Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2024-07-24
ECLI:NL:OGEAA:2024:166
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,917 tokens
Inleiding
Uitspraak van 24 juli 2024
Lar nr. AUA202303200
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Appellant],
wonende in Aruba,
APPELLANT,
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Croes,
gericht tegen:
DE VOORZITTER VAN DE BEOORDELINGSCOMMISSIE VRIJWILLIGE UITDIENSTTREDING,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. J.J. Poeran (DWJZ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht de beslissing van verweerder om het verzoek van appellant om eervol VUT-ontslag af te wijzen.
1.1
Op 3 augustus 2022 heeft appellant een verzoek ingediend om met gebruikmaking van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (Lvut) hem eervol ontslag te verlenen.
1.2
Bij beschikking van 5 oktober 2022 heeft verweerder het verzoek van appellant vanwege de negatieve kwantitatieve en kwalitatieve gevolgen voor de Dienst Openbare Werkzaamheden (DOW), afgewezen.
1.3
Tegen die beslissing heeft appellant op 26 oktober 2022 bezwaar gemaakt bij verweerder.
1.4
Bij beslissing op bezwaar van 2 augustus 2023 (de bestreden beslissing) heeft verweerder het bezwaar van appellant, gericht tegen de beschikking van 5 oktober 2022, ongegrond verklaard.
1.5
Hiertegen heeft appellant 12 september 2023 beroep ingesteld bij het Gerecht.
1.6
Verweerder heeft op 2 november 2023 stukken ingediend.
1.7
Het Gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 15 mei 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door [betrokkene]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. Het Gerecht beoordeelt de afwijzing van verweerder om appellant eervol VUT-ontslag te verlenen aan de hand van de beroepsgronden van appellant.
2.1
Gelet op (de aard van) de functie die appellant bekleedt, zijn opleiding en ervaring, en de nadelige kwantitatieve en kwalitatieve gevolgen die zijn eventuele ontslag op grond van de Lvut op de bezetting van de DOW zal hebben, is het Gerecht van oordeel dat verweerder heeft kunnen oordelen dat het ontslag de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening door de DOW onevenredig zal schaden, en dit nadelige kwalitatieve of kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst zal hebben. Verweerder heeft op goede gronden het verzoek van appellant voor het toekennen van eervol VUT-ontslag afgewezen. De beroepsgronden van appellant tegen de afwijzing slagen niet, het beroep is ongegrond.
2.2
Hierna legt het Gerecht dit oordeel uit en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1
Appellant is ambtenaar in dienst bij de Dienst Openbare Werken (DOW) in de functie van projectmedewerker (schaal 10).
3.2
Verweerder heeft aanvankelijk bij beschikking van 24 augustus 2022 het verzoek van appellant afgewezen. Bij de beschikking van 5 oktober 2022 heeft verweerder de afwijzende beschikking van 24 augustus 2022 (No. DRH/5758) ingetrokken en de aanvraag wederom afgewezen.
3.3
Appellant is in oktober / november 2022 gestopt bij DOW. Na januari 2023 heeft appellant geen bezoldiging meer ontvangen. Er is een lopende procedure tegen appellant over het willekeurige verbreken van het dienstverband door appellant.
Wat is de reden dat verweerder het verzoek van appellant heeft afgewezen?
4. Verweerder heeft het verzoek van appellant afgewezen, omdat naar zijn oordeel de afwijzingsgrond van artikel 10, tweede lid, van de Lvut zich voordoet. Het verlenen van eervol ontslag aan appellant zal de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening bij de DOW onevenredig schaden en het ontslag zal nadelige kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de DOW veroorzaken.
Daartoe betoogt verweerder dat de DOW een kerndienst is en dat appellant een kaderfunctie bekleedt. Appellant is in het bezit van een hbo-diploma en behoort daarom tot het kaderpersoneel. Het land streeft om personeel met een afgeronde Hbo/Wo-opleiding te behouden om de kwaliteit van de dienstverlening te waarborgen. Het verlenen van eervol VUT-ontslag aan appellant zal kwantitatieve gevolgen hebben omdat het Land zich momenteel in een precaire situatie bevindt waardoor de functie van appellant, projectmedewerker Ontwerp en Planning, moeilijk te vervullen is. Er komen geen begrotingsmiddelen vrij om indienstnemingen te kunnen begroten. Ook zullen de andere collega’s van de DOW overbelast worden bij het toewijzen van VUT-ontslag aan appellant. De DOW heeft namelijk de minimale bezetting reeds bereikt.
Heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld?
5. Appellant voert aan dat verweerder in strijd met het Landsbesluit VUT 2022 niet binnen vier weken na indiening op het verzoek heeft beslist. Het verzoek moet daarom als ingewilligd worden beschouwd. Ter zitting heeft appellant zijn stelling verder toegelicht en betoogd dat verweerder door niet tijdig op het verzoek te beslissen onzorgvuldig heeft gehandeld.
6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
6.1
Uit de brochure “LVUT 2022” van verweerder blijkt dat de beoordelingscommissie binnen vier weken na indiening van het verzoek tot VUT daarop beslist.
6.2
Het Gerecht stelt vast dat het verzoek voor het verlenen van VUT-ontslag op 3 augustus 2022 is ingediend. Verweerder heeft aanvankelijk op 24 augustus 2022 het verzoek afgewezen en dus beslist binnen de termijn van vier weken. Weliswaar is de beslissing daarna ingetrokken en is op 5 oktober opnieuw op het verzoek van appellant beslist, maar dat brengt naar het oordeel van het Gerecht niet met zich dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Er is evenmin een rechtsregel aan te wijzen op grond waarvan het verzoek onder deze omstandigheden als ingewilligd moet worden beschouwd.
Is de afwijzing in strijd met het motiveringsbeginsel?
7. Appellant voert aan dat de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom toewijzing van het verzoek van appellant de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening bij de DOW onevenredig zal schaden en dat het ontslag nadelige kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de DOW zal veroorzaken. Volgens appellant behoort hij niet tot het kaderpersoneel, omdat zijn functie geen leidinggevende functie is. Volgens appellant is sprake van een afnemend aantal projecten bij DOW, dat met de huidige bezetting van 4 hbo projectmedewerkers, 3 hbo projectleiders, 2 hbo projectmanagers en 1 hbo afdelingschef gedaan kan worden. Dus er zal geen sprake zijn van het overbelasten van zijn collega’s. Daar komt bij dat de DOW met een betere werkplanning dezelfde hoeveelheid werk met minder mensen zou kunnen doen.
8. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
8.1
Voorop wordt gesteld dat verweerder bij de toepassing van artikel 10, tweede lid, van de Lvut beoordelingsruimte toekomt. Dat betekent dat het in de eerste plaats aan verweerder is om te beoordelen of toewijzing van het verzoek van appellant de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening bij de DOW onevenredig zal schaden en dat het ontslag nadelige kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de DOW zal veroorzaken. De rechter moet vervolgens de vraag beantwoorden of verweerder tot zijn oordeel heeft kunnen komen.
8.2
Het Gerecht is van oordeel dat verweerder, gelet op de beoordelingsruimte die hij heeft, heeft kunnen oordelen dat toewijzing van het verzoek van appellant de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening bij de DOW onevenredig zal schaden en dat het ontslag nadelige kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de DOW zal veroorzaken. Verweerder heeft zijn oordeel ook voldoende gemotiveerd. Vaststaat dat appellant als projectleider fungeert, dat appellant beschikt over een hbo-diploma, technisch onderlegd is en werkervaring heeft op dat gebied. Verweerder heeft daarom kunnen oordelen dat appellant behoort tot het kaderpersoneel. Verweerder heeft bij zijn oordeel kunnen betrekken dat de overheid streeft om kaderpersoneel te behouden om zodoende de kwaliteit van de dienstverlening van de overheid te kunnen waarborgen. Verder heeft verweerder bij zijn beoordeling kunnen betrekken dat er geen begrotingsmiddelen vrijkomen om een nieuwe projectleider te kunnen aantrekken en dat de DOW reeds haar minimale bezetting heeft bereikt. Eiser heeft deze laatste twee aspecten onvoldoende gemotiveerd weersproken.
Is de afwijzing in strijd met het gelijkheidsbeginsel?
9. Appellant voert aan dat de bestreden beslissing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Appellant wijst op vier personen wiens verzoeken wel zijn toegewezen.
10.1
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
10.2
Het Gerecht stelt onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van 14 februari 2019 (ECLI:NL:OGHACMB:2019:219) voorop dat gelet op het strikt individuele karakter van de door verweerder te verrichten beoordeling, bij de toepassing van artikel 10, tweede lid, van de Lvut aan het gelijkheidsbeginsel feitelijk slechts een beperkte betekenis toekomt.
Conclusie
11. Geen van de door appellant aangevoerde beroepsgronden slaagt. De conclusie luidt dat het beroep ongegrond is. Verweerder heeft het verzoek van appellant voor het toekennen van eervol VUT-ontslag kunnen afwijzen. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek van appellant in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. drs. S. Lanshage, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2024 in aanwezigheid van de griffier, mr. A. de Cuba.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).
Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.
U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,
b. de dag van ondertekening,
c. waartegen u in hoger beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.