Rechtspraak 2025-08-01
ECLI:NL:OGEABES:2025:125
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire Zaaknummer: BON202400633 Datum uitspraak: 1 augustus 2025 Vonnis in de zaak met betrekking tot het perceel: BARA DI KARTA (19.600 m2) te Bonaire kadastraal bekend afdeling 5, sectie C, nummer 59, groot 19.600 m2 (kunuku), welk perceel volgens de schriftelijke inzage van het Kadaster ten name staat van ‘ Eigenaar Onbekend ’, met als opmerking ‘Volgens domein in kaart gebrachte gronden staat de naam van [Naam 1] , overleden, per adres [adres 1]’, hierna: het perceel, van: 1. [Persoon 1] , wonend te Bonaire, 2. [Persoon 2] , wonend te Nederland, 3. [Persoon 3] , wonend te Nederland, 4. [Persoon 4] , wonend te Nederland, 5. [Persoon 5] , wonend te Bonaire, 6. [Persoon 6] , wonend te Aruba, 7. [Persoon 7] , wonend te Bonaire, 8. [Persoon 8] , wonend te Curacao, 9. [Persoon 9] , wonend te Nederland, hierna gezamenlijk te noemen: [Naam c.s.], gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas, met als in het geding opgeroepen partijen: HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE , zetelend te Bonaire, hierna te noemen: OLB, gemachtigde: mr. ir. T.L.H. Peeters, en de stichting FUNDASHON CAS BONAIRIANO , gevestigd te Bonaire, hierna te noemen: FCB, niet verschenen. 1 Het verdere procesverloop 1.1. Voor het verloop tot dan toe verwijst het Gerecht naar zijn tussenvonnis van 3 juni 2023. 1.2. Op 3 juli 2025 heeft het OLB producties ingezonden. 1.3. Naar aanleiding van de openbare oproep is niemand verschenen en is geen stuk ingediend. 1.4. Op 4 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voor [Naam c.s.] is verschenen mr. Nicolaas en voor het OLB zijn verschenen mr. Peeters en mr. S.L. Navia Rodriguez. Mr. Peeters heeft gepleit aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. 1.5. Vervolgens is uitspraak nader bepaald op vandaag. 2 De verdere beoordeling 2.1. Zoals in het tussenvonnis van 3 juni 2025 is vermeld (rov. 2.3), heeft [Persoon 5] (eiser onder 5 in de onderhavige zaak) betreffende de onderhavige onroerende zaak Bara di Karta eerder geprocedeerd, leidende tot een eindbeschikking van dit Gerecht van 28 september 2022 (ECLI:NL:OGEABES:2022:20) (productie 2 OLB van 3 juli 2025) en een beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 1 augustus 2023 (ECLI:NL:OGHACMB:2023:159) (productie 1 OLB). 2.2. Het Hof oordeelde onder meer (rov. 4.9) ‘dat niet is komen vast te staan dat [Naam 1] de eigendom van het terrein heeft verworven op grond van de Verordening’. 2.3. De door het Hof genoemde Verordening is de Verordening van 10 december 1924 tot regeling van de rechten met betrekking tot onroerende goederen, die bij wijze van concessie of vergunning op Aruba of Bonaire zijn uitgegeven , PB 1924, 69. 2.4. Het OLB heeft ter zitting van 4 juli 2025 beroep gedaan op het gezag van gewijsde . Afgesproken is dat het Gerecht daarover eerst een tussenvonnis zal wijzen. 2.5. Artikel 70a Rv BES luidt: 1. Beslissingen aangaande de rechtsbetrekking in geschil, vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. 2. Onder partijen wordt in het eerste lid mede verstaan de rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel, tenzij uit de wet het tegendeel volgt. 3. Het gezag van gewijsde wordt niet ambtshalve toegepast. 2.6. Op zichzelf is, als ten aanzien van de eigendom van een zaak een verklaring voor recht is gevorderd, een beroep op het gezag van gewijsde mogelijk. Zie ten aanzien van de eigendomsuitwijzing van artikel 3:27 BW: Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen , red. C.J. van Zeben, J.W. du Pon, M.M. Olthof, 1981, p. 143: Het verkregen vonnis heeft tussen de eiser en hen, die in persoon gedagvaard zijn, alsmede de verschenen belanghebbenden op dezelfde wijze gezag van gewijsde als ieder ander vonnis. Ten aanzien van niet-verschenen belanghebbenden, die bij openbare oproeping gedagvaard zijn, regelt het tweede lid het geza 3:171 de mogelijkheid dat een deelgenoot op eigen naam een rechtsvordering instelt ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Ingevolge deze bepaling, die onder meer hierop berust dat een deelgenoot bij het instellen van een zodanige rechtsvordering niet van de andere deelgenoten afhankelijk dient te zijn (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, blz. 590), zal de deelgenoot kenbaar moeten maken dat hij in zijn hoedanigheid voor de gezamenlijke, zo veel mogelijk met name genoemde deelgenoten optreedt. (…). 2.15. In het inleidend verzoekschrift in de eerdere procedure is er geen enkele indicatie (kenbaarheid) dat [Persoon 5] ten behoeve van de overige deelgenoten procedeert. Ook het Gerecht heeft dat niet aldus begrepen. De drie vonnissen van het Gerecht in de eerdere procedure (productie 2, tweede productie 2 en productie 3 OLB) vermelden alleen [Persoon 5] in de kop. Ook in het Hofvonnis gebeurt dat, daargelaten dat het niet mogelijk is pas in hoger beroep alsnog ‘ten behoeve van de gemeenschap’ te gaan procederen (HR 21 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0498, rov. 3.3.2). 2.16. Ook uit de rechtsoverwegingen van de drie vonnissen van het Gerecht blijkt geenszins dat het Gerecht ervan uitgaat dat [Persoon 5] ten behoeve van de gemeenschap procedeert; hetzelfde geldt voor het vonnis van het Hof. 2.17. Het OLB verwijst naar een akte van uitlating van [Persoon 5] van 19 juni 2021 in de eerdere procedure (productie 4 OLB). Hierin vermeldt [Persoon 5] als derdenbelanghebbenden zeven personen die in de onderhavige procedure mede-eisers zijn. Maar [Persoon 5] verbindt aan deze vermelding geen consequenties. Hij besluit met ‘Derhalve concludeert verzoeker dat …’. Het Gerecht verbindt aan de vermelding evenmin consequenties en zeker niet een wijziging van eis. 2.18. De conclusie is dus dat het gezag van gewijsde hoogstens aan [Persoon 5] kan worden tegengeworpen, maar niet aan de overige acht eisers, die gelden als niet-verschenen belanghebbenden (zie hierboven rov. 2.7 voor het systeem van artikel 3:27 BW BES). 2.19. Het gaat hier echter naar het oordeel van het Gerecht om een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen (een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding ). 2.20. Vergelijk HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411: 3.4 Bij de beoordeling van het onderdeel wordt het volgende vooropgesteld. Een vordering tot boedelbeschrijving en verdeling van een nalatenschap betreft in beginsel een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen (een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding). Dat betekent dat de rechter de beslissing over die boedelbeschrijving en verdeling slechts kan geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Dat geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden geroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties (vgl. o.m. HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0405, NJ 1992/34). 2.21. En HR 20 april 2028, ECLI:NL:HR:2018:649: 3.3 De door [verweerster 1] ingestelde vordering tot verdeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder betreft rechtsverhoudingen waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhoudingen betrokkenen, in dit geval [verweerster 1] , [eiser] , [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] . Indien sprake is van een dergelijke processueel ondeelbare rechtsverhouding kan de rechter de beslissing over die verdeling slechts geven in een geding waarbij alle