Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-09-30
ECLI:NL:OGEAC:2024:275
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,897 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202400896
Vonnis van 30 september 2024
in de zaak van
[Eiser],
wonende in [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. C.S.F. Marshall,
tegen
[Gedaagde],
wonende in [woonplaats], gedaagde, gemachtigde: I.F. Moenir Alam.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 13 maart 2024,
de conclusie van antwoord,
de productie van de zijde van eiser van 5 september 2024;
de producties van de zijde van gedaagde van 5 september 2024;
de mondelinge behandeling van 10 september 2024;
de pleitnotities van de gemachtigden.
1.2.
Vonnis is bij vervroeging bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
Op 8 november 2023 heeft eiser aan gedaagde een autobus (hierna: de bus) van het merk [merk 1], [model 1] en met bouwjaar 2008 verkocht voor een prijs van NAf 12.000, te betalen in zes maandelijkse termijnen van NAf 2.000, te beginnen in de maand december 2023. Dit is vastgelegd in een schriftelijke door hen beiden ondertekende overeenkomst (hierna: de overeenkomst).
2.2.
Eiser heeft gedaagde bij het sluiten van de koop medegedeeld dat de bus wat problemen had met de remmen, maar dat dit verholpen kon worden door de door eiser meegegeven vacuümpomp te bevestigen op de bus.
2.3.
Gedaagde heeft in totaal NAf 490 aan eiser betaald voor de bus en deze bij hem terug gebracht op 15 februari 2024.
3De vordering en de standpunten van partijen
3.1.
Eiser vordert – samengevat – dat het gerecht gedaagde veroordeelt tot betaling van het restant van de aankoopprijs zijnde NAf 11.510, althans een door het gerecht in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.
3.2.
Eiser legt aan de vordering ten grondslag dat gedaagde de overeenkomst moet nakomen, nu eiser dat ook heeft gedaan.
3.3.
Gedaagde heeft tot verweer gevoerd dat de bus van meet af aan grote problemen veroorzaakte omdat de bus allerlei defecten bleek te hebben. Gedaagde heeft veel kosten moeten maken aan de bus, wil deze niet meer hebben en heeft de bus daarom geretourneerd. De kosten die hij heeft gemaakt, neemt hij voor lief, maar het restant van de aankoopprijs betalen wil hij niet.
Beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 7:17 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dient bij koop een afgeleverde zaak aan de overeenkomst te beantwoorden. Ingevolge lid 2 van dit artikel beantwoordt een zaak niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De stelplicht en bewijslast van de non-conformiteit ligt in beginsel bij de koper.
4.2.
Gedaagde heeft in dit verband gesteld dat de bus vrijwel meteen problemen vertoonde. De remmen deden het niet, ook niet nadat gedaagde zoals eiser hem had gezegd, de meegegeven vacuümpomp had geïnstalleerd. Deze bleek niet goed en gedaagde heeft een nieuwe pomp gekocht. Ook dit mocht niet baten. De remproblemen bleken groter; de remblokken en remschijven moesten ook vervangen worden en ook na die reparatie door gedaagde, deden de remmen het niet. Tevens deed de accu het niet, lekte de bus olie en bleek het aircosysteem niet te werken. Op enig moment, aldus gedaagde, reed hij met veel passagiers (de bus fungeert als taxi) de Julianabrug af zonder deugdelijke remmen, zonder airco en zonder dat de elektra het overigens deed. Tot overmaat van ramp, brak op 12 december 2023 de veer van de wielophanging en werd een band opengescheurd. Dat heeft hem doen besluiten de koop ongedaan te maken, aldus gedaagde.
4.3.
Het gerecht is van oordeel dat deze klachten gebreken zijn die, als zij worden vastgesteld, kunnen leiden tot het oordeel dat de bus non-conform is. Ook bij een bus van 15 jaar oud zijn dit geen gebreken die je als koper hoeft te verwachten. Het zijn bovendien gebreken die een normaal gebruik van de bus in de weg staan. Daaraan doet niet af dat eiser aan gedaagde heeft meegedeeld dat er problemen waren met de remmen nu niet ter discussie staat tussen partijen dat daarbij uitdrukkelijk door eiser is aangegeven dat dit slechts te maken had met de defecte vacuümpomp waarvoor gedaagde een andere meekreeg van eiser. Volgens gedaagde strekten de remdefecten zich echter veel verder uit, namelijk over het gehele remsysteem, nu ook de remschijven en – blokken vervangen moesten worden en ook daarna de remmen het nog steeds niet deden. Het probleem zat hem dus niet in de vacuümpomp, aldus nog steeds gedaagde.
4.4.
Gedaagde heeft aan zijn stelplicht voldaan. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij foto’s en kwitanties overgelegd van de reparaties die hij heeft laten verrichten. Deze bonnen zien op de reparatie van de airco, de remmen, en de band.
Eiser heeft de herhaaldelijke problematiek met de remmen niet weersproken, maar aangegeven dat gedaagde daarmee naar de juiste garage (te [plaats]) had moeten gaan die ook op een eerder moment in de tijd de alternator had geplaatst in de bus. Daarnaast had gedaagde de onderdelen moeten gebruiken die eiser hem had meegegeven. Dit heeft gedaagde nagelaten, aldus nog steeds eiser, waardoor de verantwoordelijkheid voor deze reparaties bij hem komt te liggen. Het gerecht volgt deze stelling niet. De rechtsvraag is niet wáár gedaagde de remmen moest laten repareren en met welke onderdelen, de vraag is óf vast is komen te staan dat de bus kampte met remproblematiek (en meeromvattend dan veroorzaakt door slechts de defecte vacuümpomp) omdat dit reeds non-conformiteit oplevert. Immers het is evident dat de remmen een essentieel onderdeel vormen van elke bus, ongeacht het bouwjaar. En een dergelijk groot remdefect is naar het oordeel van het gerecht voldoende vast komen te staan, nu eiser dit in het licht van de onderbouwde stellingen van gedaagde onvoldoende heeft betwist. Nog daargelaten dat evenmin door eiser is betwist dat de veerophanging is afgebroken tijdens het rijden waardoor de band is opengescheurd. Dit bij elkaar genomen rechtvaardigt zonder meer de conclusie dat sprake was van een non-conforme bus, hetgeen ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigde. Dit betekent dat de vordering tot nakoming van eiser dient te worden afgewezen.
4.5.
Omdat eiser in het ongelijk wordt gesteld, wordt eiser veroordeeld in de proceskosten van gedaagde. Deze kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op NAf 2.000 aan gemachtigdensalaris (2 punten x tarief 4).
Dictum
Het gerecht:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt eiser in de proceskosten van gedaagde van NAf 2.000;
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.B. Hubben, rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken.