Rechtspraak Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 2023-03-05
ECLI:NL:OGEAA:2023:358
Civiel recht
Vonnis van 5 maart 2025 Behorend bij K.G. nr. AUA202500053 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS IN KORT GEDING in de zaak van: de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CUPPY II REAL ESTATE V.B.A., te Aruba, eiseres, hierna ook te noemen: Cuppy, gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn, tegen: [Gedaagde], te Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde], procederende in persoon. 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties, ingediend ter griffie op 10 januari 2025; - de aanvullende producties, ingediend ter griffie op 22 januari 2025; - de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 23 januari 2025. 1.2 Cuppy is ter zitting van 23 januari 2025 verschenen bij haar gemachtigde, die werd vergezeld door mevrouw [directrice] (directrice van Cuppy). [Gedaagde] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Tegen [gedaagde] is daarom verstek verleend. 1.3 Ter zitting van 23 januari 2025 heeft Cuppy onderdeel 3. en onderdeel 4. van het in haar verzoekschrift omschreven petitum ingetrokken. Cuppy heeft - onder overlegging van als voorgedragen beschouwde pleitaantekeningen - voor het overige gepersisteerd in het door haar gestelde en verzochte. 1.4 Op 23 januari 2025, na sluiting van de zitting, heeft [gedaagde] het verstek gezuiverd. 1.5 De mondelinge behandeling van de zaak op tegenspraak heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 10 februari 2025. Cuppy is ter zitting verschenen bij haar gemachtigde, die wederom werd vergezeld door mevrouw [directrice] (directrice van Cuppy). [Gedaagde] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. 1.6 Vonnis is bepaald op heden. 2.1 Cuppy vordert dat het Gerecht – zo het begrijpt – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. [Gedaagde] veroordeelt aan Cuppy te betalen Afl. 13.500,-- aan achterstallige huur berekend tot en met januari 2025, te vermeerderen met Afl. 100,-- per dag aan overeengekomen boete voor te late huurbetalingen te berekenen vanaf 16 december 2024 tot de dag der volledige ontruiming van het gehuurde en voorts te vermeerderen met (1) wettelijke rente gerekend vanaf 10 januari 2025 en (2) met (25 dagen x Afl. 100,-- =) Afl. 2.500,-- aan boete op grond van artikel 17 van de huurovereenkomst; 2. [ [Gedaagde] veroordeelt het gehuurde, gelegen in Aruba te [adres] (hierna ook: het perceel), binnen zeven (7) dagen na de uitspraak van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin of aldaar van zijnentwege bevindende goederen en personen; 3. ten opzichte van al het vorenstaande enige andere juist voorkomende beslissing neemt; 4. [ [Gedaagde] veroordeelt in de proceskosten. 2.2 [ Gedaagde] heeft de vorderingen van Cuppy niet bestreden. 3.1 Het spoedeisend belang van Cuppy bij (toewijzing) van haar ontruimingsvordering volgt uit de aard van die vordering en de daaraan ten gronde gelegde stellingen. Nu dit het geval is, kan in redelijkheid en om proceseconomische reden niet van Cuppy worden gevergd om haar niet bestreden geldvordering aan de bodemrechter ter beoordeling voor te leggen. 3.2 [ Gedaagde] heeft de door Cuppy aan haar vorderingen ten gronde gelegde stellingen niet bestreden, zodat die vast komen te staan. In het licht van die vaststaande stellingen komen de vorderingen van Cuppy onrechtmatig noch ongegrond voor. Die vorderingen zullen daarom met inachtneming van het navolgende worden toegewezen als na te melden, nu bij de huidige stand van zaken in een bodemzaak gelijke oordelen vallen te verwachten. 3.3 Aan [gedaagde] zal op grond van redelijkheid en billijkheid een ontruimingstermijn worden gegund van vier (4) weken. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] binnen die termijn de ontruiming van het perceel niet kan realiseren. 3.4 Voor wat betreft de vordering van Cuppy om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van Afl. 13.500,-- aan achterstallige huur wordt het volgende overwogen. Als niet bestreden staat vast dat Cuppy de huurovereenkomst tussen partijen op 2 december 2024 buitengerechtelijk heeft ontbonden. Dit betekent dat [gedaagde] na december 2024 geen huur meer verschuldigd is aan Cuppy. In het licht daarvan heeft Cuppy ter zitting onbestreden gesteld dat in het gevorderde bedrag is begrepen een vergoeding voor het gebruik van het perceel gedurende de maand januari 2025 gelijk aan de maandelijkse huurprijs. Gelet hierop zal het Gerecht [gedaagde] veroordelen tot betaling van (8 x Afl. 1.500,-- =) Afl. 12.000,-- aan achterstallige huur, te vermeerderen Afl. 1.500,-- als vergoeding voor het gebruik van het perceel gedurende de maand januari 2025. Over die gebruiksvergoeding is [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd aan Cuppy, tot betaling waarvan hij zal worden veroordeeld als na te melden. 3.5 Ter zake van de door Cuppy verzochte boete op grond van artikel 17 van de overeenkomst wordt het volgende overwogen. Nu [gedaagde] wordt veroordeeld om ook over de maand december 2024 huur te betalen, is er naar het voorshandse oordeel van het Gerecht geen boete op grond van voormeld artikel van de huurovereenkomst verschuldigd. In de omstandigheid dat [gedaagde] wordt veroordeeld om over de maand januari 2025 een gebruiksvergoeding te betalen aan Cuppy die gelijk is aan de maandelijkse huurprijs ziet het Gerecht voorshands aanleiding om bedoelde boete te matigen tot nihil. 3.6 Ter zake van de gevorderde boete ad Afl. 100,-- per dag vanaf 16 december 2024 tot de dag der volledige ontruiming, wordt het volgende overwogen. Artikel 3 van de huurovereenkomst bepaalt: “(...). Section 2: Payment of yearly rent. (…). A late fee of 2% per month, with a minimum of Awg. 100,= shall be assessed if payment is not received by Landlord on or before the tenth day of each month.”. De boete heeft tot doel om de huurder te prikkelen de huurtermijnen tijdig te betalen. Dit betekent dat de huurder voor elke niet-tijdig betaalde huurtermijn een maandelijkse boete (van 2% per maand, met een minimum van Afl. 100,--) verschuldigd is. Nu de huurovereenkomst op 2 december 2024 buitengerechtelijk is ontbonden, is [gedaagde] alleen boete verschuldigd over de niet-tijdig betaalde huurtermijnen die voor de ontbinding van de huurovereenkomst zijn ontstaan, met name voor de maanden mei 2024 tot en met 2 december 2024. Dat komt neer op een totaalbedrag van (8 x 100,-- =) Afl. 800,--. Aldus zal dit onderdeel van de hiervoor onder 1. omschreven vordering van Cuppy in zoverre worden toegewezen als na te melden. De door Cuppy verzochte wettelijke rente over de hoofdsom aan achterstallige huur zal worden afgewezen, nu - gelet op artikel 6:92 lid 2 BW - contractuele boete in de plaats treedt van wettelijke schadevergoeding, waaronder begrepen wettelijke rente. 3.7 [ Gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Cuppy, tot aan deze uitspraak begroot op (Afl. 450,-- + Afl. 225,-- + Afl. 225,-- + Afl. 225,-- =) Afl. 1.125,- aan verschotten (griffiegelden en kosten van oproeping) en Afl. 1.000,-- aan salaris voor de gemachtigde. 4UITSPRAAK Het Gerecht, rechtdoende in kort geding (op tegenspraak): 4.1 beveelt [gedaagde] om binnen vier (4) weken na de betekening van dit vonnis aan [gedaagde] het aan Cuppy toebehorende perceel gelegen in Aruba te [adres] te ontruimen en te verlaten met alle zich aldaar van zijnentwege bevindende personen en goederen, en dat perceel ter vrije beschikking te stellen van Cuppy; 4.2 veroordeelt [gedaagde] om aan Cuppy te betalen Afl. 12.000,-- aan achterstallige huur, te vermeerderen met Afl. 800,-- aan contractuele boete; 4.3 veroordeelt [gedaagde] om aan Cuppy te betalen Afl. 1.500,-- aan vergoeding voor het gebruik van het perceel gedurende de maand januari 2025, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 10 januari 2025 tot aan de algehele voldoening; 4.4 veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Cuppy tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.125,--; 4.5 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 4.6 wijst af het meer of anders door Cuppy verzochte. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 5 maart 2025 in aanwezigheid van de griffier.