Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2023-11-13
ECLI:NL:OGEAC:2023:288
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,218 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202102551
Vonnis van 13 november 2023
in de zaak van
[EISERES],
wonend in Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. S.I. Da Costa Gomez,
tegen
[TUSSENGEKOMEN PARTIJ],
wonend in Curaçao, tussengekomen partij, gemachtigde: mr. S.A.T. Ayubi-Haakmeester,
Partijen zullen hierna [eiseres] en [tussengekomen partij] worden genoemd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:- het vonnis van 19 juni 2023 (hierna: het tussenvonnis),
- de antwoordakte met producties van [eiseres], ingediend op 28 augustus 2023,
- de akte uitlating van [tussengekomen partij], ingediend op 2 oktober 2023.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2De verdere beoordeling
2.1.
Het gerecht volhardt bij het tussenvonnis.
2.2.
Bij het tussenvonnis is de zaak verwezen naar de rol voor akte uitlating aan de zijde van [tussengekomen partij], volgens r.o. 2.9 van het tussenvonnis omtrent hetgeen in r.o. 2.5 en 2.9 van het tussenvonnis is overwogen. Die beide rechtsoverwegingen luiden als volgt:
“2.5. [eiseres] stelt niet dat zij tengevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater of doordat de kinderen van de erflater niet tevens kind zijn van haar geen rechthebbende is op de woning. Zij zal nog in de gelegenheid worden gesteld zich daarover uit te laten.”
en
“2.9. Het is het gerecht onduidelijk of [eiseres] met haar in r.o. 2.5 weergegeven stelling beoogt een beroep te doen op genoemd artikel 4:30b BW. [eiseres] zal in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de vraag of zij 10 jaren of langer heeft samengeleefd met erflater als waren zij gehuwd en zo ja of zij een beroep doet op genoemd artikel 4:30b BW en waarom redelijk is dat de rechter zal bepalen dat [eiseres] met een echtgenoot gelijkgesteld wordt.”
2.3. [
Eiseres] stelt in haar genoemde antwoordakte dat zij inderdaad verzoekt gelijkgesteld te worden met een echtgenoot en doet dus kennelijk een beroep op artikel 4:30b BW . Het gerecht zal eerst dat beroep beoordelen. [eiseres] doelt kennelijk op lid 1 van dat artikel, dat luidt als volgt:
“Heeft de erflater onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden tien jaren of langer samengeleefd met een ander als waren zij gehuwd, dan kan de rechter, indien dat redelijk is, bepalen dat de ander voor de toepassing van deze afdeling met een echtgenoot gelijkgesteld wordt.”
2.4.
Naar het oordeel van het gerecht gaat het beroep van [eiseres] op voornoemd artikellid op en moet zij dus op de voet van artikel 4:30b lid 1 BW voor de toepassing van Boek 4, titel 3, afdeling 2 BW met een echtgenote van erflater gelijkgesteld moet worden. Daartoe wordt het volgende overwogen. Door de erkenning door [tussengekomen partij] staat vast dat [eiseres] en erflater tien jaren of langer met elkaar hebben samengeleefd als waren zij gehuwd. Of zij meer dan twintig jaar hebben samengewoond, zoals [eiseres] stelt maar [tussengekomen partij] betwist, doet voor de beoordeling niet ter zake. De verklaringen die [eiseres] in het geding heeft gebracht, maken overigens niet onaannemelijk dat die samenleving meer dan twintig jaren heeft geduurd. [tussengekomen partij] heeft ook niet weersproken dat erflater en [eiseres], zoals zij heeft gesteld, een langdurige en duurzame relatie hadden en dezelfde mate van financiële en emotionele afhankelijkheid deelden als een getrouwd stel en dat [eiseres] geen ander onderdak heeft op Curaçao. Het gerecht heeft daarom geen twijfel aan de lotsverbondenheid en wederzijdse verzorging van [eiseres] en erflater en acht de in artikel 4:30b lid 1 BW bedoelde gelijkstelling van [eiseres] met een echtgenote van erflater redelijk en geboden.
2.5.
In haar genoemde antwoordakte heeft [eiseres] bevestigd dat zij een beroep doet op artikel 4:29 lid 1 BW. Dat artikel staat in Boek 4, titel 3, afdeling 2 BW en luidt als volgt:
“Voor zover de echtgenoot van de erflater tengevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater of doordat de kinderen van de erflater niet tevens kind zijn van de echtgenoot niet of niet enig rechthebbende is op de tot de nalatenschap van de erflater behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen bewoond werd, of op de tot de nalatenschap behorende inboedel daarvan, zijn de erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op die woning en die inboedel ten behoeve van de echtgenoot, voor zover deze dit van hen verlangt. De eerste volzin geldt niet voor zover de rechter op een daartoe strekkend verzoek artikel 33, tweede lid, onderdeel a, heeft toegepast.”
2.6.
Op artikel 4:29 lid 1 BW is [eiseres] in haar antwoordakte verder niet ingegaan. In haar inleidend verzoekschrift heeft zij echter gesteld dat (de daarin vermelde) verweerders de enige erfgenamen zijn en in haar antwoordakte van 6 maart 2023 dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:29 BW. een en ander is niet weersproken. Daarmee staat naar het oordeel van het gerecht voldoende vast dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:29 lid 1 BW.
2.7.
Hoewel niet is gesteld of gebleken dat [eiseres] “tengevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater of doordat de kinderen van de erflater niet tevens kind zijn van de echtgenoot niet of niet enig rechthebbende is op de tot de nalatenschap van de erflater behorende woning”, zoals artikel 4:29 lid 1 BW bepaalt, leidt een redelijke uitleg van dat artikellid jo. artikel 4:30b lid 1 BW tot de conclusie dat dat (ook) op een situatie als de onderhavige van toepassing is. [tussengekomen partij] heeft de toepasselijkheid van dat artikellid ook niet weersproken. Dit betekent dat [tussengekomen partij] verplicht is tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op de woning.
2.8. [
tussengekomen partij] heeft reeds in haar akte uitlating van 8 mei 2023 gesteld dat [eiseres] twee volwassen zonen heeft die bij haar inwonen. [eiseres] heeft dat niet weersproken. Naar het oordeel van het gerecht vormt dat echter geen grond voor een andere beslissing dan hiervoor is geformuleerd. Dat haar twee volwassen zonen bij haar inwonen, betekent op zichzelf immers niet dat zij geen behoefte heeft aan een vruchtgebruik op de woning. Dat geldt ook als die zonen de zorg voor hun moeder overnemen, waarvoor volgens [tussengekomen partij] nu de tijd is aangebroken. Dat [eiseres] die behoefte wel heeft, staat voldoende vast nu zij, naar zij onbestreden heeft aangevoerd, geen ander onderdak heeft.
2.9. [
tussengekomen partij] heeft in haar akte uitlating van 8 mei 2023 ook nog aangevoerd dat zij – kort gezegd – in verband met de vestiging van een recht van erfpacht veel stappen zal moeten ondernemen en dat daaraan hoge kosten verbonden zullen zijn en dat dat niet van haar kan worden verwacht of geëist. Dit gaat niet op: van [tussengekomen partij] kan worden verlangd dat zij zich inspant het nodige te doen teneinde het recht van vruchtgebruik te doen vestigen. Het belang van [eiseres] bij die vestiging weegt namelijk zwaarder dan het belang van [tussengekomen partij] gevrijwaard te blijven van inspanningen en kosten. Ten aanzien van de kosten geldt dat de redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat [eiseres] onder omstandigheden daarin wellicht een bijdrage zal moeten leveren.
2.10.
Het gerecht geeft partijen in overweging overleg te plegen omtrent die kosten en te trachten daarover in onderling overleg overeenstemming te bereiken.
Dictum
Het gerecht:
3.1.
kent aan [eiseres] toe het levenslang vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:29 BW op de tot de nalatenschap van [naam 1] behorende woning aan de [adres A];
3.2.
veroordeelt [tussengekomen partij] tot medewerking aan de notariële vestiging van voornoemd vruchtgebruik ten overstaan van een door verzoekster aan te wijzen notaris;
3.3.
compenseert de kosten van dit geding in die zin dat elke partij haar eigen kosten draagt;
3.4.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.