Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-08-19
ECLI:NL:OGEAC:2024:280
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,762 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202400102
Vonnis van 19 augustus 2024
in de zaak van
[eiseres],
wonend in [woonplaats], eiseres in conventie, verweerster in reconventie, gemachtigde: mr. R.M.L. Conquet,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats], gedaagde in conventie, eiser in reconventie, gemachtigde: mr. S.C. Larmonie.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.
1Het procesverloop in conventie en in reconventie
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met producties van 15 januari 2024,
de conclusie van antwoord met producties, tevens houdende eis in reconventie, van 22 april 2024;
de akte aanvulling van rechtsgronden tevens eiswijziging van 24 juni 2024;
de mondelinge behandeling van 24 juni 2024, waar partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
Partijen hebben gedurende twintig jaar een affectieve relatie gehad en hebben samen twee kinderen. Zij zijn niet met elkaar gehuwd geweest. Evenmin hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten.
2.2.
In 2006 hebben partijen samen een woning gekocht. Voor de financiering daarvan hebben zij een hypotheek afgesloten van NAf 255.000. In verband met een verbouwing aan de woning in 2018 hebben zij opnieuw geld geleend, waarbij de hypotheeksom uit is gekomen op een bedrag van NAf 306.000.
2.3.
Eind juli 2022 kwam er een einde aan de relatie en heeft de man de woning verlaten. De woning is op 28 september 2023 voor een bedrag van NAf 305.000 verkocht en overgedragen aan een derde. Na verrekening van de koopsom met de openstaande hypotheekschuld van NAf 158.807,99 en overige kosten, resteerde een bedrag van NAf 138.018,34. De helft van dit bedrag is door de notaris aan ieder van partijen uitbetaald.
3De vordering in conventie en in reconventie
in conventie
3.1.
De vrouw vordert, na wijziging van eis:
a. Primair, voor recht te verklaren en/of te bepalen dat eiseres op grond van artikel 6:10 BW een regresvordering heeft op gedaagde voor tenminste de helft van de door eiseres op de hypotheekschuld afgeloste bedrag, te weten de helft van NAf 341.226 zijnde NAf 170.613,- en gedaagde tot betaling van dat bedrag te veroordelen vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag waarop gedaagde met de voldoening/restitutie in verzuim is gebleven, te bepalen op 3 november 2023, althans op een door U.E.A. in goede justitie te bepalen bedrag, tevens vermeerderd met wettelijke rente en vanaf een datum die U.E.A. in goede justitie mocht vermenen te behoren;
b. Tevens voor recht te verklaren dat eiseres een vordering op gedaagde heeft uit hoofde van het door eiseres met eigen middelen in de woning geïnvesteerd bedrag van NAf 13.995,- en gedaagde tot betaling van dat bedrag te veroordelen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag waarop gedaagde met de voldoening in verzuim is gebleven, te weten 3 november 2023, althans een bedrag en vanaf een datum die U.E.A. in goede justitie mocht vermenen te behoren;
c. Subsidiair, voor recht te verklaren dat gedaagde in redelijkheid geen recht had op de helft van de overwaarde van de woning bij verkoop, althans dat hij slechts recht had op een bedrag naar rato van hetgeen hij op de hypotheekschuld heeft afgelost, te weten 3.1 % representatief voor het bedrag van NAf 10.536,82, wat door gedaagde is betaald in vergelijking tot eiseres, te weten NAf 341.226,- (96.9 %) en hem te veroordelen tot restitutie van het resterende gedeelte van het door hem op 28 september 2023 ontvangen bedrag te weten NAf 127.925.77 althans het aan eiseres te restitueren bedrag conform artikelen 612 RV te begroten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag, waarop gedaagde met de voldoening in verzuim is gebleven, te weten 3 november 2023, althans vanaf een datum die U.E.A. in goede justitie mocht vermenen te behoren;
d. Tevens voor recht te verklaren dat eiseres een vordering op gedaagde heeft uit hoofde van het door eiseres met eigen middelen in de woning geïnvesteerd bedrag van NAf 13.995,- en gedaagde tot betaling van dat bedrag te veroordelen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag waarop gedaagde met de voldoening in verzuim is gebleven, te weten 3 november 2023, althans een bedrag en datum die U.E.A. in goede justitie mocht vermenen te behoren;
e. Meer subsidiair, voor recht te verklaren dat gedaagde zich ten opzichte van
eiseres heeft verrijkt en gedaagde op grond daarvan, tot betaling/restitutie van het bedrag van NAf 66.009,17 te veroordelen, zijnde de helft van de overwaarde van de woning uitgekeerd aan gedaagde op 28 september 2023 door notariskantoor [notaris], vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag waarop gedaagde met de voldoening in verzuim is gebleven, te weten 3 november 2023, althans vanaf een datum die U.E.A. in goede justitie mocht vermenen te behoren;
f. Tevens voor recht te verklaren dat eiseres een vordering op gedaagde heeft uit hoofde van het door eiseres met eigen middelen in de woning geïnvesteerd bedrag van NAf 13.995,- en gedaagde tot betaling van dat bedrag te veroordelen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag waarop gedaagde met de voldoening in verzuim is gebleven, te weten 3 november 2023, althans een bedrag en vanaf een datum die U.E.A. in goede justitie mocht vermenen te behoren;
g. Meer, subsidiair: voor recht te verklaren dat gedaagde in redelijkheid geen recht had op uitkering van het bedrag van NAf 66.009,17 en hem te veroordelen tot restitutie van dat bedrag te veroordelen, althans het aan eiseres te restitueren bedrag conform artikelen 612 RV te begroten/te bepalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag, waarop gedaagde met de voldoening in verzuim is gebleven, te weten 3 november 2023, althans vanaf een datum die U.E.A. in goede justitie mocht vermenen te behoren;
h. Tevens voor recht te verklaren dat eiseres een vordering op gedaagde heeft uit hoofde van het door eiseres met eigen middelen in de woning geïnvesteerd bedrag van NAf 13.995,- en gedaagde tot betaling van dat bedrag te veroordelen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag waarop gedaagde met de voldoening in verzuim is gebleven, te weten 3 november 2023, althans een bedrag en vanaf een datum die U.E.A. in goede justitie mocht vermenen te behoren;
i. Meer, meer, meer subsidiair, een zodanige beslissing die U.E.A., alle omstandigheden van dit geval in aanmerking genomen, in goede justitie mocht vermenen te behoren;
j. Primair, subsidiair en meer subsidiair en meer, meer subsidiair, met veroordeling van gedaagde in alle kosten van deze procedure, waaronder buitengerechtelijke kosten conform de bij inleidend verzoekschrift als productie 12 overgelegde specificatie en gemachtigdensalaris vermeerderd met de wettelijke rente, indien niet binnen 14 dagen aan de veroordeling wordt voldaan, uitvoerbaar bij voorraad.
3.2.
De vrouw legt aan haar vordering ten grondslag, samengevat, dat zij hoofdzakelijk de kosten van de gezamenlijke hypotheek ten behoeve van de gezamenlijke woning heeft betaald, terwijl partijen hadden afgesproken dat ieder de helft van de maandelijkse hypotheekkosten zou betalen. Bij het vertrek van de man uit de gezamenlijke woning hebben partijen afgesproken dat de man de auto zou meenemen en geen aanspraak zou maken op de helft van de overwaarde als de woning zou worden verkocht. Daarom vordert zij ook terugbetaling van de aan de man uitbetaalde helft van de overwaarde (NAf 66.009,17), omdat hij daar geen recht op had. Daarnaast heeft zij uit eigen middelen NAf 13.995 geïnvesteerd in een nieuwe keuken in de woning, ook dit bedrag vordert de vrouw.
in reconventie
3.3.
De man vordert in reconventie:
a. a) voor recht te verklaren dat hij gerechtigd is op de helft van de netto-opbrengst uit de verkoop van de woning – de eenvoudige gemeenschap – op de voet van artikel 3:166 lid 2 BWC, althans een door uw gerecht te benoemen grond;
b) de verdeling bij helfte van de netto-opbrengst uit de verkoop van de woning – de eenvoudige gemeenschap – zoals door de notaris reeds uitgevoerd door uw gerecht te bekrachtigen/bevestigen;
c) dat partijen uit hoofde van de gemeenschap welke zij gedurende de samenleving hebben opgebouwd, over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben;
d) de proceskosten te compenseren, het e.e.a. op de voet van artikel 60 Rv (tweede volzin);
e) dat U.E.A. in ieder geval een zodanige beslissing neemt als U E.A. in goede justitie meent en met het oog op een rechtvaardige oplossing voor het ‘euvel’, wenselijk voorkomt en/of oordeelt.
3.4.
Hij legt aan zijn vordering ten grondslag, samengevat, dat partijen hadden afgesproken alle gezamenlijke kosten te delen en dat is ook gebeurd.
Beoordeling
de overwaarde
4.1.
Het gerecht begrijpt uit de stellingen van de vrouw dat zij de vordering in zoverre erop grondt dat, omdat zij hoofdzakelijk de hypotheeklasten heeft gedragen, partijen hadden afgesproken dat de woning aan haar zou worden toebedeeld, zonder dat zij een vergoeding uit overbedeling aan de man verschuldigd is, dan wel dat de aan de man uit te keren overwaarde naar rato van diens inbreng berekend diende te worden. In dit verband stelt de vrouw ook nog dat partijen bij het vertrek van de man uit de woning zijn overeengekomen hij de gezinsauto zou meenemen en geen aanspraak zou maken op de overwaarde van de woning.
4.2.
De man heeft deze afspraak, zoals gezegd, betwist. Hij heeft aangevoerd dat het niet logisch is dat hij een dergelijke afspraak zou maken, alleen al gezien het waardeverschil tussen de woning en de auto. De vrouw is in 2022 weliswaar met de kinderen achtergebleven in de woning, maar de man is de kinderen met de gezinsauto blijven vervoeren naar school en andere bestemmingen en hij is ook voor de vrouw en de kinderen de rekeningen van Aqualectra blijven betalen, aldus de man.
4.3.
Mede in het licht van deze duidelijke financiële benadeling van de man mag van de vrouw verwacht worden dat zij de door haar gestelde afspraak concreet en met feiten en omstandigheden onderbouwt, bijvoorbeeld met een verklaring waarom de man met deze voor hem nadelige verdeling zou hebben ingestemd. Een dergelijke onderbouwing heeft zij niet gegeven. Bewijs ter zake, indien en voor zover daar al aan zou worden toegekomen, heeft zij niet aangeboden. Het gerecht is van oordeel dat de door de vrouw gestelde afspraak aldus onvoldoende is onderbouwd.
4.4.
Voorts staat tussen partijen vast dat de woning aan partijen gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, toebehoorde en dat de woning destijds volledig is aangeschaft met een hypothecaire lening. Hetgeen de vrouw heeft gesteld over de omstandigheden waaronder de twee hypotheekleningen, de koopovereenkomst met betrekking tot de woning en de lening ten behoeve van de aanschaf van een nieuwe gezinsauto tot stand zijn gekomen, namelijk –samengevat- dat zij het daarmee eigenlijk niet eens was, maakt dat niet anders, nog daargelaten dat niet duidelijk is of de vrouw hieraan rechtsgevolgen verbindt en zo ja, welke. Dit leidt er toe dat de verdeling bij helfte dient te geschieden. In de stellingen van de vrouw is geen grond te vinden voor het oordeel dat dit in dit geval anders moet. Daarom zal de vordering van de vrouw tot terugbetaling van de aan de man uitgekeerde NAf 66.009,17 worden afgewezen.
vergoeding in verband met door de vrouw betaalde hypotheeklasten
4.5.
Partijen hebben zij samengewoond als waren zij gehuwd. Ter zitting heeft de behandelend rechter partijen voorgehouden dat artikel 1:87 BW, dat betrekking heeft op vergoedingsrechten binnen het huwelijk, op grond van artikel 1:87a BW ook van toepassing is op de rechtsverhouding tussen informeel samenwonende partijen. Of de vrouw recht heeft op een vergoeding dient dan ook te worden beoordeeld aan de hand van artikel 1:87 BW.
4.6.
Artikel 1:87 BW bepaalt dat indien een echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed wordt voldaan of afgelost, voor de eerstgenoemde echtgenoot een plicht tot vergoeding ontstaat. Met andere woorden, wanneer een vermogensverschuiving plaatsvindt tussen de vermogens van de echtgenoten, ontstaat een vergoedingsrecht ten laste van de ene echtgenoot en ten gunste van de andere echtgenoot. Op grond van lid 2, aanhef en onder a, is het gedeelte van de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan in het daarin vermelde geval evenredig aan het uit het vermogen van de ander afkomstige aandeel in de tegenprestatie voor verbetering van het goed. Op grond van lid 5 wordt, indien de vergoeding overeenkomstig het in lid 1 tot en met 4 bepaalde niet nauwkeurig worden vastgesteld, de vergoeding geschat. Artikel 1:87 BW is van regelend recht.
4.7.
Zoals hiervoor is overwogen, staat vast dat de hypotheek die partijen hebben afgesloten op hun beider naam stond, net als de woning.
4.8.
Aflossingen op een hypotheek ten behoeve van een gezamenlijk of eens anders goed zijn investeringen die tot vermogensverschuiving leiden. De aflossingen die zijn gedaan door de vrouw moeten worden beschouwd als betalingen die (mede) ten goede zijn gekomen aan de man, als gerechtigde tot de helft van de gezamenlijke woning. Hierdoor kan op zichzelf een vergoedingsrecht ontstaan ten laste van de man en ten gunste van de vrouw in de zin van artikel 1:87 lid 1 BW. De vrouw heeft in haar stellingen en de door haar vermelde bedragen echter geen onderscheid gemaakt tussen door haar betaalde rente enerzijds en aflossing anderzijds. Ter beoordeling van een vordering tot vergoeding is het nodig dat dit onderscheid wordt gemaakt, omdat de betaalde rente buiten beschouwing dient te worden gelaten. Het gerecht ziet evenwel geen aanleiding om aan het ontbreken van duidelijkheid ten aanzien van de hoogte van de betaalde hypotheekaflossingen consequenties te verbinden, gelet op het hierna onder 4.11 overwogene.
4.9.
De man heeft aangevoerd dat partijen hadden afgesproken alle kosten van het gezin te delen, dus zowel die van de hypotheek als de overige kosten van de huishouding. Het gerecht overweegt dat dit (bevrijdend) verweer van de man dient te worden gekwalificeerd als een beroep artikel 1:87 lid 4 BW. Daarin is bepaald dat echtgenoten bij overeenkomst kunnen afwijken van het eerste lid van het artikel. Aan deze afwijkende overeenkomst worden geen vormvereisten gesteld. Het is aan de man te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat deze afspraak tussen partijen bestond.
4.10.
De man heeft in dit verband – onder overlegging van onder meer bankafschriften, facturen en betalingsbewijzen – het volgende betoogd. Tot 2009 droeg ieder de helft van de hypotheeklasten. De man heeft de helft van het maandelijkse hypotheekbedrag (NAf 752,69) de eerste jaren direct naar de hypotheekrekening overgemaakt en vanaf 2006 heeft hij het bedrag maandelijks overgemaakt naar de bankrekening van de vrouw. Nadat partijen in 2009 een lening zijn aangegaan ten behoeve van een gezinsauto, heeft hij de aflossing van die lening voor zijn rekening genomen (tussen 2009 en 2014 een bedrag van NAf 643,36 per maand). Daarnaast heeft hij alle autokosten, de kosten van de nutsvoorzieningen, Aqualectra, Flow, Selikor, telefoon, belastingen, bouwkosten en twee kleine leningen ten behoeve van een verbouwing en de gemeenschappelijke huishouding voor zijn rekening genomen. De afspraak om alle kosten te delen is gedurende de gehele periode van samenwonen voortgezet, zoals afgesproken. De vrouw betaalde de hypotheek en de man voor de rest alles, voor de hele familie.
4.11.
De vrouw heeft niet betwist dat de man de door hem gestelde betalingen voor zijn rekening heeft genomen, zodat deze stelling tussen partijen vast is komen te staan. Wel heeft de vrouw de gestelde afspraak betwist. Deze betwisting heeft zij echter niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat zij in haar conclusie van antwoord en ter zitting heeft verklaard dat zij na het vertrek van de man in 2022 niet in staat was om, naast de maandelijkse hypotheekbetalingen, aan de overige financiële verplichtingen van het gezin te voldoen. Daarom was zij genoodzaakt de woning te verkopen.
Beoordeling
5.1.
De vordering voor recht te verklaren dat de man recht heeft op de helft van de netto-opbrengst van de gezamenlijke woning is toewijsbaar. Gesteld noch gebleken is welk belang de man (daarnaast) heeft bij een bekrachtiging of bevestiging van de verdeling van die netto-opbrengst door de notaris. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
5.2.
Het derde deel van de vordering valt niet anders te lezen als een vordering tot verklaring voor recht. Deze vordering is onvoldoende specifiek om te kunnen worden toegewezen.
5.3.
Ook de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd omdat het geschil voortvloeit uit een (gewezen) affectieve relatie.
Dictum
Het gerecht:
in conventie
6.1.
verklaart voor recht dat de vrouw een vordering heeft op de man uit hoofde van het door haar in de woning geïnvesteerde bedrag en veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van NAf 13.995, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 november 2023 tot de dag van voldoening;
6.2.
wijst het overig gevorderde af;
6.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie
6.4.
verklaart voor recht dat de man recht heeft op de helft van de netto-opbrengst van de gezamenlijke woning;
6.5.
bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;
6.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. M.M.M. van Leest, griffier, en in het openbaar uitgesproken.