Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2025-07-17
ECLI:NL:OGEAA:2025:234
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
965 tokens
Inleiding
Zaaknummer: 46 van 2025
Datum beschikking: 17 juli 2025
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING IN STRAFVORDERLIJK KORT GEDING
gegeven op het verzoek op grond van artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering van Aruba (Sv) van:
[Verzoeker],
te [woonplaats],
hierna ook te noemen: verzoeker,
gemachtigden: de raadslieden mr. D.G. Croes en D.L. Emerencia,
tegen:
het Openbaar Ministerie van het Land Aruba,
zetelende in Aruba.
Procesverloop
1.1.
Op 15 juli 2025 is namens verzoeker bij het Gerecht een verzoek op grond van
artikel 43 Sv ingediend. Dit verzoek strekt ertoe het openbaar ministerie te gebieden:
1. verzoeker in detail te informeren over de aard en oorzaak van de beschuldigingen tegen hem, inclusief de concrete beschuldigingen waarop het vermeende strafbare handelen is gebaseerd;
2) niet later dan 15 augustus 2025, dan wel binnen een in goede justitie te bepalen termijn, ten aanzien van verzoeker een vervolgingsbeslissing te nemen.
1.2.
De beschikking is bepaald op heden.
Beoordeling
2.1.
Ingevolge artikel 43 lid 1 Sv kan in alle gevallen waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt en daaromtrent in geen wettelijke regeling is voorzien, een verzoek om zodanige voorziening in een strafvorderlijk kortgeding worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft. Ingevolge het vierde lid wijst de rechter, indien hij aanstonds van oordeel is dat elke redelijke grond aan het verzoek of de vordering ontbreekt, zonder nader onderzoek en met eenvoudige redengeving de gevraagde voorziening af. In dit kader overweegt het Gerecht het volgende.
Ten aanzien van het verzoek onder 1)
2.2.
Aan dit verzoek is ten grondslag gelegd dat het openbaar ministerie niet heeft voldaan aan de beschikking van het Gerecht d.d. 25 juni 2025, erop neerkomende dat aan verzoeker diende te worden medegedeeld of hij verdachte is in een lopend onderzoek en (zo ja:) op welk(e) strafba(a)r(e) feit(en) de verdenking in dat onderzoek vooralsnog betrekking heeft, waarbij een artikelaanduiding en/of kwalificatie van dit/deze feiten zou volstaan. Uit de door verzoeker overgelegde brief van het openbaar ministerie van
25 juni 2025 (productie 8 bij het verzoek) is de rechter evenwel aanstonds gebleken dat het openbaar ministerie hieraan heeft voldaan.
Ten aanzien van het verzoek onder 2)
2.3.
Volgens de stellingen van verzoeker is er eerst op 23 mei 2025 aangifte tegen hem gedaan. Reeds gelet hierop valt aanstonds al niet in te zien op grond waarvan het openbaar ministerie nu al kan worden verplicht om binnen een door het Gerecht te bepalen termijn een vervolgingsbeslissing te nemen. Geen rechtsregel dwingt tot die conclusie en die is ook niet aangevoerd. De in het verzoek opgenomen feiten en omstandigheden bevatten geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.
Het verzoek is prematuur. Verzoeker dient voor nu de beslissingen van het openbaar ministerie af te wachten.
Conclusie
2.4.
Gelet op het voorgaande is de rechter aanstonds van oordeel dat elke redelijke grond aan de verzoeken van [verzoeker] ontbreekt. Gelet hierop zal de rechter daarop zonder nader onderzoek beslissen.
Dictum
Het Gerecht wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven in raadkamer op 17 juli 2025 door mr. E.A. Lensink, rechter in dit Gerecht, in aanwezigheid van de griffier, mr. A.B. Bennett.