zichtbaar voor iedereen, en dus ook voor u, dat de werkzaamheden niet verricht waren, maar trekt u nergens aan de bel.’
2.7.
Bij brief van 8 januari 2024 heeft [verzoeker] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en meegedeeld dat hij zich beschikbaar houdt om aan het werk te gaan.
2.8.
Bij vonnis in kort geding van 2 april 2024 heeft het gerecht -samengevat- CRU bevolen het onderzoeksrapport inclusief bijlagen te overhandigen aan [verzoeker], hem weder te werk te stellen en het loon vanaf januari 2024 uit te betalen.
Beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 7A:1615o lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.
Het vereiste van onverwijldheid
4.2.
Voor het antwoord op de vraag of een ontslag al dan niet onverwijld is geschied, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden voor dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Het vereiste dat de opzegging wegens een dringende reden onverwijld dient te worden gegeven betekent evenwel niet dat het ontslag direct op de constatering van de dringende reden moet worden verleend, maar dat de werkgever voortvarend te werk moet gaan en moet kunnen toelichten waarom niet eerder tot ontslag is overgegaan.
4.3.
Het gerecht is van oordeel dat het ontslag op staande voet van [verzoeker] op 23 december 2023 aan deze vereisten voldoet. CRU heeft, daags nadat er een melding van misstanden was gedaan, FC ingeschakeld om deze melding te onderzoeken. De melding had betrekking op meerdere misstanden binnen CRU die onderzocht dienden te worden en waarbij meerdere werknemers waren betrokken. Het conceptrapport van FC was klaar op 12 december 2023, dat is gelet op bovenstaande, een voldoende voortvarend onderzoek naar de meldingen.
4.4.
CRU wijst erop dat zij meteen na ontvangst van het conceptrapport [verzoeker] heeft uitgenodigd voor een gesprek, waarin zij aan hem een samenvatting van de conclusies van het rapport heeft gegeven. Dat moge volgens [verzoeker] een summiere samenvatting zijn geweest, het gerecht acht in het kader van de eis van onverwijldheid van belang dat op verzoek van [verzoeker] de termijn waarbinnen hij op het rapport mocht reageren twee keer is verlengd, tot 21 december 2023. Gelet hierop is de periode tussen de ontvangst van het conceptrapport en de ontslagbrief van 23 december 2023 voldoende deugdelijk toegelicht en verantwoord.
De dringende reden
4.5.
Een ontslag op staande voet is een uiterst middel dat slechts mag worden gegeven als van de werkgever op grond van een dringende reden niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met de betreffende werknemer nog langer te laten voortduren. In artikel 7A:1615p lid 1 BW is bepaald dat voor de werkgever als dringende redenen worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Volgens vaste rechtspraak moeten bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen, waaronder begrepen de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Daarbij dient niet alleen te worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, in de afweging worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zullen hebben.
De vijf dossiers
4.6.
Haar stelling dat sprake is van een dringende reden, grondt CRU met name op het rapport van FC en het proces-verbaal van de uitgewerkte telefoongesprekken. CRU stelt dat uit het rapport van FC blijkt dat [verzoeker] facturen heeft geaccordeerd voor werkzaamheden die niet hebben plaatsgevonden, collega’s onder druk heeft gezet, bewijsstukken heeft gefabriceerd om zijn daden achteraf mee te rechtvaardigen en essentiële en basale regels bewust in de wind heeft geslagen. Deze conclusies uit het rapport van FC vinden hun bevestigingen in de verklaringen van [verzoeker] gedurende de telefoongesprekken. Voormelde gedragingen leveren op zich en in ieder geval in onderling verband bezien dringende redenen op in voormelde zin, alles aldus CRU. CRU heeft concreet vijf ‘dossiers’ vermeld waarin [verzoeker] zich volgens haar verwijtbaar heeft gedragen:
1) Maliebaan/Mopeds;
2) [naam 1], [naam 2] en [naam 3];
3) Airconditioning/ Man Camp;
4) Schoonmaak Medische Dienst/De-weeding;
5) Angstcultuur.
4.7.
Het gerecht overweegt dat CRU op basis van de bevindingen van FC drie medewerkers op staande voet heeft ontslagen. Naast [verzoeker] betreft dat [werknemer 1] (hierna: [werknemer 1]) en [werknemer 2] (hierna: [werknemer 2]). Met [werknemer 1] heeft zij inmiddels een schikking getroffen. De onderbouwing van het ontslag van [verzoeker] en [werknemer 2] (en, aanvankelijk, [werknemer 2]) is door CRU gegeven in één (proces-)dossier. In haar stukken wordt keer op keer gesproken over onrechtmatige gedragingen van ‘het team’ en wordt ‘de Verweerders’ bepaald gedrag verweten, maar los van het feit dat CRU in het midden laat dat en welke rechtsgevolgen aan die gedragingen in groepsverband op zichzelf moeten worden verbonden, gaat het in deze zaak om een al dan niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet van [verzoeker], zodat CRU de gedragingen die zij hem verwijt -al dan niet in groepsverband- concreet moet benoemen en onderbouwen. Dit is met name van belang omdat blijkens het verzoekschrift [werknemer 1] (de HR manager en leidinggevende van [verzoeker], met wie de arbeidsovereenkomst inmiddels in onderling overleg is beëindigd) meer dan [verzoeker]de initiatiefnemer was bij de aan het team verweten gedragingen van, kort gezegd, vriendjespolitiek. Dat en wat de bijdrage van [verzoeker] is geweest aan hieraan, dient dus steeds duidelijk te zijn om te kunnen beoordelen of er sprake is geweest van een dringende reden voor het ontslag op staande voet.
4.8.
Dat is naar het oordeel van het gerecht onvoldoende het geval in de dossiers (2) [naam 1], [naam 2] en [naam 3], (3) Airconditioning Man Camp en (5) Angstcultuur. In de stukken van CRU wordt de naam van [verzoeker] sporadisch genoemd in dossier (2), alleen bij de door de betrokken opdrachtnemer opgegeven uren ‘die door het team [werknemer 1], [verzoeker] en [werknemer 2]’ werden goedgekeurd en uitbetaald’. In dossier (3) wordt met betrekking tot [verzoeker] bij de offertes voor het leveren van de airconditionings alleen vermeld ‘[werknemer 1] liet het hier niet bij zitten. Hij stuurde [verzoeker] naar de Klokkenluider met de boodschap dat de aanbesteding overnieuw moest, maar dat de prijzen ditmaal inclusief OB moesten zijn.’ In dossier (5) wordt de angstcultuur aan [verzoeker] verweten op basis van een enkele verklaring van [verklaarder 1], aan wie [verzoeker] twee keer zou hebben gevraagd een -kennelijk frauduleus- work permit te ondertekenen, hetgeen [betrokkene 1] vervolgens heeft geweigerd. Dat is onvoldoende om te spreken van het (bijdragen aan het) kweken van een angstcultuur door [verzoeker]. Vanwege het gebrek aan concrete onderbouwing van het gestelde verwijtbare gedrag van [verzoeker] zullen deze dossiers bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een dringende reden buiten beschouwing worden gelaten.
Schoonmaak Medische Dienst/De-weeding
4.9.
In rechtsoverweging 2.6. is een deel van de ontslagbrief van [verzoeker] geciteerd. De laatste geciteerde alinea van deze rechtsoverweging heeft betrekking op zijn rol bij de opdracht tot en betaling van het schoonmaken van het terrein van de Medische Dienst.
Conclusie
4.19.
Nu de [verzoeker] ter zake verweten gedraging vast is komen te staan, en deze gedraging op zichzelf een dringende reden oplevert, is de conclusie dat de verzoeken van [verzoeker], die alle gegrond zijn op de nietigheid van het ontslag, worden afgewezen. De overige stellingen en verweren behoeven daarom geen bespreking.
De proceskosten
4.20.
Gelet op de uitslag van deze procedure zal [verzoeker], zoals door CRU verzocht, worden veroordeeld in de proceskosten, die voor CRU tot op heden op NAf 1.500 worden begroot.
Dictum
5.1.
wijst het zelfstandig verzoek van [verzoeker] af;
5.2.
veroordeelt [verzoeker]in de proceskosten, die tot op heden voor CRU op NAf 1.500 worden begroot.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, bijgestaan door mr. M.M.M. van Leest, griffier en op 31 januari 2025 in het openbaar uitgesproken.
Beoordeling
Het gerecht stelt bij de beoordeling van dit verwijt aan [verzoeker] voorop dat indien komt vast te staan dat de aan CRU door H&M in rekening gebrachte werkzaamheden niet zijn verricht en [verzoeker], daarvan op de hoogte zijnde, met de foto’s heeft gerommeld en volhield dat moest worden betaald, deze gedraging op zichzelf een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert. Het partijdebat heeft zich hierop ook toegespitst, zodat het gerecht het gerecht dit verwijt als eerste beoordeeld.
Standpunt CRU
4.10.
CRU stelt dat [verzoeker] het bedrijf H&M Gardening (het bedrijf van [betrokkene 2], de broer van een bevriende ex-collega van [werknemer 1]; hierna: H&M) heeft ingeschakeld voor deze werkzaamheden, terwijl H&M niet op de Preferred Bidders List van CRU stond.
Op 4 augustus 2023 heeft [betrokkene 1] een concept-factuur ondertekend van rond de NAf 20.000 voor werkzaamheden die op 5 en 6 augustus door H&M zouden zijn verricht. Gebleken is dat die op 7 augustus 2023 gefactureerde werkzaamheden helemaal niet zijn verricht. CRU heeft dit onder meer onderbouwd met een verklaring van [verklaarder 2] van 14 oktober 2024, die de work permits voor 5 en 6 augustus 2023 had verstrekt en die aan een collega ([betrokkene 2]) had gevraagd in de gaten te houden of er in het weekend van 5 en 6 augustus op het terrein ook daadwerkelijk werd gewerkt. [verklaarder 2] heeft verklaard: ‘Ik heb toen ook mijn collega de heer [betrokkene 3], die dienst had bij de medische dienst dat weekend, gebeld en gevraagd of hij kon nagaan of er gewerkt werd. Aan het eind van de dag heb ik toen overleg gehad met de heer [betrokkene 3] en die heeft mij aangegeven dat er die dag niemand is komen werken. De volgende dag, zondag, kwam de heer [werknemer 2] weer bij mij thuis vragen om toestemming om de werkvergunning te tekenen, ik heb toen getekend en aangegeven dat ik persoonlijk ging controleren op deze dag aangezien dat er gisteren niemand kwam werken.. Ik heb de heer [betrokkene 3] weer gevraagd om te checken of er gewerkt werd. Aan het eind van de dag heeft hij aangegeven dat er twee personen ongeveer een uur zijn komen werken en heeft mij met zijn telefooncamera laten zien wat er gedaan is, een stukje van ongeveer 2 meter bij 10 meter was schoongemaakt. De volgende dag heb ik dit met eigen ogen kunnen verifiëren, er was een stukje schoongemaakt aan de noordoost kant van het terrein, maar eromheen was gewoon nog lang gras.
Daarna hebben in augustus geen werkzaamheden meer plaatsgevonden.’.
CRU stelt voorts dat [verzoeker] hiervan wist. Het was [verzoeker] die de factuur van H&M heeft opgesteld, wat zeer ongebruikelijk is. [verzoeker] maakte altijd before- and after-foto’s ten bewijze van de verrichte werkzaamheden. De foto’s die [verzoeker] van deze werkzaamheden heeft overgelegd waren niet van de situatie op het terrein van de medische dienst op 6 augustus 2023, maar van veel eerder. Voor medewerkers van de medische dienst (en voor anderen die langs het terrein van de medische dienst rijden) was ook duidelijk dat in het weekend van 5 en 6 augustus geen 10.000 m2 terrein van de medische dienst was schoongemaakt, aldus CRU. Ter onderbouwing van wat zij [verzoeker] verwijt, heeft CRU foto’s overgelegd en verwezen naar verschillende overgelegde verklaringen van collega’s van [verzoeker] en de audio-opname en transcriptie van de telefoongesprekken tussen [verzoeker] en [hoof v/d afdeling General Services CRU].
Standpunt [verzoeker]
4.11. [
verzoeker] heeft in het algemeen aangevoerd tegen de onderbouwing van de ontslagredenen dat a) [hoof v/d afdeling General Services CRU] – de klokkenluider - haar eigen motieven had bij het opnemen van de gesprekken met [verzoeker], b) het rapport van FC niet onafhankelijk is en c) het fixatiebeginsel zich er tegen verzet dat aanvullend bewijs (verklaringen en geluidsfragmenten) dat niet uit de ontslagbrief blijkt, onderdeel uitmaakt van de gestelde dringende reden. Met betrekking tot de schoonmaak- en deweeding factuur van H&M van 21 juli 2023 heeft [verzoeker] aangevoerd dat de bij het verweerschrift overgelegde schriftelijke verklaringen van collega’s [verklaarder 2] en [verklaarder 2] zijn gebaseerd op foto’s die [hoof v/d afdeling General Services CRU] aan hen heeft voorgehouden. Hij wijst erop dat al door hem is erkend dat dit niet de juiste foto’s waren, maar oude foto’s die hij van H&M ([betrokkene 1]) had ontvangen. Die foto’s zijn later vervangen door de juiste foto’s. FC heeft op basis van de oude foto’s geconcludeerd dat de werkzaamheden waarvoor H&M is betaald niet op 5 en 6 augustus 2023 waren verricht. Met betrekking tot de stelling van CRU dat het werk nooit in één weekend kan worden gedaan heeft [verzoeker] aangevoerd dat H&M niet het hele terrein van 17.000 m2 moest schoonmaken, maar slechts een deel daarvan, ruim 10.000 m2. Daarnaast was H&M al aan het schoonmaken geweest op het terrein tussen 30 juni en 3 juli 2023, aldus [verzoeker].
De tussenconclusie van het gerecht
4.12.
Het gerecht is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de door H&M gefactureerde werkzaamheden van 5 en 6 augustus 2023 niet zijn verricht, dat [verzoeker] daarvan wist en hij desalniettemin met oude foto’s heeft aangestuurd op betaling van H&M. Daartoe overweegt het gerecht het volgende, waarbij de rode draad is inconsistenties tussen gesprekken en verklaringen ten aanzien van overgelegde foto’s en ten aanzien van de ingediende factuur.
4.13.1. [
verzoeker] wijst erop dat [hoof v/d afdeling General Services CRU] aan [verklaarder 2] en [verklaarder 3] de verkeerde foto’s heeft laten zien en dat FC uit die verkeerde foto’s de conclusie heeft getrokken dat H&M op 5 en 6 augustus de werkzaamheden niet had verricht, maar, indien en voor zover dat al zo is, merkt het gerecht op dat [verzoeker] daarnaast heeft verklaard dat de gangbare werkwijze is dat hij before en after foto’s maakt. Daarmee staat dan controleerbaar vast dat het werk is verricht, waarna een factuur (de purchase order) door CRU wordt betaald. Waarom deze keer de foto’s zijn aangeleverd door H&M en waarom hij daarmee zonder te kijken akkoord is gegaan, zoals [verzoeker] stelt, heeft hij niet nader toegelicht en dit is daarnaast strijdig met dat wat hij nota bene zelf tegen [hoof v/d afdeling General Services CRU] heeft gezegd:
“C: Awo, nos ta mira e kos ei ta bai robes, awo enbes di abo komo HR, bo ta mire e kos ta kaba robes, enbes di abo buska informashon pa drecha kos, pero no abo tambe te bai hasi mesun koi konjo. Abo ta bai kuminsa ku e gai, ki jama e gai? E konjo ku ta korta na MD;
M: [betrokkene 2];
C: [betrokkene 2], kiermen, bo ta hasi meskos ku [betrokkene 2]. [betrokkene 2] no a korta niun donder, a bin kobra 20 mil heldu. Bosman ta manda mi poko portret kens, bosnan kiersa ku mi ta kens. Mi sa bon bon ku e portretnan no ta berdat, pero ja, anyway;
M: Pero mi tin ku “make it look real” si;
C: Mi sa. E tin e back up, mi ta lage sigi kana pero mi sa ku no ta di berdat;
M: Ei anto mi ta masha masha bon den e parti ei. Mi ta kere bo a ripara;
C: Ku tin e back up, ja pero sin e back up, ban serio si;
M: Bo tin full rason, e t a un “free for all” (…).
In zijn eigen schriftelijke verklaring, ook overgelegd in deze procedure, zegt [verzoeker] dat hij zich niet herinnert in welke context hij dit heeft gezegd, maar hij heeft geen verklaring waarom deze uitspraken anders moeten worden uitgelegd dan dat hij de foto’s (of de datum) heeft bewerkt.
Beoordeling
Daartegenover valt uit de overgelegde opnames van de gesprekken, deels als hiervoor getranscribeerd, aan context af te leiden dat het ontspannen, vertrouwelijke gesprekken waren tussen [hoof v/d afdeling General Services CRU] en [verzoeker], waarbij [verzoeker] zelfs hartelijk moet lachen als [hoof v/d afdeling General Services CRU] hem voorhoudt dat zij niet gek is, dat ze weet dat de foto’s nep zijn en [betrokkene 1] niets heeft gewied. Daarop plaatst [verzoeker] vervolgens de opmerkingen dat hij het echt moet laten lijken, en dat hij daar goed in is.
4.13.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de foto’s die H&M aan FC heeft toegestuurd “oude” foto’s zijn, althans dateren van najaar 2022. Verder heeft CRU, onder verwijzing naar productie 21 van [verzoeker], onweersproken gesteld dat de foto’s die H&M aan FC heeft gestuurd, exact dezelfde zijn als die H&M in februari 2024 per whatsappbericht aan [general manager] heeft gestuurd, ten bewijze dat de werkzaamheden verricht waren. Dit kan niet anders dan tot de conclusie leiden dat ook laatstvermelde foto’s geen betrekking hebben op werkzaamheden in augustus 2023. Onder deze omstandigheden is dan ook onduidelijk gebleven of en zo ja welke foto’s er zijn van augustus 2023. Of data van digitale foto’s gemakkelijk te manipuleren zijn, zoals [verzoeker] stelt, is in dit kader dan ook niet relevant.
4.13.3.
De factuur van 21 juli 2023 voor een bedrag van ruim NAf 19.000, op 4 augustus 2023 door [betrokkene 1] ondertekend, is door [werknemer 1] geaccordeerd op 7 augustus 2023, daags nadat de gestelde werkzaamheden zouden zijn verricht. CRU stelt dat [hoof v/d afdeling General Services CRU] (aanvankelijk) weigerde de betaling van deze factuur in het systeem te zetten, omdat voor iedereen duidelijk was dat de werkzaamheden niet waren verricht. Dit is door [verzoeker] niet, althans onvoldoende weersproken. Ook weegt het gerecht in dit kader mee dat de door [verzoeker 1] gegeven reden waarom hij via zijn privéaccount aanpassingen heeft verricht aan de factuur van H&M, te weten dat betaling kennelijk uitbleef omdat daarop een onjuist rekeningnummer stond vermeld, niet voor de hand ligt. Omdat het dermate ongebruikelijk is dat een opdrachtgever de factuur van een opdrachtnemer aanpast, overigens zonder dat daarvan melding wordt gemaakt, en [verzoeker] voor deze gang van zaken geen afdoende toelichting heeft gegeven, acht het gerecht de gegeven reden ongeloofwaardig.
4.13.4.
Ook snijdt het verweer van [verzoeker] dat het een kleiner stuk grond betrof, -kennelijk om te motiveren dat de gefactureerde werkzaamheden wel degelijk in een weekend konden worden verricht- geen hout. De factuur die is ingediend voor de verrichte werkzaamheden heeft betrekking op een gebied van meer dan 10.000 m2 en dat is nog steeds meer dan de helft van 17.000 m2 -het gehele gebied met de schoonmaak waarvan -zo is niet weersproken- zeven tot tien mensen twee weken mee bezig zouden zijn-, terwijl evenmin gemotiveerd is weersproken door [verzoeker] dat H&M alleen op 6 augustus 2023, voor de duur van ongeveer een uur, aan het werk is geweest op het terrein. [verzoeker] verwijst ook naar work permits die aan H&M zijn gegeven tussen 29 juni en 3 juli 2023, maar vanwege het ontbreken van nadere toelichting op dit punt, is dit onvoldoende om aan te nemen dat de bij voormelde factuur in rekening gebrachte werkzaamheden alle zijn verricht. [verzoeker] heeft niet toegelicht waarom de werkzaamheden, die, zo is niet in geschil, halfjaarlijks plaatsvinden, nu met een maand ertussen hebben plaatsgevonden. Evenmin heeft [verzoeker] toegelicht welke werkzaamheden in juni/juli hebben plaatsgevonden en welke in augustus. Dat had in het kader van zijn betwisting op zijn weg gelegen, met name gelet op zijn eigen stelling dat in het weekend van 5 en 6 augustus 2023 werkzaamheden zijn verricht. Dit klemt temeer omdat, zoals hiervoor is overwogen, onduidelijk is gebleven of en zo ja wat de juiste foto’s zijn van de gestelde werkzaamheden op die data.
4.14.
Gelet op het voorgaande dient het er naar het oordeel van het gerecht voor te worden gehouden dat de door H&M gefactureerde schoonmaak- en deweeding-werkzaamheden niet op 5 en 6 augustus 2023, zoals gesteld, zijn verricht. Nu [verzoeker] met zoveel woorden heeft erkend dat hij de foto’s ‘echt moest laten lijken’, kan het niet anders dan dat hij daarvan op de hoogte is geweest.
4.15. [
verzoeker] heeft er verder op gewezen dat [hoof v/d afdeling General Services CRU] haar eigen motieven had om de telefoongesprekken met [verzoeker] op te nemen en het slechts fragmenten van de regelmatige gesprekken tussen [hoof v/d afdeling General Services CRU] en [verzoeker] zijn. In zijn akte uitlating producties schetst [verzoeker] de positie van [hoof v/d afdeling General Services CRU] (‘een sleutelfunctie binnen de HR-afdeling’) en stelt dat FC de aan haar door [verklaarder 3] en [verklaarder 2] afgelegde verklaringen over de after foto’s heeft overgenomen, terwijl niet bekend is welke foto’s zij aan hen heeft getoond.
4.16.
CRU heeft als productie 70 een geluidsdrager overgelegd met daarop drie opgenomen gesprekken tussen [hoof v/d afdeling General Services CRU] en [verzoeker]. Daaruit valt niet af te leiden dat het slechts (voor [verzoeker] bezwarende) fragmenten zijn en [verzoeker] zelf licht dit ook in het geheel niet toe -laat staan dat hij toelicht waarom zijn uitlatingen anders moeten worden uitgelegd (‘in een andere context’) en hoe die dan moeten worden uitgelegd. Ook de positie van [hoof v/d afdeling General Services CRU] zoals die door [verzoeker] wordt geschetst en wat daar ook verder van zij, maakt het oordeel over het verwijtbare gedrag niet anders; ook als [verzoeker] heeft gedacht dat hij vanwege zijn persoonlijke relatie met [hoof v/d afdeling General Services CRU] vrijuit kon spreken, rechtvaardigt dit niet zijn onrechtmatige gedrag. Zijn betoog dat [hoof v/d afdeling General Services CRU] een sleutelpositie bekleedde/bekleedt, komt het gerecht bovendien eerder voor als een reden om niet zijn onrechtmatige gedrag met haar te bespreken. Nu reeds is komen vast te staan dat het werk niet op 5 en 6 augustus 2023 was verricht, is niet langer van belang welke foto’s [hoof v/d afdeling General Services CRU] aan [verklaarder 2] en [verklaarder 3] heeft laten zien.
4.17.
Het gerecht overweegt ten slotte dat, gelet op het feit dat het onrechtmatig gedrag van [verzoeker] in dit dossier voldoende is komen vast te staan, minder relevant is welke motieven [hoof v/d afdeling General Services CRU] had en dat het rapport partijdig is, temeer omdat [verzoeker] geen steekhoudend verweer heeft aangevoerd waarom en hoe dit af zou doen aan zijn onrechtmatig handelen. De stelling dat het fixatiebeginsel in de weg staat aan een verdere concrete onderbouwing van een in de ontslagbrief vermelde ontslaggrond vindt geen steun in het recht.
Alle omstandigheden van het geval
4.18. [
verzoeker] heeft erop gewezen dat hij kostwinner is en het ontslag binnen een kleine gemeenschap als Curaçao tot gevolg zal hebben dat hij niet eenvoudig aan een nieuwe baan zal komen. Het gerecht acht, mede gelet op de ernst van de aan [verzoeker] te verwijten gedraging, deze omstandigheden echter niet van dien aard dat deze in de weg staan aan de conclusie dat van CRU niet langer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] in stand te houden.