Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2025-01-27
ECLI:NL:OGEAC:2025:104
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,666 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202401015
Vonnis van 27 januari 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
UNICOMER (CURAÇAO) B.V., h.o.d.n. OMNI, gevestigd in Curaçao, eiseres in conventie, verweerster in reconventie,, gemachtigden: mr. Th. Aardenburg en mr. E.G.I. van der Plank,
tegen
de naamloze vennootschap
KMS CONSTRUCTION & REAL ESTATE SERVICES N.V.,
gevestigd in Curaçao, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, gemachtigde: mr. A.J. de Winter.
Partijen worden hierna OMNI en KMS genoemd.
1Het procesverloop in conventie en in reconventie
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van 21 maart 2024;
de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie
de nadere producties van OMNI;
de conclusie van antwoord in reconventie;
de nadere producties van KMS;
de pleitaantekeningen van OMNI;
de mondelinge behandeling van 28 oktober 2024.
1.2.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
In januari 2020 hebben partijen een overeenkomst gesloten voor de installatie van een koelings/ventilatiesysteem bij het project [project 1] voor een aanneemsom van NAf 174.770,68. Blijkens de door partijen ondertekende offerte zijn zij daarbij onder meer overeengekomen dat 50% van de aanneemsom verschuldigd is na het accepteren van de offerte en 50% na oplevering.
2.2.
De werkzaamheden hebben plaatsgevonden gedurende een periode van omstreeks oktober 2021 tot en met oktober 2022.
2.3.
KMS heeft aan OMNI diverse (deel)betalingen gedaan, laatstelijk bedragen van NAf 24.000,- op 12 oktober 2022 en NAf 1.000,- op 13 oktober 2022.
2.4.
Bij brief van 16 oktober 2023 heeft OMNI KMS gemaand om binnen zes dagen aan haar een bedrag van NAf 72.727,82 te betalen. KMS heeft dat niet gedaan.
3De vordering en de standpunten van partijen in conventie en in reconventie
in conventie
3.1.
OMNI vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, KMS te veroordelen tot betaling aan OMNI van een bedrag van Afl. 82.343,12, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2023, tot de dag der algehele voldoening, en met buitengerechtelijke incassokosten, en met veroordeling van KMS in de proceskosten.
3.2.
Aan de vordering legt OMNI het volgende ten grondslag.
Tussen partijen geldt een overeenkomst op grond waarvan OMNI installatiewerkzaamheden voor onder meer een koelingssysteem zou verrichten. KMS heeft niet binnen de afgesproken termijnen voldaan aan de voor haar uit die overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen, bestaande uit de aanneemsom, verminderd met minderwerk, tot een bedrag van in totaal NAf 167.343,12. Zij heeft een bedrag van NAf 85.000,- betaald en, ondanks daartoe te zijn aangemaand, een bedrag van NAf 82.343,12 onbetaald gelaten.
3.3.
KMS betwist de vordering van OMNI en voert daartoe het volgende aan. KMS betwist dat sprake is van minderwerk. KMS stelt dat OMNI het werk niet deugdelijk heeft afgemaakt. Als gevolg hiervan heeft zij schade geleden, bestaande uit de aan derden en aan materialen te betalen kosten voor het verrichten van de noodzakelijke afbouw- en herstelwerkzaamheden, en het mislopen van inkomsten. Voor zover KMS iets aan OMNI verschuldigd is, dient dit met de door haar geleden schade te worden verrekend.
in reconventie
3.4
KMS vordert in reconventie, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- voor recht te verklaren dat ONMI wanprestatie heeft geleverd en voor de door KMS geleden schade aansprakelijk is;
- de overeenkomst tussen partijen te ontbinden;
- OMNI te veroordelen tot betaling aan KMS van bedragen van NAf 27.745,40 en US$ 26.243,87, althans een door het gerecht in goede justitie te betalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 3 juni 2024;
- OMNI te veroordelen in de proceskosten.
3.5.
Aan de vordering legt KMS het volgende ten grondslag.
OMNI heeft het overeengekomen werk niet afgemaakt. Verder heeft OMNI geen deugdelijk werk geleverd. Als gevolg hiervan heeft zij schade geleden, bestaande uit de aan derden en aan materialen te betalen kosten voor het verrichten van de noodzakelijke afbouw- en herstelwerkzaamheden, en inkomensschade.
3.6
OMNI betwist de vordering van KMS en voert het volgende aan.
OMNI betwist dat zij tekort is geschoten in de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst tussen partijen. De werkzaamheden waren nagenoeg afgerond. Het is juist KMS die in verzuim is geraakt, door niet binnen de afgesproken termijn te voldoen aan haar betalingsverplichtingen, waarop OMNI de werkzaamheden heeft gestaakt.
3.7
Op hetgeen partijen verder hebben aangevoerd wordt, voor zover van belang, hierna onder de beoordeling ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen en verweren in conventie en in reconventie, zal het gerecht deze gezamenlijk behandelen.
4.2.
De overeenkomst tussen partijen kwalificeert als een overeenkomst tot aanneming van werk. OMNI heeft zich verbonden om voor KMS een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen tegen een bepaalde prijs (artikel 7A:1613b van het Burgerlijk Wetboek; BW).
4.3.
Tussen partijen is in geschil wat precies met elkaar is overeengekomen, en welke verplichtingen tot nakoming dan wel voldoening van schadevergoeding over en weer (nog) bestaan.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat het werk door OMNI niet volledig is afgemaakt. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de overeenkomst voor zover het gaat om de niet verrichte werkzaamheden tot een bedrag van NAf 7.427,56 ontbonden moet worden (zie de vordering in reconventie en 4.13. van de conclusie van antwoord in reconventie). Het gerecht zal de vordering van KMS in zoverre dan ook toewijzen, waarmee de overige geschilpunten over het niet afgemaakte werk geen bespreking meer behoeven.
inhoud aannemingsovereenkomst
betalingstermijn
4.5.
Tussen partijen is niet meer in geschil dat de overeengekomen betalingstermijnen nadien zijn gewijzigd. KMS heeft in dit verband verwezen naar mailcorrespondentie tussen partijen (productie 8 bij de conclusie van antwoord), waaruit valt af te leiden dat de betalingsafspraken zo zijn gewijzigd dat NAf 50.000,- direct verschuldigd is, NAf 37.385,34,- bij aanvang van de installatiewerkzaamheden (samen de helft van de aanneemsom) en de tweede helft na oplevering. OMNI heeft ter zitting erkend dat dit als de nader overeengekomen afspraak heeft te gelden.
oplevertermijn
4.6.
KMS stelt dat partijen zijn overeengekomen dat het werk binnen vijf tot zes weken zal worden opgeleverd. Zij verwijst in dit verband naar de offerte, waarin als kostenpost is opgenomen:
“5. Labor 3*21 days 850 63 ANG 53.550”
Dit betekent volgens KMS dat is afgesproken dat gedurende 21 dagen door drie installateurs zal worden gewerkt, wat aan werkdagen neerkomt of vijf tot zes weken.
4.7.
OMNI betwist dat partijen een oplevertermijn hebben afgesproken. Deze regel in de offerte is alleen opgenomen om de kosten voor arbeid te berekenen. Gelet op de aard van de werkzaamheden, waarbij de installateurs afhankelijk zijn van de voortgang van de overige werkzaamheden aan het project, kan het nooit de bedoeling zijn geweest dat zulke afspraken zijn gemaakt. De werkzaamheden vinden verspreid over tijd plaats, steeds afhankelijk van de voortgang van de overige werkzaamheden, aldus OMNI.
4.8.
Gezien het geschil tussen partijen, zal het gerecht voormelde regel uit de overeenkomst moeten uitleggen. Uitleg van een overeenkomst dient volgens vaste rechtspraak te geschieden aan de hand van het zogenaamde Haviltex-criterium. Dat betekent dat het bij die uitleg aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar wat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In dit geval gaat het om een regel in een offerte, die later is geaccordeerd, waarmee tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. In die offerte staan voor zowel materialen, installatie- en arbeidskosten bedragen vermeld, berekend aan de hand van het benodigde aantal materialen en de benodigde arbeidsuren. Dat is de context waarin de regel moet worden bezien. In de offerte staat verder een aantal uitgangspunten vermeld, zoals dat het gaat om de installatie van een door de cliënt te leveren systeem, hoelang de offerte geldig is, binnen welke termijn moet worden betaald en voor welke periode garantie wordt geboden. Daarbij is niet vermeld binnen welke termijn het werk moet worden opgeleverd. Gelet op het vorenstaande, en in aanmerking genomen dat, zoals OMNI onweersproken heeft gesteld, zij voor het uitvoeren van de werkzaamheden afhankelijk is van de voortang van overige werkzaamheden binnen het project, is de meest voor de hand liggende uitleg van de desbetreffende regel dat daarmee alleen een prijs is begroot voor de arbeidskosten, en niet dat daarmee een fatale opleveringstermijn is vastgelegd.
rechtsgeldige opschorting en gevolgen
4.9.
Het gerecht begrijpt de stellingen van OMNI, zoals nader toegelicht ter zitting, zo, dat omdat KMS na diverse aanmaningen zelfs in oktober 2022, niet volledig aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan, OMNI de nakoming van haar verbintenissen, te weten het afronden van de werkzaamheden, heeft opgeschort. Uit de daartegenover staande stellingen van KMS, te weten dat OMNI al in verzuim verkeerde, en dat OMNI het werk, ondanks dat KMS in oktober 2022 een substantieel bedrag heeft betaald, niet heeft afgemaakt, leidt het gerecht af dat tussen partijen in geschil is, of OMNI rechtvaardig heeft opgeschort.
4.10.
Het gerecht beantwoordt deze vraag bevestigend, en overweegt daartoe als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, hadden partijen geen fatale oplevertermijn afgesproken. Uit het contact tussen partijen, tot kort voor de opschorting, blijkt ook niet dat KMS zich op dat standpunt stelde. Integendeel, KMS heeft te kennen gegeven te zullen betalen, opdat OMNI de werkzaamheden niet zou staken. Nu er geen fatale termijn is verlopen en ook overigens niet is gebleken van een ingebrekestelling in oktober 2022, volgt het gerecht de stelling van KMS niet, dat OMNI ten tijde van de opschorting reeds in verzuim was. Verder is tussen partijen niet in geschil dat KMS het volledige bedrag van NAf 87.385,34 dat verschuldigd was ten tijde van de aanvang ven de installatiewerkzaamheden niet had betaald, zodat sprake was van een opeisbare vordering. Volgens OMNI moest nog een bedrag van ongeveer NAf 2.500,- betaald worden, en uit de overgelegde afschriften van KMS leidt het gerecht af dat de stelling van KMS is dat nog een bedrag van NAf 576,34 betaald moest worden. Het gerecht laat in het midden welk bedrag openstaat; het verschil is gering en in beide gevallen gaat het om een verhoudingsgewijs klein bedrag op het totaal verschuldigde bedrag. Niettemin acht het gerecht de opschorting gerechtvaardigd. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat de laatste deelbetalingen zijn gedaan, een jaar nadat deze verschuldigd waren, dat ondanks diverse aanmaningen niet het volledig verschuldigde bedrag is betaald, het bedrag bij stukjes en beetjes is betaald, en dat KMS daarbij op voorhand te kennen heeft gegeven de resterende 50% van de aanneemsom, die volgens afspraak na oplevering ineens verschuldigd zou worden, ook bij stukjes en beetjes te gaan betalen. Daarmee heeft KMS aan OMNI een mededeling gedaan, waaruit OMNI mocht afleiden dat KMS in de nakoming tekort zou schieten (artikel 80, lid 1, aanhef en onder b, BW), op grond waarvan opschorting op grond van artikel 6:263 BW eveneens geoorloofd is.
4.11.
De conclusie dat OMNI rechtsgeldig heeft opgeschort, heeft tot gevolg dat OMNI niet in verzuim is geraakt en dat daarmee KMS geen recht toekomt op omzetting of ontbinding van de overeenkomst. De daarop gegronde vorderingen van KMS komen reeds om deze reden voor afwijzing in aanmerking. Op het moment dat KMS alsnog haar verplichtingen nakomt, vervalt de opschorting.
Dictum
Het gerecht:
5.1.
ontbindt de overeenkomst tussen partijen tot een bedrag van NAf 7.427,56 aan niet verrichte werkzaamheden;
5.2.
veroordeelt KMS tot betaling aan OMNI van een bedrag van NAf 82.343,12, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2023 tot aan de dag van betaling;
5.3.
veroordeelt KMS in de proceskosten van OMNI van NAf 7.155,85, te vermeerderen met NAf 250,- aan nakosten zonder betekening, verhoogd met NAf 150,- in geval van betekening;
5.4.
bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth rechter, en in het openbaar uitgesproken.