Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2023-02-06
ECLI:NL:OGEAC:2023:37
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,437 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202202426
Vonnis d.d. 6 februari 2023 (bij vervroeging)
inzake
[EISERES],
wonend te Miami, Florida, Verenigde Staten van Amerika,
eiseres,
gemachtigde: mr. S.M. Saleh,
tegen
[GEDAAGDE],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde,
niet in rechte verschenen.
Partijen worden hierna eiseres en gedaagde genoemd.
1
1. Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 november 2022 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de akte van 9 januari 2023 van eiseres.
1.2.
Vonnis is bepaald op heden.
2De verdere beoordeling
verstek
2.1.
Bij de oproeping van gedaagde zijn – mede gelet op de akte van 9 januari 2023 – de bij wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen gedaagde verstek wordt verleend.
de vordering
2.2.
Op grond van artikel 431 lid 2 Rv kan het geding dat ten overstaan van de buitenlandse rechter heeft plaatsgevonden en tot diens beslissing heeft geleid, opnieuw bij de Curaçaose rechter worden behandeld en afgedaan. In een dergelijk geval, zoals hier aan de orde, dient de Curaçaose rechter te beoordelen of en in hoeverre hij, gelet op de omstandigheden van het hem voorgelegde geval, aan een beslissing van de buitenlandse rechter gezag toekent (vgl. HR 14 november 1924, NJ 1925, p. 91; HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1978, NJ 1997/258).
2.3.
In een geding op de voet van artikel 431 lid 2 Rv geldt bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing voor erkenning vatbaar is, als uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Curaçao in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Curaçaose openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Curaçaose rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Curaçao vatbaar is (zie het Gazprombank-arrest; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838).
2.4.
Strekt de vordering op de voet van artikel 431 lid 2 Rv tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, en is voldaan aan de vier hiervoor in 2.3 vermelde voorwaarden, dan dient de rechter de gebondenheid van partijen aan die beslissing tot uitgangspunt te nemen, en is de vordering in beginsel toewijsbaar.
2.5.
Tegen de stelling van eiseres dat in dit geval is voldaan aan de hiervoor in rechtsoverweging 2.3 onder (i) tot en met (iii) vermelde voorwaarden, heeft gedaagde – nu hij niet is verschenen – geen verweer gevoerd. Het gerecht stelt dan ook vast dat aan bedoelde criteria (i) tot en met (iii) is voldaan. Ten slotte is niet gebleken dat het verzoek zich niet verhoudt tot voorwaarde (iv), zodat hier ook aan wordt voldaan. Het voorgaande brengt met zich dat partijen aan de uitspraak van de rechter te Florida (Case No. 2017-007862-FC-04) gebonden zijn en dat de vordering van eiseres toewijsbaar is.
de proceskosten
2.6.
Gedaagde zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op:
explootkosten NAf 666,87
griffierecht NAf 450,00
salaris gemachtigde NAf 1.875,00 +
totaal: NAf 2.991,87.
Dictum
Het gerecht:
3.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde;
3.2.
erkent de uitspraak van The Circuit Court of the Eleventh Judicial Circuit in and for Miami-Dade Country, Florida, van 15 oktober 2020, waarvan een kopie van de uitspraak en van Exhibit 1 aan dit vonnis is gehecht;
3.3.
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van USD 316.958 aan achterstallige alimentatie;
3.4.
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van USD 8.321 per maand aan alimentatie, met ingang van 1 november 2020;
3.5.
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van USD 451.766 aan overbedeling bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap;
3.6.
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van USD 8.185 aan advocaatkosten;
3.7.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op NAf 2.991,87;
3.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, bijgestaan door mr. M.M. Schalk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2023.