Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2025-08-20
ECLI:NL:OGEAA:2025:236
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,669 tokens
Dictum
van de rechter-commissaris belast met de behandeling van
administratiefrechtelijke inbewaringstelling, op het verzoek ex artikel 16, lid 3 van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) van:
[Verzoeker],
van [nationaliteit] nationaliteit, geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats],
VERZOEKER,
gemachtigde: drs. M.L. Hassell.
Procesverloop
Bij bevelschrift van 7 juli 2025 heeft de minister van Justitie en Sociale Zaken (de minister) de inbewaringstelling van verzoeker bevolen.
Op 9 juli 2025 heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat deze vrijheidsontneming rechtmatig is.
Op 12 augustus 2025 heeft verzoeker bij dit gerecht onderhavig verzoekschrift ingediend.
Het verzoek is behandeld op 20 augustus 2025, bij welke gelegenheid aanwezig waren verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde, en namens verweerder mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ).
Beoordeling
Het wettelijk kader
1. Ingevolge artikel 16, derde lid, van de Ltu wordt de betrokkene wiens inbewaringstelling is bevolen binnen 72 uur voor een rechter-commissaris geleid, die de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming toetst. Een bevel tot inbewaringstelling kan door de rechter-commissaris te allen tijde op verzoek van de betrokkene worden opgeheven.
De standpunten van partijen
2.1
Verzoeker meent dat de voortzetting van de bewaring onrechtmatig is, en voert hiertoe – zakelijk weergegeven – aan dat er geen zicht meer op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat, nu hij op 9 juli 2025 een verzoek om verdragsrechtelijke bescherming heeft ingediend. Gelet op de schorsende werking die aan een tegen de mogelijk afwijzende beschikking op dit verzoek ingestelde rechtsmiddelen van bezwaar en beroep moet worden verbonden, zal uitzetting gedurende de behandeling van die rechtsmiddelen niet mogelijk zijn. Naar verwachting zal die behandeling langer duren dan de redelijke termijn als hiervoor bedoeld. Verder heeft hij naar voren gebracht dat zijn verzoek om bescherming met onvoldoende voortvarendheid wordt behandeld nu daarop na zes weken nog niet is beslist. Ook dit dient tot gevolg te hebben dat de bewaring moet worden opgeheven.
2.2
De minister heeft ter zitting naar voren gebracht de behandeling van het verzoek om verdragsbescherming slechts een tijdelijke belemmering van de uitzetting meebrengt. Dit betekent op zichzelf nog niet dat er nu al onvoldoende zicht is op uitzetting. Voorts heeft de minister naar voren gebracht dat de beslissing op het verzoek van verzoeker reeds in concept gereed ligt en spoedig zal worden ondertekend.
Beoordeling
3. Anders dan uit een aantal recente beslissingen van de rechter-commissaris zou kunnen worden afgeleid, overweegt de rechter-commissaris thans dat de omstandigheid dat aan het door een vreemdeling ingestelde rechtsmiddel van bezwaar of beroep tegen een afwijzende beslissing op diens verzoek om verdragsrechtelijke bescherming schorsende werking toekomt, niet zonder meer meebrengt dat geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat. De rechter-commissaris licht dit hierna toe.
3.1
Voor de conclusie dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt, zal in het algemeen slechts sprake zijn, indien is gebleken dat het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft, niet meewerkt aan gedwongen terugkeer, waardoor die terugkeer feitelijk vrijwel onmogelijk is. Dat is in dit geval gesteld noch gebleken.
3.2
Wel zal in beginsel moeten worden aangenomen dat, indien de vreemdelingenbewaring langer dan zes maanden duurt, er geen zicht meer bestaat op uitzetting binnen redelijke termijn. De bewaring zal dan moeten worden opgeheven. Dat zal in het algemeen ook zo zijn als op voorhand duidelijk is dat die termijn zal worden overschreden zonder dat uitzetting zal kunnen plaatsvinden. De enkele omstandigheid dat een vreemdeling een verzoek om verdragsrechtelijke bescherming heeft gedaan, rechtvaardigt echter niet op voorhand de conclusie dat uitzetting binnen een termijn van zes maanden niet tot de mogelijkheden behoort. De omstandigheid dat, volgens de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 15 januari 2015, ECLI:NL:OGHACMB:2025:2, aan een tegen de afwijzende beslissing ingesteld bezwaar of beroep door de betrokken minister schorsende werking dient te worden toegekend, dwingt niet tot die conclusie. Of een dergelijk rechtsmiddel zal worden ingesteld (en gehandhaafd) zal immers mede afhangen van de strekking en de motivering van die beslissing en eventuele persoonlijke motieven van de vreemdeling. In zoverre is sprake van een onzekere gebeurtenis waar niet zonder meer op vooruit mag worden gelopen. Het andersluidende betoog van verzoeker volgt de rechter-commissaris niet. De rechter-commissaris merkt hierbij nog op dat in uitspraak van 15 januari 2025 het oordeel besloten ligt dat de verplichting tot het toekennen van schorsende werking als hiervoor bedoeld, niet meebrengt dat het bevel tot uitzetting dat aan de bevolen vreemdelingenbewaring ten grondslag ligt, zijn rechtskracht verliest. Slechts de feitelijke tenuitvoerlegging van het uitzettingsbevel zal door de schorsende werking (tijdelijk) achterwege dienen te blijven.
3.3
Bij de beantwoording van de vraag of zicht op uitzetting binnen redelijke termijn te verwachten is, komt wel betekenis toe aan de mate van voortvarendheid van de besluitvorming over het verzoek om verdragsrechtelijke bescherming en op het eventueel daartegen gerichte bezwaar. Naarmate die voortvarendheid ontbreekt zal eerder sprake zijn van het niet langer aanwezig zijn van zicht op uitzetting (vergelijk de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 30 juli 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:194).
3.4
Nu mag worden aangenomen dat zeer binnenkort op het verzoek om verdragsrechtelijke bescherming zal worden beslist, is op dit moment nog geen grond voor het oordeel dat onvoldoende zicht op uitzetting bestaat.
Conclusie
4. Gezien het voorgaande en bij afweging van alle betrokken belangen komt de rechter-commissaris tot het oordeel dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig is. Het verzoek zal worden afgewezen.
Dictum
De rechter-commissaris:
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is op 20 augustus 2025gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.