Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2019-08-06
ECLI:NL:OGEAC:2019:251
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,475 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
in het geding tussen:
de vereniging
Vereniging voor Protestants Christelijk Onderwijs,
gevestigd in Curaçao,
eiseres,
gemachtigden: mr. R.F. van den Heuvel en mr. G.A.H. Bakhuis,
en
de minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport,
verweerder,
gemachtigde: mr. W.R. Flocker.
Procesverloop
Bij brief van 15 september 2016 heeft eiseres verweerder verzocht als hierna onder 2 weergegeven.
Tegen het uitblijven van een beslissing op dat verzoek heeft eiseres op 21 juli 2017, aangevuld op 22 augustus 2017, beroep ingesteld.
Op 13 september 2017 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Op 18 juni 2019 hebben zowel eiseres als verweerder nadere stukken ingediend.
Het Gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2019, waar eiseres, vertegenwoordigd door haar algemeen directeur M. van der Bunt-George, bijgestaan door voornoemde gemachtigden, en A. Kusters, bestuurslid, en verweerder, vertegenwoordigd door C. de Wit-Hamer, werkzaam in dienst van het Land, bijgestaan door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 3 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen onder beschikking verstaan: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is. Met een beschikking wordt een weigering om een beschikking te geven gelijkgesteld. Wanneer de wettelijk gestelde termijn voor het geven van een beschikking is verstreken zonder dat een beschikking is gegeven, geldt dat als het weigeren van het geven van een beschikking. Ingevolge artikel 7, eerste lid, kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.
1.1
Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Landsverordening funderend onderwijs kan de eilandsraad op aanvraag van het bevoegd gezag een school voor bekostiging in aanmerking brengen indien er, met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 47, sprake is van voldoende behoefte van die school. Bij inwilliging van de aanvraag ontstaat de aanspraak op bekostiging met ingang van het schooljaar volgend op de inwilliging, dan wel een eerder door de eilandsraad te stellen moment. Ingevolge het tweede lid wordt bij eilandsverordening vastgesteld de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde behoefte wordt bepaald, en worden voorschriften gegeven met betrekking tot de indiening en behandeling van aanvragen om bekostiging op grond van het eerste lid. Bij het vaststellen van deze voorschriften geldt als uitgangspunt dat op de aanvraag wordt beslist binnen negen maanden na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge artikel 46, vierde lid, wordt bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, voor zover van toepassing geregeld:a. de gevallen waarin de niet in het eerste lid genoemde kostensoorten in aanmerking komen;b. de wijze waarop vergoedingen als bedoeld in het eerste lid worden berekend;c. de voorwaarden waaronder een vergoeding als bedoeld in het derde lid kan worden toegekend;d. de wijze waarop de vergoedingen beschikbaar worden gesteld aan de bevoegde gezagsorganen, daaronder in elk geval begrepen regels over de betalingswijze, de betalingstermijnen, voor zover van toepassing de bevoorschotting en het al dan niet mede voor andere, alsdan aan te wijzen doeleinden mogen aanwenden van de vergoedingen, ene. de verantwoording van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de aanwending van de vergoedingen.
1.2
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling aanvraag en beëindiging bekostiging funderend onderwijs en voortgezet onderwijs (onder meer ter uitvoering van artikel 45, tweede lid, van de Landsverordening funderend onderwijs; hierna: de Regeling) kan de eilandsraad een school voor funderend onderwijs, dan wel een school voor voortgezet onderwijs, voor bekostiging in aanmerking brengen, indien er volgens hem voldoende behoefte is aan die school. Ingevolge artikel 3, eerste lid, bevat een aan de eilandsraad gerichte aanvraag om bekostiging:a. de statuten van de rechtspersoon, waaronder de bijzondere school ressorteert;b. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen over een tijdvak van, afhankelijk van de schoolsoort, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a. tot en met d., onderscheidenlijk 8, 6, 5 of 4 jaar;c. de aanduiding van de plaats, waar het onderwijs moet worden gegeven; d. de voorgestelde datum van aanvang;e. de voorlopige begroting; en f. de over het voorafgaand belastingjaar door een accountant goedgekeurde jaarrekening. Ingevolge artikel 4, eerste lid, dient het bevoegd gezag uiterlijk 1 februari van het begrotingsjaar voorafgaand aan de aanvangsdatum, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, een aanvraag om bekostiging bij het bestuurscollege in. Het bevoegd gezag zendt een kopie van de aanvraag naar de eilandsraad. Ingevolge het derde lid beslist de eilandsraad binnen 9 maanden na de indiening, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, van dit artikel. Ingevolge het vierde lid wordt de aanvraag geacht te zijn afgewezen bij het niet nemen van een beslissing binnen de termijn, genoemd in het derde lid.
De in voormelde bepalingen aan de eilandsraad toegekende bevoegdheden komen thans toe aan verweerder.
1.3
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Landsbesluit bekostiging onderwijs (ter uitvoering van artikel 46, vierde lid, van de Landsverordening funderend onderwijs) wordt indien een school of opleiding van overheidswege voor bekostiging in aanmerking is gekomen, jaarlijks een vergoeding toegekend voor de personele kosten onderscheidenlijk de exploitatiekosten.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt de normering voor de personele kosten uitgedrukt in een te vergoeden aantal uren, vertaald in formatiepunten, per onderwijssoort, per school of opleiding en per leerling voor directie, onderwijzend personeel en niet-onderwijzend personeel.
Ingevolge het tweede lid word de normering voor exploitatiekosten uitgedrukt in een te vergoeden bedrag per onderwijssoort, per school of opleiding en per leerling.
Ingevolge het derde lid geschiedt de normering bedoeld in het eerste en tweede lid aan de hand van de bijlagen 1 tot en met 5 bij dit landsbesluit.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, wordt bij ministeriële beschikking uiterlijk 1 juni voorafgaande aan het schooljaar de voorlopige vergoeding voor de personele kosten en de exploitatiekosten vastgesteld aan de hand van de normering, bedoeld in artikel 3, op basis van het aantal leerlingen dat per 1 december voorafgaande aan het schooljaar was ingeschreven.
2. In de brief van 15 september 2016 met als onderwerp “urgent verzoek tot afwikkeling gedeclareerde bedragen OWCS” heeft eiseres verweerder het volgende geschreven:
“Op 1 en 8 augustus 2016 heeft u onder nummers 2016/MG12552 en 2016/MG12554 brieven van ons ontvangen waarin onze nijpende financiële situatie werd geïllustreerd. Dit vanwege de in juli 2016 aangenomen wet voor gratis onderwijs, het kortgeding vonnis in de zaak van enkele leden tegen de VPCO en het feit dat wij de tot nu toe ontvangen contributiegelden over het schooljaar 2016-2017 hebben geparkeerd.
Aan onze brief van 1 augustus 2016 was een begeleidend memo met achtergrondinformatie over de nijpende financiële situatie toegevoegd. Wij benaderen u nu met een urgent verzoek over de op pag. 4 bij punt 4 genoemde bedragen die de VPCO op regelmatige basis ten behoeve van de overheid voorschiet. Het terugstorten van deze bedragen laat meestal maanden maar soms helaas ook jaren op zich wachten. Het gaat hier dan om voorgeschoten bedragen voor gratificaties, kosten voor overtocht, verblijf en inrichting van uitgezonden krachten en dergelijke. U zult begrijpen dat wij in de huidige situatie niet maanden of jaren kunnen wachten om de ten behoeve van de overheid voorgeschoten bedragen waar wij recht op hebben terug te ontvangen. Het totale uitstaande bedrag per heden is ANG 504.036,50, een specificatie van dit bedrag is als bijlage bij deze brief opgenomen. Wij verzoeken u hierbij dringend ons dit bedrag binnen twee weken na dagtekening van dit schrijven te doen toekomen. (…)”
3. Eiseres betoogt dat deze brief een verzoek behelst om haar voor bekostiging in aanmerking te brengen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Landsverordening funderend onderwijs. Nu verweerder niet binnen een termijn van negen maanden daarop heeft beslist, wordt het verzoek ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Regeling geacht te zijn afgewezen. Tegen deze zogenoemde fictieve afwijzing richt zich het beroep, aldus eiseres.
3.1
Dit betoog faalt. De brief van 15 september 2016 behelst geen verzoek als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Landsverordening funderend onderwijs, reeds omdat dat in het geheel niet uit de daarin gebezigde bewoordingen valt af te leiden.
Dictum
Het Gerecht:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in het Gerecht, en uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2019 te Curaçao, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.