Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2026-03-25
ECLI:NL:OGEAA:2026:84
Civiel recht
Tussenuitspraak
4,025 tokens
Volledig
ECLI:NL:OGEAA:2026:84 text/xml public 2026-04-15T12:57:19 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 2026-03-25 AUA202500930 AR Uitspraak Tussenuitspraak NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2026:84 text/html public 2026-04-15T12:51:58 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGEAA:2026:84 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 25-03-2026 / AUA202500930 AR Civiel, eenvoudige gemeenschap, gebruiksvergoeding, vergoedingsrecht, redelijkheid en billijkheid, mede-eigendom, inbreng door partijen. Affectieve relatie gehad en samengewoond, zonder samenlevingscontract. Partijen als informeel samenwonenden bestaat een rechtsverhouding die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Vonnis van 25 maart 2026 Behorend bij A.R. no. AUA202500930 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: [Eiseres], wonende te Aruba, eiseres, hierna te noemen: [eiseres], gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn, tegen: [Gedaagde], wonende te Aruba, gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock. 1 DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het inleidend verzoekschrift, met producties, van 2 april 2025; - de conclusie van antwoord, met een productie, van 11 juni 2025; - de conclusie van repliek, met producties, van 12 november 2025; - de conclusie van dupliek, met producties, van 21 januari 2026; - de akte uitlating producties tevens houdende rectificatie van typefout in voornaam eiseres van 18 februari 2026. 1.2 Vervolgens is vonnis bepaald. 2 DE FEITEN 2.1 [ Eiseres] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad. De relatie is in 2017 geëindigd. 2.2 Op 20 mei 2015 is aan [eiseres] en [gedaagde], ieder voor de onverdeelde helft, geleverd het recht van erfpacht op een perceel domeingrond gelegen te [locatie] in Aruba, kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie L nummer [sectie nummer], met het daarop gebouwde betonstenen woonhuis, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de woning). 2.3 De aankoop van de woning is gefinancierd door middel van een door partijen aangegane hypothecaire geldlening en door betaling(en) in contanten. 2.4 Het lukt partijen niet om onderling tot een verdeling van de woning te komen. 3 DE VORDERING 3.1 [ Eiseres] vordert dat het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: a. een taxateur benoemt om de woning te taxeren; b. de verdeling van de eenvoudige gemeenschap gelast, aldus dat de woning aan een derde wordt verkocht en de netto-opbrengst wordt verdeeld, na aftrek van het bedrag van Afl. 40.000,- dat door haar in de woning is geïnvesteerd; c. [Gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] te betalen een gebruiksvergoeding van Afl. 729,17 per maand gedurende de afgelopen vijf jaar, althans vanaf 1 november 2019; d. [Gedaagde], in het geval de gebruiksvergoeding niet op 7% wordt gebaseerd, veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van de helft van de door [eiseres] sinds het verlaten van de woning betaalde huur; alles vermeerderd met de wettelijke rente; e. een onzijdige persoon benoemt indien [gedaagde] weigert aan het hiervoor onder b. gevorderde te voldoen en te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van een eventuele ‘listingagreement’ bij de makelaar, de verkoopovereenkomst en notariële akten; f. bepaalt dat de overeenkomstig het gevorderde onder b. opgemaakte notariële akte(n) rechtsgeldig kan (kunnen) worden ingeschreven in de daartoe bestemde registers; met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding. 3.2 [ Eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de eenvoudige gemeenschap moet worden verdeeld en dat zij, nu [gedaagde] al geruime tijd met zijn nieuwe partner in de woning woont, recht heeft op een gebruiksvergoeding. 3.3 [ Gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde. Hij wil dat de woning aan hem wordt toegedeeld. 3.4 Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – ingegaan. 4. DE BEOORDELING 4.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad en samengewoond, zonder samenlevingscontract. Ter zake van de woning is sprake van een eenvoudige gemeenschap die moet worden verdeeld volgens art. 3:166 BW e.v. (titel 3.7). 4.2 Tussen partijen als informeel samenwonenden bestaat een rechtsverhouding die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in Boek 6 BW geregelde rechtsfiguren, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in art. 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Het ligt op de weg van degene die aanspraak maakt op een vergoedingsrecht om de bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat deze partij een vergoedingsrecht jegens de ander heeft. De woning 4.3 De woning is aan beide partijen, ieder voor de onverdeelde helft, geleverd. Partijen hebben daarom beiden recht op de helft van de waarde van de woning. Gronden om van een verdeling bij helfte af te wijken zoals door [gedaagde] wordt voorgestaan, zijn niet gesteld of gebleken. Bij conclusie van dupliek heeft [gedaagde] gesteld dat hij akkoord is gegaan met het mede-eigendom onder een specifieke, maar achteraf onjuist gebleken veronderstelling, namelijk dat de inbreng van Afl. 30.000,- door [eiseres] een renteloze lening van haar ex-echtgenoot zou zijn en dat het mede-eigendom slechts zou dienen als zekerheidsstelling voor de terugbetaling van de lening aan de ex-echtgenoot. Het Gerecht gaat aan dit betoog voorbij. [Eiseres] heeft betwist dat de gelden van haar ex-echtgenoot afkomstig zijn en [gedaagde] heeft zijn stelling niet onderbouwd. Verder geldt dat [gedaagde] niet heeft gesteld dat hij zonder de door hem gestelde veronderstelling de woning niet op deze wijze zou hebben gekocht. Zijn enkele stelling dat dan “de eigendomsverhoudingen wellicht anders [waren] overeengekomen”, is daarvoor niet toereikend. 4.4 Nu [gedaagde] in de woning verblijft, ligt in beginsel in de rede dat de woning aan hem wordt toegedeeld. De woning zal moeten worden getaxeerd om de huidige waarde (de marktwaarde die zo dicht mogelijk bij het moment van verdeling is gelegen) te bepalen. Het is daarna aan [gedaagde] om te bepalen of hij de toedeling tegen die waarde wenst en zo ja, om aan te tonen dat hij de toedeling tegen die waarde (met ontslag van [eiseres] uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening) ook kan financieren. 4.5 Het Gerecht ziet aanleiding een comparitie van partijen te bepalen, zodat met partijen kan worden besproken op welke wijze (een benoeming door het Gerecht of een opdracht aan een taxateur door partijen) en door welke taxateur de taxatie moet worden verricht. De inbreng door partijen 4.6 Vast staat dat de aanschaf van de woning is gefinancierd door middel een hypothecaire geldlening en met contante gelden. [Gedaagde] heeft onderbouwd met producties gesteld dat hij Afl. 26.000,- heeft ingebracht. Dit is door [eiseres] niet weersproken. Volgens [eiseres] heeft zij Afl. 40.000,- in de woning geïnvesteerd: een bedrag van Afl. 30.000,- is betaald aan de notaris en de overige Afl. 10.000,- is volgens [eiseres] door haar aan verzekeringen in verband met de woning betaald. De betaling van Afl. 30.000,- door [eiseres] is niet tussen partijen in geschil. Wel heeft [gedaagde] betwist dat [eiseres] Afl. 10.000,- aan verzekeringen heeft betaald. 4.7 Het Gerecht begrijpt de stellingen van [eiseres] aldus, dat zij aanspraak maakt op vergoeding van de door haar in de woning geïnvesteerde gelden. Van een wettelijk vergoedingsrecht is echter geen sprake, nu de wettelijke regeling van vergoedingsrechten van echtgenoten (zoals neergelegd in Titel 6 van Boek 1 BW) niet van toepassing is op samenlevers, zoals partijen.
Volledig
ECLI:NL:OGEAA:2026:84 text/xml public 2026-04-15T12:57:19 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 2026-03-25 AUA202500930 AR Uitspraak Tussenuitspraak NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2026:84 text/html public 2026-04-15T12:51:58 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGEAA:2026:84 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 25-03-2026 / AUA202500930 AR Civiel, eenvoudige gemeenschap, gebruiksvergoeding, vergoedingsrecht, redelijkheid en billijkheid, mede-eigendom, inbreng door partijen. Affectieve relatie gehad en samengewoond, zonder samenlevingscontract. Partijen als informeel samenwonenden bestaat een rechtsverhouding die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Vonnis van 25 maart 2026 Behorend bij A.R. no. AUA202500930 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: [Eiseres], wonende te Aruba, eiseres, hierna te noemen: [eiseres], gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn, tegen: [Gedaagde], wonende te Aruba, gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock. 1 DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het inleidend verzoekschrift, met producties, van 2 april 2025; - de conclusie van antwoord, met een productie, van 11 juni 2025; - de conclusie van repliek, met producties, van 12 november 2025; - de conclusie van dupliek, met producties, van 21 januari 2026; - de akte uitlating producties tevens houdende rectificatie van typefout in voornaam eiseres van 18 februari 2026. 1.2 Vervolgens is vonnis bepaald. 2 DE FEITEN 2.1 [ Eiseres] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad. De relatie is in 2017 geëindigd. 2.2 Op 20 mei 2015 is aan [eiseres] en [gedaagde], ieder voor de onverdeelde helft, geleverd het recht van erfpacht op een perceel domeingrond gelegen te [locatie] in Aruba, kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie L nummer [sectie nummer], met het daarop gebouwde betonstenen woonhuis, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de woning). 2.3 De aankoop van de woning is gefinancierd door middel van een door partijen aangegane hypothecaire geldlening en door betaling(en) in contanten. 2.4 Het lukt partijen niet om onderling tot een verdeling van de woning te komen. 3 DE VORDERING 3.1 [ Eiseres] vordert dat het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: a. een taxateur benoemt om de woning te taxeren; b. de verdeling van de eenvoudige gemeenschap gelast, aldus dat de woning aan een derde wordt verkocht en de netto-opbrengst wordt verdeeld, na aftrek van het bedrag van Afl. 40.000,- dat door haar in de woning is geïnvesteerd; c. [Gedaagde] veroordeelt om aan [eiseres] te betalen een gebruiksvergoeding van Afl. 729,17 per maand gedurende de afgelopen vijf jaar, althans vanaf 1 november 2019; d. [Gedaagde], in het geval de gebruiksvergoeding niet op 7% wordt gebaseerd, veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van de helft van de door [eiseres] sinds het verlaten van de woning betaalde huur; alles vermeerderd met de wettelijke rente; e. een onzijdige persoon benoemt indien [gedaagde] weigert aan het hiervoor onder b. gevorderde te voldoen en te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van een eventuele ‘listingagreement’ bij de makelaar, de verkoopovereenkomst en notariële akten; f. bepaalt dat de overeenkomstig het gevorderde onder b. opgemaakte notariële akte(n) rechtsgeldig kan (kunnen) worden ingeschreven in de daartoe bestemde registers; met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding. 3.2 [ Eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de eenvoudige gemeenschap moet worden verdeeld en dat zij, nu [gedaagde] al geruime tijd met zijn nieuwe partner in de woning woont, recht heeft op een gebruiksvergoeding. 3.3 [ Gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde. Hij wil dat de woning aan hem wordt toegedeeld. 3.4 Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – ingegaan. 4. DE BEOORDELING 4.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad en samengewoond, zonder samenlevingscontract. Ter zake van de woning is sprake van een eenvoudige gemeenschap die moet worden verdeeld volgens art. 3:166 BW e.v. (titel 3.7). 4.2 Tussen partijen als informeel samenwonenden bestaat een rechtsverhouding die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in Boek 6 BW geregelde rechtsfiguren, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in art. 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Het ligt op de weg van degene die aanspraak maakt op een vergoedingsrecht om de bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat deze partij een vergoedingsrecht jegens de ander heeft. De woning 4.3 De woning is aan beide partijen, ieder voor de onverdeelde helft, geleverd. Partijen hebben daarom beiden recht op de helft van de waarde van de woning. Gronden om van een verdeling bij helfte af te wijken zoals door [gedaagde] wordt voorgestaan, zijn niet gesteld of gebleken. Bij conclusie van dupliek heeft [gedaagde] gesteld dat hij akkoord is gegaan met het mede-eigendom onder een specifieke, maar achteraf onjuist gebleken veronderstelling, namelijk dat de inbreng van Afl. 30.000,- door [eiseres] een renteloze lening van haar ex-echtgenoot zou zijn en dat het mede-eigendom slechts zou dienen als zekerheidsstelling voor de terugbetaling van de lening aan de ex-echtgenoot. Het Gerecht gaat aan dit betoog voorbij. [Eiseres] heeft betwist dat de gelden van haar ex-echtgenoot afkomstig zijn en [gedaagde] heeft zijn stelling niet onderbouwd. Verder geldt dat [gedaagde] niet heeft gesteld dat hij zonder de door hem gestelde veronderstelling de woning niet op deze wijze zou hebben gekocht. Zijn enkele stelling dat dan “de eigendomsverhoudingen wellicht anders [waren] overeengekomen”, is daarvoor niet toereikend. 4.4 Nu [gedaagde] in de woning verblijft, ligt in beginsel in de rede dat de woning aan hem wordt toegedeeld. De woning zal moeten worden getaxeerd om de huidige waarde (de marktwaarde die zo dicht mogelijk bij het moment van verdeling is gelegen) te bepalen. Het is daarna aan [gedaagde] om te bepalen of hij de toedeling tegen die waarde wenst en zo ja, om aan te tonen dat hij de toedeling tegen die waarde (met ontslag van [eiseres] uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening) ook kan financieren. 4.5 Het Gerecht ziet aanleiding een comparitie van partijen te bepalen, zodat met partijen kan worden besproken op welke wijze (een benoeming door het Gerecht of een opdracht aan een taxateur door partijen) en door welke taxateur de taxatie moet worden verricht. De inbreng door partijen 4.6 Vast staat dat de aanschaf van de woning is gefinancierd door middel een hypothecaire geldlening en met contante gelden. [Gedaagde] heeft onderbouwd met producties gesteld dat hij Afl. 26.000,- heeft ingebracht. Dit is door [eiseres] niet weersproken. Volgens [eiseres] heeft zij Afl. 40.000,- in de woning geïnvesteerd: een bedrag van Afl. 30.000,- is betaald aan de notaris en de overige Afl. 10.000,- is volgens [eiseres] door haar aan verzekeringen in verband met de woning betaald. De betaling van Afl. 30.000,- door [eiseres] is niet tussen partijen in geschil. Wel heeft [gedaagde] betwist dat [eiseres] Afl. 10.000,- aan verzekeringen heeft betaald. 4.7 Het Gerecht begrijpt de stellingen van [eiseres] aldus, dat zij aanspraak maakt op vergoeding van de door haar in de woning geïnvesteerde gelden. Van een wettelijk vergoedingsrecht is echter geen sprake, nu de wettelijke regeling van vergoedingsrechten van echtgenoten (zoals neergelegd in Titel 6 van Boek 1 BW) niet van toepassing is op samenlevers, zoals partijen.