Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2024-10-29
ECLI:NL:OGEAA:2024:302
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,390 tokens
Inleiding
Beschikking van 29 oktober 2024
Behorend bij E.J. nr. AUA202401614
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
1[Appellante 1],
2. [Appellante 2],
beiden wonende te Aruba,
appellanten,
hierna ook te noemen: [appellanten],
procederend in persoon,
tegen:
[Geïntimeerde],
wonende te Aruba,
geïntimeerde,
hierna ook te noemen: [geïntimeerde],
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingediend op 20 mei 2024;
- het verweerschrift, ingediend op 20 augustus 2024;
- de behandeling van de zaak ter zitting van, na wederoproeping van [geïntimeerde], 10 september 2024.
1.2
Partijen zijn ter zitting verschenen, [geïntimeerde] vergezeld van zijn zoon. Zij hebben op vragen van het Gerecht geantwoord en op elkaar stellingen gereageerd of kunnen reageren.
1.3
Beschikking is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1 [
Geïntimeerde] huurt al meer dan dertig jaar de woning gelegen aan de [adres] te Aruba (hierna: de woning) tegen laatstelijk een huurprijs van Afl. 1.100,- per maand. [Appellanten] hebben de woning op 1 maart 2024 gekocht en zijn daarmee opvolgend verhuurders.
2.2
Bij beschikking van 3 mei 2024 van de Huurcommissie van Aruba (met zaaknummer HOP/2024/045) is op verzoek van [appellanten] toestemming aan hen verleend om de huurovereenkomst met [geïntimeerde] op te zeggen, een en ander met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden.
2.3 [
Appellanten] hebben de huurovereenkomst bij brief van 31 mei 2024 opgezegd, zodat [geïntimeerde] het pand uiterlijk 30 november 2024 dient te ontruimen.
3HET BEROEP
3.1 [
Appellanten] hebben op 20 mei 2024 beroep ingesteld tegen voormelde beschikking van de Huurcommissie. Zij verzoeken dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en dat wordt bepaald dat [geïntimeerde] de woning per direct dient te verlaten. Voor het geval [geïntimeerde] tot en met november 2024 in de woning wil en kan verblijven dient hij volgens [appellanten] Afl. 600,- per maand meer te betalen.
3.2 [
Appellanten] leggen aan hun beroep ten grondslag dat zij de woning dringend nodig hebben voor eigen gebruik, omdat zij hun huidige woning moeten verlaten en zij de woning willen opknappen. Ook kunnen zij de lasten van de woning naast de door hun te betalen huur niet dragen.
3.3 [
Geïntimeerde] voert verweer en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling
4.1
Vast staat dat het beroep binnen de daartoe gestelde termijn, en dus tijdig, is ingediend.
4.2 [
Appellanten] hebben de woning gekocht terwijl de woning aan [geïntimeerde] werd verhuurd. De Huurcommissie heeft op verzoek van [appellanten] geoordeeld dat de huur met [geïntimeerde] mag worden opgezegd, omdat [geïntimeerde] - zo begrijpt het Gerecht - op korte termijn over een andere woning kan beschikken. Bij het bepalen van de opzegtermijn van zes maanden is door de Huurcommissie rekening gehouden met de lange duur van de huurovereenkomst. [Appellanten] hebben in het kader van deze procedure niets aangedragen dat tot een ander oordeel zou moeten leiden. Van een in het licht van de belangen van [geïntimeerde] voldoende zwaarwegend belang aan de zijde van [appellanten] bij een eerdere ontruiming van de woning, is niet gebleken. Voor dit oordeel is mede van belang de zeer korte periode dat de huurovereenkomst nog voortduurt en dat [geïntimeerde], zoals hij onweersproken heeft aangevoerd, pas in december 2024 zijn nieuwe woning kan betrekken. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
4.3
Indien en voor zover [appellanten] hebben bedoeld te verzoeken dat de door [geïntimeerde] gedurende de laatste periode te betalen huur wordt verhoogd, wordt dit afgewezen. Er bestaat geen enkele rechtvaardiging voor het verhogen van de huur enkel omdat [geïntimeerde] de woning niet eerder zal verlaten dan de door de Huurcommissie bepaalde termijn. De omstandigheid dat [appellanten] moeite hebben hun lasten te betalen, maakt dat niet anders. Dit komt voor hun eigen rekening en risico, nu zij ervoor hebben gekozen de woning in verhuurde staat, en dus met verplichtingen jegens de huurder, te kopen.
4.5
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep van [appellanten] ongegrond wordt verklaard.
4.6 [
Appellanten] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op nihil.
Dictum
Het Gerecht:
5.1
verklaart het beroep van [appellanten] tegen de beschikking van de Huurcommissie van 3 mei 2024 (met kenmerk HOP/2024/045) ongegrond en bevestigt die beschikking;
5.2
veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen
en tot op heden begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.A.M. Tijhuis, rechter, en werd in het openbaar uitgesproken op dinsdag 29 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.