Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2024-03-27
ECLI:NL:OGEAA:2024:54
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,918 tokens
Inleiding
Vonnis van 27 maart 2024
Behorend bij A.R. no. AUA202102862
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[eiseres],
wonende te Aruba,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,
tegen:
de gezamenlijke erfgenamen van
[gedaagde],
gedaagden,
hierna te noemen: de erven,
gemachtigde: de advocaat mr. C.H. Lejuez.
Procesverloop
1.1
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in deze zaak van 24 januari 2024 en de daarin genoemde stukken;
- de akte uitlating verjaring van de zijde van [eiseres], genomen ter rolle van 7 februari 2024.
1.2
Vervolgens is, na uitstel, vonnis bepaald op vandaag.
2DE VERDERE BEOORDELING
2.1 [
Eiseres] heeft aan haar vordering tot betaling door de erven van een bedrag van Afl. 92.287,50, vermeerderd met rente, ten grondslag gelegd dat de vader van de erven, [gedaagde] (hierna te noemen: [gedaagde]), op 21 april 2001 een tot de nalatenschap van de moeder behorend perceel heeft verkocht en dat op 23 april 2001 een tweetal tot de nalatenschap behorende onroerende zaken (waarvan de marktwaarde Afl. 385.000,- bedroeg) aan [gedaagden] en [betrokkene] (hierna te noemen: [betrokkene) zijn toegedeeld. Volgens [eiseres] zijn het aan haar toekomende deel van de verkoopopbrengst (zijnde Afl. 53.787,50) en de vanwege de toedeling van de onroerende zaken aan [gedaagde] en [betrokkene] aan haar verschuldigde overbedelingsvergoedingen (zijnde Afl. 38.500,-) niet aan haar betaald.
2.2
In het tussenvonnis van 24 januari 2024 is overwogen dat [eiseres] ter zake van de toedeling van de onroerende zaken aan [gedaagde] en [betrokkene] een vordering op hen heeft ter hoogte van in totaal Afl. 38.500,- en dat de erven daarom zijn gehouden het bedrag van Afl. 19.259,- (zijnde de helft van Afl. 38.500,-) aan [eiseres] te betalen. Zoals eveneens in genoemd tussenvonnis is overwogen, is de wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd vanaf 16 februari 2022.
2.3
Voor wat betreft het aan [eiseres] toekomende deel van de verkoopopbrengst van het perceel is overwogen dat van de aan de erven ([gedaagde]) uitbetaalde verkoopopbrengst van het perceel aan [eiseres] een bedrag van Afl. 20.044,- toekomt en dat de erven dit bedrag aan [eiseres] dienen te voldoen. De erven hebben zich echter op verjaring beroepen. Volgens de erven is het bedrag al in 2001 ontvangen en heeft [eiseres] pas op 21 september 2021 om betaling aan haar gevraagd. Bij akte uitlating verjaring heeft [eiseres] in reactie hierop aangevoerd dat een vordering voortvloeiende uit onrechtmatige daad na 20 jaar is verjaard en dat krachtens het toepasselijke overgangsrecht lopende verjaringen met een jaar worden verlengd, zodat de verjaringstermijn in het onderhavige geval pas afliep in april 2022. Van verjaring is daarom volgens [eiseres] geen sprake. Daarnaast beroept [eiseres] zich op de uitspraak van de Hoge Raad van 28 april 2000 (NJ 2000,430) waarin volgens haar is geoordeeld dat in bijzondere gevallen en onder bijzondere omstandigheden een uitzondering op de verjaringstermijn kan worden gemaakt, bijvoorbeeld wanneer het feit en de schade verborgen zijn gebleven. Volgens [eiseres] is zij pas in 2020, nadat zij curator werd van haar zus, van de verkoop van het perceel op de hoogte geraakt.
2.4
Dienaangaande geldt als volgt.
2.5
Zoals in het tussenvonnis van 3 mei 2023 is geoordeeld, heeft [eiseres] onvoldoende gesteld voor het oordeel dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Van een vordering uit onrechtmatige daad is daarom geen sprake. [Eiseres] heeft een vordering op de erven vanwege door [gedaagde] krachtens de volmacht namens haar ontvangen gelden die nog aan [eiseres] moeten worden uitbetaald. Dit betreft een vordering tot nakoming na onbepaalde tijd. Een dergelijke vordering verjaart in elk geval door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waartegen de opeising op zijn vroegst mogelijk was. Opeising was op zijn vroegst mogelijk op 23 april 2001, nu de levering van het verkochte perceel op die dag heeft plaatsgevonden, de gelden naar mag worden aangenomen die dag door [gedaagde] zijn ontvangen en [eiseres] vanaf dat moment o m betaling door [gedaagde] aan haar had kunnen vragen. Feiten en/of omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken. De verjaringstermijn is onder oud recht aangevangen, zodat overgangsrecht van toepassing is. Anders dan [eiseres] heeft betoogd, houdt het overgangsrecht niet in dat de verjaringstermijn met een jaar wordt verlengd, maar dat voor termijnen van een jaar of langer het oude recht nog een jaar van kracht blijft (Landsverordening overgangsbepalingen Nieuw BW; Afkondigingsblad 2001, no. 108). De verjaringstermijn is derhalve in elk geval op 23 april 2021 voltooid. Van stuitingshandelingen is niet gebleken. Het betoog van [eiseres] dat zij pas in 2020 van de verkoop van het perceel, en daarmee van de vordering op de erven op de hoogte is geraakt, kan haar niet baten. Artikel 3:307 lid 2 BW houdt geen rekening met de mogelijkheid dat de schuldeiser onbekend is met het ontstaan van de vordering. Daarnaast wist [eiseres] dat zij volmacht had gegeven voor de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder en dus dat de nalatenschap zou worden verdeeld. Ook heeft [eiseres] niet, althans onvoldoende weersproken dat zij van de aan de orde zijnde verdeling op de hoogte was. [Eiseres] had er derhalve voor kunnen zorgen dat zij tijdig van de vordering op de hoogte was. Verder ziet de door [eiseres] aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad niet alleen niet op de onderhavige verjaringstermijn, ook brengen voormelde omstandigheden mee dat toepassing van de verjaringstermijn niet tot onaanvaardbare gevolgen leidt. Dat de vordering van [eiseres] op aanvankelijk [gedaagde] en later de erven opzettelijk voor haar verborgen is gehouden, kan tot slot ook niet worden gezegd.
2.4
Nu de vordering van [eiseres] voor wat betreft de verkoopopbrengst van het perceel is verjaard, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
Conclusie
2.5
De slotsom van al het voorgaande is dat de stellingen van [eiseres] ten dele slagen en dat haar vordering deels zal worden toegewezen.
2.6
In de familierelatie tussen partijen en de omstandigheid dat partijen over en weer op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld, ziet het Gerecht aanleiding de proceskosten te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
3.1
veroordeelt de erven tot betaling aan [eiseres] van Afl. 19.259,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 februari 2022 tot de dag van volledige voldoening;
3.2
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.3
compenseert de proceskosten tussen partijen, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.4
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 maart 2024 in aanwezigheid van de griffier.