Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2024-02-14
ECLI:NL:OGEAA:2024:150
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,496 tokens
Inleiding
Uitspraak van 14 februari 2024
CVB nr. AUA202203045
COLLEGE VAN BEROEP
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van
de Landsverordening algemene ouderdomsverzekering (Laov) van:
[Appellant],
wonende in Aruba,
APPELLANT,
gemachtigde: J.S.F. Haakmeester,
tegen de beslissing van 18 augustus 2022 van:
DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,
gevestigd te Aruba,
VERWEERDER, hierna te noemen: de bank,
gemachtigde: de advocaat mr. P.R.C. Brown.
HET PROCESVERLOOP
Bij beslissing van 18 augustus 2022 (hierna: de bestreden beslissing) heeft de bank besloten het aan appellant toegekende ouderdomspensioen te herzien, en met ingang van 1 september 2022 te bepalen op Afl. 715,- per maand.
Tegen deze beslissing heeft appellant op 2 september 2022 beroep aangetekend.
De bank heeft op 17 oktober 2022 een verweerschrift ingediend.
Het beroep van appellant is op de bijeenkomst van 13 december 2022 van dit College behandeld. Appellant is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen. De bank heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. J. Tromp. Namens de bank waren tevens aanwezig [betrokkene 1] en drs. [betrokkene 2], beiden werkzaam bij de bank.
De uitspraak is bepaald op heden.
Overwegingen
Standpunten van partijen
1.1
Aan de bestreden beslissing heeft de bank ten grondslag gelegd dat toen de echtgenote de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en een pensioenaanvraag heeft ingediend het ouderdomspensioen voor gehuwden gesplitst dient te worden en op beide aanspraken dient een korting te worden toegepast. Vanwege de splitsing is verweerder overgegaan tot herziening van het ouderdomspensioen van appellant. In het geval van appellant is een kortingspercentage van 26,67% toegepast.
1.2
Appellant kan zich niet verenigen met de beslissing om zijn ouderdomspensioen te herzien, en stelt zich daarbij - kort gezegd en zakelijk weergegeven - op het standpunt dat de bank geen uitleg heeft gegeven over de wetsartikelen en over de wijze van berekening.
Geschil
2. Ter beantwoording ligt voor de vraag of de bank op goede gronden heeft besloten om appellant een ouderdomspensioen toe te kennen onder de toepassing van een kortingspercentage van 26,67%. Bij de beoordeling neemt het College het volgende in aanmerking.
Het wettelijk kader
3.1
Ingevolge artikel 1, van de Laov, wordt onder ingezetene verstaan degene wiens persoonsgegevens in de bevolkingsadministratie van Aruba wordt bijgehouden.
3.2
Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Laov is verzekerd overeenkomstig deze landsverordening, de ingezetene die de leeftijd van vijftien jaar, doch nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
3.3
Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Laov, wordt op de bedragen bedoeld in artikel 7, tweede lid, een korting toegepast voor elk jaar dat ieder der echtgenoten na het bereiken van de vijftienjarige leeftijd en vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd was in de zin van deze landsverordening. Ten aanzien van een echtgenoot die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet bereikt heeft, wordt gehandeld als ware zulks reeds het geval. De korting, bedoeld in de eerste volzin, bedraagt een bepaald percentage, vermeld in de als bijlage I bij deze landsverordening gevoegde tabel. De eerste en tweede volzin zijn van overeenkomstige toepassing op personen, bedoeld in de eerste volzin van artikel 7, vijfde lid.
3.4
Bijlage 1 behorende bij artikel 8, eerste en tweede lid, luidt als volgt:
Feiten
4.1
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1952 in Aruba, heeft op 23 augustus 2012 een aanvraag ouderdomspensioen bij de bank ingediend. Appellant bereikte op 14 november 1967 de vijftienjarige leeftijd en op 14 november 2012 de pensioengerechtigde leeftijd van zestig jaren. Appellant was in de periode van 27 februari 1990 tot 4 november 1997 en van 10 november 2000 tot 7 maart 2005 niet verzekerd.
4.2
De echtgenote van appellant, geboren op [geboortedatum] 1958 in Suriname, heeft op 25 mei 2022 een aanvraag ouderdomspensioen bij de bank ingediend. De echtgenote bereikte op 5 augustus 2022 de pensioengerechtigde leeftijd. De echtgenote was vanaf haar vijftiende tot 17 januari 2011 niet verzekerd geweest.
Beoordeling
5. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de bijeenkomst, stelt het College vast, dat bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de echtgenote van appellant een splitsing dient plaats te vinden van het gehuwdenpensioen, wat neerkomt op een bedrag van Afl. 974,- (Afl. 1.984,- gedeeld door twee). Ingevolge de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen (zie 3.3) wordt op deze bedragen een korting toegepast voor elk jaar dat ieder der echtgenoten na het bereiken van de vijftienjarige leeftijd en vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd was. Dit bedrag wordt in hele guldens afgerond. De dagen worden niet afgerond. Vast staat dat appellant twaalf niet-verzekerde jaren heeft en dat zijn echtgenote zevenendertig niet-verzekerde jaren heeft.
Conclusie
6. Gelet op het bovenstaande, en de nadere uitleg van de bank over de toegepaste kortingspercentages, is het College van oordeel dat de bestreden beschikking als op de wet gegrond tot stand is gekomen, zodat het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.
Dictum
Het College van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven op 14 februari 2024 door mr. drs. W.H. Bel, voorzitter, H. Dirksz en E.E. de Cuba, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris.