Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2024-03-20
ECLI:NL:OGEABES:2024:29
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,749 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE
Uitspraak
in de zaak tussen:
[eiser],
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat te Bonaire,
eiser,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
tegen
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister),
verweerder,
gemachtigde: Z.M.M Cecilia-Wolff.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van [eiser] tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een tewerkstellingsvergunning voor het laten werken van een vreemdeling ([naam vreemdeling]) als hulp in zijn huishouding.
1.1
Bij beschikking van (3 april 2023 (uitgereikt op 9 mei 2023) heeft de minister
de aanvraag van [eiser] afgewezen. Het bezwaar van [eiser] tegen deze afwijzing heeft de minister niet op andere gedachten gebracht. Bij beschikking van 8 augustus 2023 (verzonden op 24 augustus 2023) heeft de minister het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard en de afwijzende beschikking gehandhaafd (de bestreden beschikking).
1.2 [
Eiser] heeft beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3
Het Gerecht heeft het beroep van [eiser] op 19 januari 2024 op zitting behandeld. Tegelijkertijd heeft het Gerecht het beroep van [de vreemdeling] behandeld. Dat beroep is gericht tegen de afwijzing van de door haar verzochte machtiging voorlopig verblijf. Het beroep van [de vreemdeling] is bij het Gerecht geregistreerd onder nummer BON202300436. [Eiser] en zijn gemachtigde waren bij de zitting aanwezig. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.4
Tijdens die behandeling heeft [eiser] opgemerkt dat is beoogd om de vreemdeling te laten wonen in een appartement op zijn erf, en niet in zijn woning. Omdat de aanvraag van [eiser] nog geen deel uitmaakte van de processtukken, kon het Gerecht niet beoordelen hoe de woonsituatie van de vreemdeling is aangeduid in de aanvraag, en of de minister daarmee rekening heeft gehouden bij de beoordeling van die aanvraag. Het Gerecht heeft het onderzoek daarom geschorst om de minister in gelegenheid te stellen alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen (waaronder de volledige aanvraag), en om daarnaast een tweetal punten nader toe te lichten. Van deze gelegenheid heeft de minister gebruik gemaakt. [Eiser] is na ontvangst van de nadere stukken van de minister in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren en om in te gaan op de stelling van de minister in zijn verweerschrift dat geen sprake is van hulpbehoevendheid. [Eiser]heeft binnen de daarvoor gestelde termijn een reactie ingediend.
1.5
Aangezien partijen toestemming hebben gegeven om uitspraak te doen zonder nadere zitting en het Gerecht zich voldoende acht voorgelicht, heeft het Gerecht het onderzoek op 1 maart 2024 gesloten.
Beoordeling
2.1
Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak de afwijzing van de aanvraag door de minister aan de hand van de beroepsgronden van [eiser]. Hierbij is leidend wat [eiser] heeft aangevraagd. Daarover bestond op de zitting nog onduidelijkheid. Uit de aanvraag die de minister na de zitting alsnog heeft overgelegd, blijkt dat [eiser] voor de vreemdeling hetzelfde woonadres heeft opgegeven als voor hem zelf (adres eiser) en dat op dit adres 3 personen zullen gaan verblijven (het Gerecht begrijpt: [eiser], zijn partner en de vreemdeling). Ook uit de bijgevoegde foto’s van de beoogde woonplek van de vreemdeling, blijkt niet dat het om een appartement bij de woning gaat, in plaats van om de woning zelf. Ter beoordeling ligt dus voor of de minister een aanvraag om een inwonende hulp terecht heeft afgewezen. Dat [eiser] mogelijk na een toewijzing van zijn aanvraag de vreemdeling in strijd met zijn aanvraag in een appartement buiten zijn woning zou laten wonen, is in het kader van deze procedure niet relevant.
2.2
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De grond waarop de minister de aanvraag in de bestreden beschikking heeft afgewezen, klopt niet. In het verweerschrift heeft de minister een andere grond aan de afwijzing ten grondslag gelegd. Omdat die grond de afwijzing wel kan dragen, ziet het Gerecht aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking wel in stand te laten. Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1 [
eiser] en [naam partner eiser] hebben een affectieve relatie en wonen samen op het adres [adres eiser].
3.2 [
De vreemdeling] is de dochter van [partner eiser]. Zij woont in de Dominicaanse Republiek en heeft de Dominicaanse nationaliteit.
3.3 [
Eiser] heeft klachten aan zijn schoudergewricht waaraan hij op 6 januari 2023 is geopereerd. Hij heeft vanwege deze medische klachten op 16 januari 2023 een tewerkstellingsvergunning aangevraagd voor [de vreemdeling] voor de functie ‘hulp in huis’. Deze aanvraag heeft geleid tot de procedure zoals vermeld in de inleiding van deze uitspraak.
Welke regels zijn van toepassing in deze zaak?
4. De wettelijke bepalingen die van belang zijn voor de vraag of verweerder de aanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
4.1
Kortgezegd komt het toetsingskader in deze zaak op het volgende neer.
Het is verboden voor een werkgever om een vreemdeling huishoudelijke diensten te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Op grond van een algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de gronden waarop een tewerkstellingsvergunning kan worden geweigerd. In dit geval is in artikel 6, eerste lid, van het BuWav BES de nadere regel gesteld dat een vergunning voor het verrichten van arbeid door inwonend personeel slechts kan worden verleend in een beperkt aantal situaties. Een van die situaties is het geval dat sprake is van een echtpaar waarvan één van hen door ziekte of ouderdom hulpbehoevend is (onder c).
Waarom heeft de minister de aanvraag van [eiser] afgewezen?
5. De minister heeft aan de afwijzing van de aanvraag in het bestreden besluit en in het verweerschrift (deels) verschillende redenen ten grondslag gelegd.
5.1
In de bestreden beschikking is de afwijzing als volgt gemotiveerd:
“Gelet op de familierechtelijke relatie tussen de vreemdeling en [eiser] en het werk dat voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst is er (deels) geen sprake van arbeid dat ten dienste van de werkgever wordt verricht. Omdat het huishouden ook grotendeels zal bestaan tussen werkgever en werknemer zal een (groot) deel van de werkzaamheden die worden gedaan voor werknemer zelf en haar eigen huishouden ten goede komen. Hierdoor kan er niet worden geconcludeerd dat de vreemdeling arbeid voor “de werkgever” gaat verrichten. Men kan op grond van de Wet vreemdelingen BES geen werkgever van zichzelf zijn Als de arbeid door de vreemdeling zelf voor eigen rekening en risico wordt verricht en het product vervolgens wordt aangeboden, is er dus geen vergunningplichtige werkgever aan te wijzen.”
5.2
In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat de aanvraag om de volgende twee redenen moet worden afgewezen.
I. Geen sprake van hulpbehoevendheid.
[Eiser] heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat sprake is van hulpbehoevendheid in de zin van artikel 6, eerste lid, onder c, van de BuWav BES. Voor de vraag wat onder hulpbehoevendheid moet worden verstaan, sluit verweerder aan bij de definitie daarvan in de Nederlandse Algemene nabestaandenwet, namelijk: een persoon die vanwege ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren daar hij dagelijks aangewezen is op intensieve zorg van anderen. Volgens verweerder is in het geval van [eiser] niet aan dit criterium voldaan. Met een doktersverklaring heeft [eiser] aangetoond dat hij een operatie heeft ondergaan, maar niet is gebleken dat hij hierdoor hulpbehoevend is geworden, als hiervoor bedoeld.
II. De vreemdeling gaat haar eigen huishouden draaienDe vreemdeling is de dochter van de partner van [eiser]. De vreemdeling gaat voor haar werkgever (eiser), haar moeder en voor zichzelf koken. Alles wat zich in huis bevindt, is voor gezamenlijk gebruik. De vreemdeling heeft geen aparte keuken, wasmachine of ijskast. Er is zodoende geen onderscheid te maken tussen het huishouden van [eiser] en zijn partner, en dat van de vreemdeling zelf. Dat betekent dat de vreemdeling haar eigen huishouden zal gaan draaien.
Wat voert [eiser] aan tegen de bestreden beschikking?
Strijd met het motiveringsbeginsel
7. [Eiser] voert allereerst aan dat de bestreden beschikking een motiveringsgebrek bevat. Verweerder heeft de aanvraag namelijk afgewezen, omdat sprake zou zijn van een familierechtelijke relatie tussen [eiser] en de vreemdeling. In de bestreden beschikking is deze vermeende familierechtelijke relatie echter niet nader toegelicht.
7.1
Deze beroepsgrond slaagt. Het Gerecht motiveert dit als volgt.
7.2 [
Eiser] is de partner van de moeder van de vreemdeling. Zonder nadere uitleg, die ontbreekt, is niet inzichtelijk waarom de minister ervan uitgaat dat sprake is van een familierechtelijke relatie tussen [eiser] en de vreemdeling. Ook het vervolg van de redenering in de bestreden beschikking kan het Gerecht niet volgen. Die redenering kan de afwijzing niet dragen. In de omstandigheid dat de minister in zijn verweerschrift tot andere overwegingen is gekomen, vindt het Gerecht bovendien bevestiging dat de motivering in de bestreden beschikking tekortschiet. Het Gerecht komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de bestreden beschikking een motiveringsgebrek bevat en daarom niet in stand kan blijven. Het beroep van [eiser] is daarom gegrond.
Heeft de minister de afwijzing in het verweerschrift alsnog goed onderbouwd?
8. De minister heeft zoals gezegd de afwijzing in zijn verweerschrift anders gemotiveerd. Het Gerecht zal met het oog op finale geschilbeslechting en gelet op artikel 50, derde lid, van de War BES hierna beoordelen of deze motivering de afwijzing wél kan dragen.
9.
Conclusie
12. Het beroep is gegrond. Het Gerecht zal de bestreden beschikking vernietigen, maar zal de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking in stand laten. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van [eiser] om een tewerkstellingsvergunning in stand blijft.
13. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht van USD 84,- aan [eiser] vergoeden en krijgt [eiser] ook een vergoeding voor de door hem gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt USD 782,- omdat de gemachtigde van [eiser] een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt USD 391,-).
Dictum
Het Gerecht:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de bestreden beschikking;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking in stand blijven;
veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van zijn proceskosten tot een bedrag van USD 782,-;
bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van USD 84,- aan hem vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2024, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van de uitspraak.
Wet arbeid vreemdelingen BES
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
(..)
b. werkgever:
(..)
2. de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten;
Artikel 2
1. Het is een werkgever verboden een vreemdeling arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.
Artikel 6
1. Een tewerkstellingsvergunning kan onder beperkingen worden verleend.
(..)
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.
Artikel 9
Een tewerkstellingsvergunning kan worden geweigerd:
(..)
d. wegens het niet in acht nemen van een beperking waaronder een eerdere vergunning is verleend of wegens het niet naleven van een daaraan verbonden voorschrift;
e. op andere bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gronden die per openbaar lichaam kunnen verschillen.
Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES (BuWav BES)
Artikel 6
1. Onverminderd de overige vereisten voor het verkrijgen van een tewerkstellingsvergunning, wordt deze voor het verrichten van arbeid door inwonend huishoudelijk personeel slechts verleend, indien de arbeid wordt verricht ten behoeve van:
a. een echtpaar met minderjarige kinderen, waarvan beide echtelieden werkzaam zijn;
b. een alleenstaande met inwonende minderjarige kinderen;
c. een echtpaar waarvan een der echtelieden door ziekte of ouderdom hulpbehoevend is;
d. een alleenstaande die bejaard of anderszins hulpbehoevend is;
e. een echtpaar, waarvan een of beide echtelieden wegens diens positie in een bedrijf of in de gemeenschap regelmatig uithuizig is.
2. Ten bewijze van het gestelde in het eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, wordt een doktersverklaring overgelegd.
3. Het eerste lid, aanhef en onderdelen a, c en e, en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op niet-huwelijkspartners die duurzaam samenleven.