Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2023-10-23
ECLI:NL:OGEAC:2023:270
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,271 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummers: CUR201801670 (hoofdzaak) en CUR2019I00002 (vrijwaringszaak)
Vonnis van 23 oktober 2023
in de hoofdzaak van
[EISERES],
wonend in Curaçao,
eiseres,
gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols,
--tegen--
HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Curaçao,
gedaagde,
gemachtigden: mrs. A.C. van Hoof en E.G.I. van der Plank,
en in vrijwaringszaak van
HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Curaçao,
eiser,
gemachtigden: mrs. A.C. van Hoof en E.G.I. van der Plank,
--tegen--
[GEDAAGDE IN VRIJWARING],
wonend in Curaçao,
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van [eiseres] van 30 mei 2018;
het tussenvonnis van 16 december 2019 (Land aansprakelijk);
het tussenvonnis van16 november 2020 (benoeming deskundigen letselschade);
het tussenvonnis van 25 januari 2021 (voorschot kosten deskundige);
het tussenvonnis van 13 februari 2023 (schadeomvang, geen vrijwaring);
de aktes van het [eiseres] en het Land van 5 juni 2023 en hun antwoordaktes van 11 september 2023.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2Inleiding
Tijdens de Marcha di Despedida van 4 maart 2014 is [eiseres] als toeschouwer gewond geraakt doordat een langs de carnavalsroute gelegen muur instortte. Zij is hierdoor blijvend verlamd. Bij eerdere tussenvonnissen en na deskundigenonderzoek naar letsel en schade, is geoordeeld dat het Land, dat over de informatie beschikte dat de muur op instorten stond, onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door haar geleden schade. Geoordeeld is daarbij ook dat het Land die schade niet kan afwentelen op de eigenaar van de muur. Bij dit eindvonnis wordt de materiële en immateriële schade vastgesteld en wordt het Land veroordeeld deze aan [eiseres] te vergoeden, met aftrek van de al eerder aan [eiseres] toegewezen voorschotten.
3De verdere beoordeling in de zaak van [eiseres] tegen het Land
3.1.
In het tussenvonnis van 13 februari 2023 zijn onder 5.12 de schadeposten opgenomen die gegrond zijn geoordeeld. Het totaal van die posten, exclusief buitengerechtelijke kosten, is NAF 2.884.617.
3.2.
Partijen zijn bij dat tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de contante waarde van de in die schadeposten opgenomen toekomstige schade, bij voorkeur na onderling overleg en na op dit punt bereikte overeenstemming. Uit de aktes van partijen blijkt dat het niet gelukt is overleg te voeren en overeenstemming te bereiken. [eiseres] heeft uiteindelijk een opdracht verstrekt aan [naam actuaris] Actuarissen om een actuariële berekening te maken. Het Land heeft opmerkingen bij de berekening van [naam actuaris] geplaatst, waarop [naam actuaris] schriftelijk heeft gereageerd. Het Land heeft vervolgens SOAB om een reactie gevraagd op de berekening van [naam actuaris]. SOAB komt in haar rapport van 10 september 2023, waarop [eiseres] in deze procedure niet heeft kunnen reageren, met een reactie op de berekening van [naam actuaris], maar niet met een eigen berekening.
3.3.
In het vonnis van 13 februari 2023 werd onder 5.12 verondersteld dat een kapitalisatie van het toekomstige deel van de schade in een lager totaalbedrag zou resulteren. Uit zowel de rapporten van [naam actuaris] als SOAB volgt dat als de inflatie betrokken wordt bij de actuariële berekening van toekomstige schadeposten, dit een opwaarts effect heeft op het schadebedrag. Daarmee lijkt echter een element te zijn toegevoegd aan de voorgelegde, beperkte vraag naar contantmaking. Bovendien is in de berekening van [naam actuaris], onder protest van het Land, het uitgangspunt in 5.12 van het vonnis verlaten dat het gaat om schade tot het 83ste levensjaar van [eiseres]. In [naam actuaris]s berekening wordt uitgegaan van 88, niet van 83 jaar.
3.4.
Het Land heeft kritische kanttekeningen (onder meer op het punt van de leeftijd) geplaatst bij het rapport van [naam actuaris], maar het Land noch SOAB komen met een eigen berekening.
3.5.
Al met al wordt met de door partijen na het laatste tussenvonnis genomen aktes geen duidelijkheid verkregen zoals met dat vonnis werd beoogd. Uit de aktes van partijen valt voorts niet af te leiden dat contantmaking zoals in het tussenvonnis bedoeld in een aanpassing van betekenis van het schadebedrag - omlaag of omhoog - zou resulteren. Het gerecht zal de schade van [eiseres] dan ook bij dit vonnis begroten en vaststellen op de in het schema onder 5.12 van het tussenvonnis van 13 februari 2023 opgenomen bedragen, vermeerderd met het hierna vermelde bedrag van NAf 62.000 aan buitengerechtelijke kosten.
3.6.
Bij de veroordeling van het Land tot betaling van schadevergoeding zal rekening worden gehouden met de reeds aan [eiseres] in kort geding (2x) en bij het laatste tussenvonnis in deze procedure toegewezen en door het Land betaalde voorschotten van NAf 250.000, NAf 67.150 en NAf 250.000. Deze bedragen, waarvan de verschuldigdheid in deze bodemprocedure is vastgesteld, zullen niet nogmaals worden toegewezen. Aan resterende hoofdsom zal dus worden toegewezen (NAf 2.884.617 + NAf 62.000 - NAF 250.000 - NAf 67.150 - NAf 250.000 =) NAf 2.379.467.
Buitengerechtelijke kosten
3.7.
Gelet op het lange voortraject sinds het ongeval op 4 maart 2014 en de aannemelijke omvang en noodzaak van de ten behoeve van [eiseres] buiten rechte verrichte inspanningen tot vaststelling van schade en aansprakelijkheid en tot verkrijging van betaling, zal bij de bepaling van de buitengerechtelijke kosten worden uitgegaan van het door [eiseres] als productie 26 overgelegde tijdsbestedingsoverzicht, waartegen het Land geen concreet verweer heeft gevoerd. Na bijstelling van het in dat overzicht opgenomen uurtarief en inclusief de daarin opgenomen overige kosten, begroot het gerecht deze schadepost op NAf 62.000. Dat bedrag is, ook in verhouding tot de totale schade, redelijk.
Wettelijke rente
3.8.
Over het smartengeld van NAf 100.000 zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de datum van het ongeval, zoals gevorderd. Voor het restant van het bij dit vonnis toegewezen bedrag zal als ingangsdatum van de wettelijke rente de dag van indiening van het verzoekschrift worden aangehouden, net als bij de bedragen die hangende deze procedure al bij wijze van voorschot zijn betaald. Over het voorafgaand aan deze procedure bij wijze van voorschot betaalde deel van de (tot dan toe) geleden schade zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 10 april 2014, zoals gevorderd, de dag waarop het Land namens [eiseres] is aangesproken tot schadevergoeding.
Dictum
Het gerecht:
in de hoofdzaak
5.1.
veroordeelt het Land tot betaling aan [eiseres] NAf 2.379.467, te vermeerderen met de wettelijke rente over:
- NAf 100.000 vanaf 4 maart 2014 tot de dag der algehele voldoening;
- NAf 2.279.467 vanaf 30 mei 2018 tot de dag der algehele voldoening;
- NAf 250.000 vanaf 10 april 2014 tot 21 november 2016;
- NAf 67.150 vanaf 30 mei 2018 tot 29 juli 2022;
- NAf 250.000 vanaf 30 mei 2018 tot de dag van betaling in maart 2023;
5.2.
veroordeelt het Land in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op NAf. 7.500 aan griffierecht, NAf 419,15 aan oproepingskosten en NAf 24.000 voor gemachtigdensalaris, en bepaalt dat de kosten van de door het gerecht benoemde deskundigen voor rekening van het Land blijven;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in de vrijwaringszaak
5.5.
wijst af het gevorderde;
5.6.
veroordeelt het Land in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in vrijwaring] tot op heden begroot op NAf 12.000 voor gemachtigdensalaris.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curacao, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2023.