Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2024-08-29
ECLI:NL:OGEAC:2024:260
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,304 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202402869
Vonnis in kort geding van 29 augustus 2024
in de zaak van
de naamloze vennootschap
SPACESTAR CORPORATION N.V.,
gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. A.C. Small,
tegen
DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK (SVB) CURAÇAO,
gevestigd in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols,
met als partij die zich aan de zijde van de SVB heeft gevoegd
DE ONTVANGER VAN DE RECHTSPERSOON HET LAND CURAÇAO,
gevestigd in Curaçao,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R.L. Rosaria,
Partijen worden hierna Spacestar, de SVB en de Ontvanger genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met producties van 30 juli 2024;
het incidenteel verzoek tot voeging van de Ontvanger van 13 augustus 2024;
de e-mailberichten van 13 en 14 augustus 2024 waarin de SVB en Spacestar op het incidenteel verzoek van de Ontvanger hebben gereageerd;
de op voorhand door Spacestar verstuurde producties van 14 augustus 2024;
de akte voorwaardelijke vermindering van eis zijdens Spacestar van 14 augustus 2024;
de op voorhand door de SVB verstuurde producties van 14 augustus 2024;
de pleitnotities van partijen;
de mondelinge behandeling van 15 augustus 2024, waar zijn verschenen: [bestuurder 1], bestuurder van Elckelyck N.V., handelend als directeur van Spacestar, bijgestaan door mr. Small. De SVB is vertegenwoordigd door de gemachtigde voornoemd. Namens de Ontvanger is mr. R.L. Rosaria verschenen;
het gerecht heeft tijdens de mondelinge behandeling vonnis (in het incident) gewezen en overwogen dat de Ontvanger voldoende belang heeft om zich te voegen en dat daarom het incidenteel verzoek zal worden toegewezen. De proceskosten in het incident tot voeging worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Reden hiervoor is dat er nagenoeg geen debat over dit incident heeft plaatsgevonden en dat niet gezegd kan worden dat sprake is van een in het ongelijk gestelde partij.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1. [
neuropsycholoog 1] (hierna: [neuropsycholoog 1]) is neuropsycholoog. Zijn patiëntenbestand bestaat grotendeels uit personen die bij de SVB een ziektekostenverzekering hebben.
2.2.
De Ontvanger heeft op 22 maart 2024 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de SVB op alle vorderingen die [neuropsycholoog 1] op de SVB heeft of nog te vorderen zal hebben.
2.3.
De Ontvanger heeft op 3 mei 2024 conservatoir derdenbeslag gelegd onder de SVB op alle vorderingen die [neuropsycholoog 1] op de SVB heeft of nog te vorderen zal hebben.
2.4.
Bij akte van cessie van 4 juli 2024 heeft [neuropsycholoog 1] vorderingen op de SVB aan Spacestar overgedragen. Het gaat blijkens die akte om “het totaal van de declaratie(s), zoals aangehecht aan deze overeenkomst. Deze vordering blijkt uit de declaraties van [neuropsycholoog 1] bij de SVB onder declarantnummer [declarantnummer 1] vanaf de datum van deze overeenkomst.” De aan de overeenkomst gehechte declaraties zien op de periode van 6 mei 2024 (factuur verzamelnota 4059) tot en met 8 juli 2024 (factuur verzamelnota 4061). De akte van cessie is op 5 juli 2024 aan de SVB betekend.
2.5.
Op 24 juli 2024 heeft de SVB (ten aanzien van de hiervoor vermelde facturen) een betaling van NAf 47.807,05 aan [neuropsycholoog 1] gedaan.
3De vordering en de standpunten van partijen
3.1.
Spacestar heeft oorspronkelijk gevorderd dat het gerecht de SVB zal veroordelen tot betaling van in totaal NAf 47.958,63 aan haar, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten, en proceskosten. Nadien heeft de SVB de eis gewijzigd, zo dat het gerecht de SVB zal veroordelen tot betaling van NAf 0,00, onder de voorwaarden dat – onder meer – de SVB met de door haar gedane betaling (zie 2.5.) haar eerder gevoerde argument omtrent de door de Ontvanger gelegde beslagen heeft bedoeld te verlaten.
3.2.
Spacestar legt de door haar overgelegde akte van cessie van 4 juli 2024 aan haar vordering ten grondslag waarbij zij stelt dat [neuropsycholoog 1] rechtsgeldig zijn vordering op de SVB over de periode van mei 2024 tot en met juli 2024 aan haar heeft gecedeerd.
3.3.
Zowel de SVB als de Ontvanger hebben gemotiveerd verweer gevoerd en hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Bij de mondelinge behandeling is gebleken dat de door Spacestar aan de eiswijziging verbonden voorwaarden niet zijn vervuld, zodat het gerecht op de oorspronkelijke vordering zal beslissen.
4.2.
Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Onderzocht moet worden of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen. Daarnaast moet er sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts dient in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden.
4.3.
Spacestar legt aan haar geldvordering jegens de SVB ten grondslag dat zij uit hoofde van een rechtsgeldige cessie een opeisbare vordering heeft verkregen op de SVB. Volgens Spacestar bedraagt de door haar krachtens cessie verkregen vordering op de SVB in totaal NAf 47.958,63. Verder heeft Spacestar gesteld dat de door de Ontvanger onder de SVB gelegde derdenbeslagen van 22 maart 2024 en 3 mei 2024 geen belemmering kunnen vormen voor de betaling van de aan haar gecedeerde vorderingen. Dit ten eerste omdat het executoriaal derdenbeslag van 22 maart 2024 door het indienen van verzet is geschorst. Ten tweede omdat de eis in de hoofdzaak van het beslag van 3 mei 2024 niet aan de SVB is overbetekend. Dat beslag is volgens Spacestar dan ook niet in conformiteit met de eisen van artikel 721 Rv zodat er sprake is van vormverzuim en nietigheid, aldus Spacestar. Ten slotte heeft Spacestar gesteld dat, voor zover de hiervoor vermelde beslagen al rechtmatig zijn, [neuropsycholoog 1] geen duurovereenkomst of anderszins een zorgovereenkomst met de SVB heeft waardoor de gelegde beslagen niet meer kunnen treffen dan hetgeen onder de SVB verschuldigd lag op de dag van het leggen van de beslagen. De cessie betreft vorderingen over de periode van 6 mei t/m juni 2024, zodat de gedachte dat daar beslag op ligt, geen stand kan houden, aldus nog steeds Spacestar.
4.4.
De SVB heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat er geen sprake is van een rechtsgeldige cessie. Daarbij heeft de SVB gesteld dat de cessie niet aan de eisen van de wet voldoet. De cessie vermeldt volgens de SVB niet wat de titel van overdracht is, er staat ook niet vermeld tot welk bedrag de cessie is gedaan, noch wanneer de cessie vervalt. Ook heeft de SVB betoogd dat de cessie paulianeus is in de zin van artikel 3:45 BW. Voor zover door de SVB te beoordelen is er sprake van een schijnhandeling, die enkel tot doel heeft om de vorderingen van [neuropsycholoog 1] aan mogelijk verhaal van de Ontvanger te onttrekken. De SVB komt dan ook tot de conclusie dat de cessie daardoor nietig is, althans vernietigbaar is en met terugwerkende kracht zal komen te vervallen.
4.5.
Verder hebben zowel de SVB als de Ontvanger aangevoerd dat, in het geval er sprake is van een rechtsgeldige cessie, de SVB Spacestar niet bevrijdend kan betalen omdat de Ontvanger, voordat [neuropsycholoog 1] de vorderingen aan Spacestar heeft gecedeerd, tot twee keer toe derdenbeslag heeft gelegd onder de SVB. Daarbij hebben zij betoogd dat zo lang niet door de rechter is geoordeeld dat de derdenbeslagen moeten worden opgeheven, dan wel vanwege vormverzuim zijn vervallen of nietig zijn, zij ervan uitgaan dat de beslagen rechtsgeldig zijn en nog altijd van kracht zijn. Daarnaast hebben de SVB en de Ontvanger aangevoerd dat, voor zover het gerecht ook van oordeel is dat er sprake is van vormverzuim, deze geheeld is door de omstandigheid dat de SVB, wiens belangen door de overbetekening worden beschermd, daar geen beroep op heeft gedaan. Ten slotte hebben de SVB en de Ontvanger betoogd dat, anders dan Spacestar heeft gesteld, de op 22 maart 2024 en 3 mei 2024 gelegde derdenbeslagen zich niet alleen uitstrekken tot alle op het moment van het beslag bestaande vorderingen, maar ook tot de daarna ontstane vorderingen, zoals de aan Spacestar gecedeerde vorderingen. Dit omdat deze vorderingen conform artikel 475 Rv uit hoofde van een ten tijde van de beslagen reeds bestaande rechtsverhouding tussen [neuropsycholoog 1] en de SVB voortvloeien, aldus de SVB en de Ontvanger.
4.6.
Het gerecht komt, met toepassing van het hiervoor onder 4.2 vermeld terughoudend toetsingskader, tot de slotsom dat de vordering van Spacestar dient te worden afgewezen. Daarbij neemt het gerecht het volgende in aanmerking.
4.7.
In de eerste plaats is naar het oordeel van het gerecht, gelet op de uiteenlopende stellingen van partijen en het beperkte toetsingskader van het gerecht in kort geding, thans onvoldoende aannemelijk geworden dat de SVB in een bodemprocedure zal worden veroordeeld tot betaling van de door Spacestar gepretendeerde geldvordering. De vraag of tussen [neuropsycholoog 1] en Spacestar een rechtsgeldige cessie heeft plaatsgevonden, uit hoofde waarvan Spacestar claimt een opeisbare vordering op de SVB te hebben, kan in deze procedure – gelet op de gemotiveerde betwisting van de SVB - niet zonder nadere stukken worden beantwoord. Hetzelfde geldt voor de vraag omtrent de rechtsgeldigheid van de gelegde derdenbeslagen en de vraag of er tussen [neuropsycholoog 1] en de SVB sprake is van een op het moment van het leggen van de beslagen bestaande rechtsverhouding waaruit de gecedeerde vorderingen voortvloeien. Deze niet zonder nadere bewijslevering te beantwoorden vragen dienen naar het oordeel van het gerecht in een bodemprocedure in volle omvang te worden getoetst. Bovendien dienen, gelet op de stellingen van partijen, ter beoordeling van de (aannemelijkheid van) de vordering van Spacestar verschillende rechtsvragen te worden beantwoord, die zich naar hun aard minder goed lenen voor beantwoording in een kortgedingprocedure.
4.8.
Daarbij komt dat Spacestar onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die meebrengen dat zij reeds nu (met spoed) en vooruitlopend op een eventuele veroordeling in een bodemprocedure moet kunnen beschikken over het door haar verlangde voorschotbedrag van NAf 47.958,63. Spacestar heeft in dat verband enkel gesteld dat “Het spoedeisend belang is evident en volgt uit de aard van de zaak, Spacestar lijdt schade elke dag dat betaling op de facturen door SVB uitblijft”. Deze algemene, niet onderbouwde, stelling is daarvoor onvoldoende. Het had naar het oordeel van het gerecht op haar weg gelegen om dit standpunt nader te onderbouwen. Dat heeft zij (ook ter zitting) nagelaten. Ten slotte staat, indien de vordering al voldoende aannemelijk zou zijn geoordeeld en spoedeisend belang zou worden aangenomen, het mogelijke risico van onmogelijkheid van terugbetaling aan toewijzing in de weg.
4.9.
Omdat Spacestar in het ongelijk wordt gesteld, wordt Spacestar veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de SVB worden tot aan deze uitspraak begroot op NAf 1.500,- aan gemachtigdensalaris. De Ontvanger heeft in de hoofdzaak niet om een kostenveroordeling gevraagd, zodat daartoe niet wordt overgegaan.
4.10.
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
Dictum
Het gerecht:
5.1.
wijst de vorderingen van Spacestar af;
5.2.
veroordeelt Spacestar in de proceskosten van de SVB van NAf 1.500;
5.3.
verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en op 29 augustus 2024 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.