Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2021-08-25
ECLI:NL:OGEAA:2021:389
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,343 tokens
Inleiding
Uitspraak van 25 augustus 2021
AUA202101738 LAR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het verzoek in de zin van artikel 54 van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Verzoeker],
van Venezolaanse nationaliteit,
VERZOEKER,
gemachtigde: de advocaat mr. M.B. Boyce,
gericht tegen:
DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigden: J.M. Harewood en S. Orman (DIMAS).
Procesverloop
Bij beschikking van 23 januari 2021 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Bij schrijven van 27 mei 2021 heeft verzoeker aan verweerder te kennen gegeven een herhaald asielverzoek te willen indienen.
Op 28 juni 2021 heeft verzoeker bij verweerder bezwaar gemaakt tegen, naar hij stelt, de weigering van verweerder om zijn herhaald asielverzoek in behandeling te nemen c.q. de ongemotiveerde afwijzing daarvan.
Op 28 juni 2021 heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift als bedoeld in artikel 54 van de Lar ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 11 augustus 2021. Verzoeker is verschenen bij zijn gemachtigde (via videoverbinding) voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigden. De uitspraak is bepaald op heden.
Overwegingen
Het wettelijk kader
1. Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.
Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van de indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.
Feiten
2.1
Verzoeker, geboren in Venezuela op 23 december 1978 en van Venezolaanse nationaliteit, is op 5 oktober 2018 met de boot Aruba binnengekomen.
2.2
Op 15 maart 2019 heeft verzoeker asiel aangevraagd. Het verzoek is bij beschikking van 23 januari 2021 afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
2.3
Op 31 maart 2021 heeft verzoeker het gerecht verzocht een voorlopige voorziening te treffen, hangende het tegen de beschikking van 23 januari 2021 gemaakte bezwaar. Het verzoek is bij uitspraak van 26 mei 2021 (AUA202100873 LAR) afgewezen.
2.4
Op 28 juni 2021 is het verzoek om, hangende de behandeling van het onderhavige verzoek, over te gaan tot het treffen van een ordemaatregel, afgewezen.
2.5
Op 29 juni 2021 is verzoeker uitgezet.
Beoordeling
3.1
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat een (uitdrukkelijke) afwijzende reactie van verweerder op verzoekers wens om een herhaalde asielaanvraag te doen zich niet bij de gedingstukken bevindt. Uit de overgelegde correspondentie tussen verweerder en de gemachtigde van verzoeker blijkt veeleer dat verweerder de door verzoeker aan zijn wens ten grondslag gelegde (nieuwe) gegevens zal betrekken bij zijn beslissing op het door verzoeker gemaakte bezwaar tegen de beschikking van 23 januari 2021. Dit is door verweerder ter zitting bevestigd. Deze handelwijze van verweerder komt de voorzieningenrechter juist voor, zodat moet worden betwijfeld of het onderhavige verzoek samenhangt met een ontvankelijk bezwaar tegen een afwijzing van herhaalde asielaanvraag, zoals verzoeker stelt. Los daarvan stelt de voorzieningenrechter vast, zoals hiervoor onder 2.5 is vermeld, dat de uitzetting van verzoeker op 29 juni 2021 is geëffectueerd. Hetgeen verzoeker met het onderhavige wenste te bereiken, te weten dat het hem hangende de te nemen beslissing op het door hem gemaakte bezwaar wordt toegestaan in Aruba te verblijven, kan niet meer worden bereikt. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verzoeker te kennen gegeven nog steeds belang te hechten aan deze procedure vanwege het terugkeerverbod dat hem is opgelegd bij het tegen hem uitgevaardigde bevel tot uitzetting. De voorzieningenrechter begrijpt dit betoog aldus, dat thans wordt verzocht dit terugkeerverbod te schorsen. Dit verzoek is echter niet toewijsbaar. Onderwerp van de onderhavige procedure is immers niet het bevel tot uitzetting, zodat de voor het treffen van een dergelijke voorlopige voorziening vereiste materiële connexiteit ontbreekt.
3.2
Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
3.3
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2021 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.