Rechtspraak 2026-06-24
ECLI:NL:OGEAA:2026:178
Wigering ontheffing Lvo beroepen in de gezondheidszorg - kennen en kunnen Uitspraak van 24 juni 2026 Lar nr. AUA202503163 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [Appellant], wonend in Aruba, APPELLANT, gemachtigde: de advocaat mr. D.M. Canwood, gericht tegen: DE MINISTER, BELAST MET VOLKSGEZONDHEID, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan. INLEIDING 1.1 Bij beschikking van 10 december 2024 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om ontheffing als bedoeld in artikel 14 van de Landsverordening beroepen in de gezondheidszorg. 1.2 Hiertegen heeft appellant op 20 januari 2025 bezwaar gemaakt. 1.3 Bij beslissing van 19 augustus 2025 (de bestreden beslissing) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. 1.4 Hiertegen heeft appellant op 29 september 2025 beroep ingesteld bij het gerecht. 1.5 Verweerder heeft op 19 januari 2026 een verweerschrift bij het gerecht ingediend. 1.6 Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 29 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 1.7 De uitspraak is nader bepaald op vandaag. OVERWEGINGEN Het juridisch kader 2. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. Van welke feiten en omstandigheden gaat het gerecht uit? 3.1 Appellant is in Venezuela opgeleid tot radiotherapeut-oncoloog. Als zodanig was hij sinds 1 oktober 2019 in Aruba werkzaam bij [ziekenhuis]. Aangezien hij niet over de daarvoor vereiste wettelijke kwalificaties beschikt, geschiedde dit op basis van een ontheffing, aanvankelijk op basis van de (inmiddels vervallen) Landsverordening uitoefening geneeskunst, en vervolgens op basis van artikel 14 van de Landsverordening beroepen in de gezondheidszorg (LvBIG). De laatst verleende ontheffing was geldig tot 5 december 2024. Daaraan was de voorwaarde verbonden dat appellant uiterlijk op de laatste dag van de wettelijk toegestane termijn om op grond van artikel 14 van de LvBIG ingeschreven te staan in het register als bedoeld in artikel 2 van deze landsverordening, een getuigschrift overlegt van een met succes afgelegde proeve van bekwaamheid, zoals vastgesteld door het in artikel 14, eerste lid, van de Landsverordening kwaliteit in de gezondheidszorg bedoelde Kwaliteitsinstituut gezondheidszorg (KIG). De proeve van bekwaamheid is aan appellante afgenomen in de vorm van een assessment, uitgevoerd door [oncoloog] MD, PhD, radiotherapeut-oncoloog, verbonden aan Radboudumc te Nijmegen, Nederland. Op 26 november 2024 heeft [oncoloog] een Assessment report AruBIG uitgebracht. De uitkomst van het assessment was voor appellant negatief en heeft daarom niet geleid tot een door het KIG afgegeven getuigschrift. Is hier sprake van een besluit, houdende een beoordeling van het kennen of kunnen van iemand die te dier zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst? 4.1 Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dan is sprake van een besluit dat op grond van artikel 2, tweede lid, onder f, van de Lar niet vatbaar is voor bezwaar en beroep op grond van die landsverordening. Het gerecht dient die vraag ambtshalve te beantwoorden. 4.2 Het gerecht is van oordeel dat het assessment dat aan appellant is afgenomen moet worden aangemerkt als een proeve van bekwaamheid afgelegd met het oog op verkrijgen van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de LvBIG. De weigering tot afgifte van dat getuigschrift op basis van het assessment moet daarom worden aangemerkt als een besluit houdende een beoordeling van het kennen of kunnen van iemand die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst. De juistheid van die weigering, en daarmee van de conclusies van het assessment, staan derhalve niet ter beoordeling van de bestuursrechter. De bij de bestreden beslissing gehandhaafde weigering tot verlening van ontheffing als bedoeld in artikel 14 van de LvBIG behelst echter niet de weigering van het getuigschrift. Wel is de bestreden beslissing daarop gebaseerd. Dit betekent dat de weigering van de ontheffing, en de handhaving daarvan bij de bestreden beslissing, als zodanig niet vallen onder de uitzondering van artikel 2, tweede lid, onder f, van de Lar. Die bepaling brengt naar het oordeel van het gerecht echter wel mee dat er bij de beoordeling van de bestreden beslissing geen ruimte is voor de bestuursrechter om de juistheid van de conclusies van het assessment te beoordelen. De voor appellant negatieve uitslag van het assessment en de weigering hem een getuigschrift te verstrekken moet in deze procedure als gegeven worden beschouwd. Het gerecht kan slechts beoordelen of verweerder op grond van die voor appellant negatieve uitkomst de gevraagde ontheffing mocht weigeren. Wat betekent dit voor de beoordeling van het beroep van appellant? 4.3 Dit betekent dat de door appellant tegen de bestreden beslissing aangevoerde beroepsgronden, die alle betrekking hebben op de juistheid van de in het assessment report neergelegde conclusies over zijn vaardigheden, niet tot vernietiging van de bestreden beslissing kunnen leiden. 4.4 De conclusie is dan ook dat geen van de beroepsgronden slaagt en dat het beroep ongegrond is. 4.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De rechter in dit gerecht: - verklaart het beroep ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, bijgestaan door mr. A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting 24 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak. Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan. De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval: het hoger beroepschrift indienen in tweevoud; een afschrift van deze uitspraak bijvoegen; vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden). Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend. Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd. Bijlage bij de uitspraak van 24 juni 2026 (AUA202503163) Het wettelijk kader, zoals geldend ten tijde hier van belang Landsverordening beroepen in de gezondheidszorg Artikel 2 1. Er worden registers ingesteld, waarin de beroepsbeoefenaren die aan de daarvoor bij of krachtens deze landsverordening gestelde voorwaarden, op hun aanvrage worden ingeschreven, onderscheidenlijk als: 1º. arts, 2º. tandarts, 3º apotheker, 4º. verloskundige, 5º. fysiotherapeut, 6º. verpleegkundige, 7º. gezondheidszorgpsycholoog, 8º. psychotherapeut. 2. De registers zijn openbaar met inachtneming van de bij of krachtens deze landsverordening gestelde voorschriften. 3. De registers worden beheerd door de Minister. Artikel 7 1. De Minister beslist op een verzoek tot registratie. 2. Om in een register als bedoeld in artikel 2, eerste lid, te kunnen worden geregistreerd, legt de verzoeker een getuigschrift over van een met goed gevolg afgelegd examen van een opleiding als geregeld bij of krachtens artikel 3, tweede lid: a. die is erkend door inschrijving in een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aangewezen register van een ander land; b. die is geaccrediteerd door een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aangewezen accreditatieorgaan, dat zowel de vereiste theoretische kennis als de praktische ervaring gericht op de uitoefening van het desbetreffende beroep toetst; c. die erkend is door de Directie Onderwijs, indien het een lokale opleiding betreft; d.