Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2020-11-09
ECLI:NL:OGEAA:2020:568
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,435 tokens
Inleiding
Parketnummer: P-2018/04857
Zaaknummer: 459 van 2020
Uitspraak: 9 november 2020 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1990 in de [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres].
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2020. De verdachte is zonder bijstand van een advocaat, ter terechtzitting verschenen en heeft aldaar uitdrukkelijk afstand gedaan van het recht zich te doen bijstaan door een advocaat.
De officier van justitie, mr. W.E.M. van Erp, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een geldboete van Afl. 1500,-, met aftrek van het reeds door de verdachte op de haar aangeboden transactie betaalde bedrag van Afl. 150,-.
De verdachte heeft verweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd:
dat verdachte op 25 mei 2018 te Aruba niet geregistreerde geneesmiddelen, te weten
duizend honderd (1100) stuks Ampicillina
vijfhonderdzesenzestig (566) stuks Mambo 36
tweehonderd (200) stuks Diclofenac 100
honderd (100) stuks Dicofenaco Sodico
vijf (5) stuks Albedazol Oxarmin
drie (3) stuks Albedazol Suspensie
vijftig (50) stuks Dicoplex Forte DF
tien (10) stuks Fulkain
een (1) stuks Ketroconazol Creme 2%
heeft ingevoerd en/of in voorraad heeft gehad.
(artikel 5 lid 4 van de LV geneesmiddelenvoorziening)
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Partiële vrijspraak
Het Gerecht is, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdachte, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde invoer van de geneesmiddelen vermeld onder het vijfde en zesde gedachtestreepje (Albedazol Oxarmin en Albedazol Suspensie). De verdachte zal daarom daarvan worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande:
dat verdachte op 25 mei 2018 te Aruba niet geregistreerde geneesmiddelen, te weten
duizend honderd (1100) stuks Ampicillina
vijfhonderdzesenzestig (566) stuks Mambo 36
tweehonderd (200) stuks Diclofenac 100
honderd (100) stuks Diclofenaco Sodico
vijftig (50) stuks Dicoplex Forte DF
tien (10) stuks Fulkain
een (1) stuk Ketroconazol Creme 2%
heeft ingevoerd en/of in voorraad heeft gehad.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.
Bewijsoverwegingen
De verdachte heeft ter terechtzitting ontkent de ten laste gelegde hoeveelheid (1100 stuks) “Ampicillina” te hebben ingevoerd. Zij heeft daartoe – samengevat – aan-gevoerd dat zij slechts drie of vier doosjes van dit antibioticum (op recept en voor eigen gebruik) vanuit [het buitenland] mee naar Aruba heeft genomen. Deze stelling die de verdachte overigens op geen enkele wijze heeft onderbouwd, vindt haar weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Overtreding van artikel 5, vierde lid, van de Landsverordening op de geneesmiddelenvoorziening,
strafbaar gesteld bij artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b van die Lands-verordening.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Ter terechtzitting heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij de geneesmiddelen heeft ingevoerd, maar dat zij niet wist dat zij die niet mocht invoeren. Volgens de verdachte heeft zij in [het buitenland] een ander een gunst bewezen door de onderhavige geneesmiddelen voor (een) in Aruba wonende derde(n) mee te nemen.
Voor zover de verdachte heeft bedoeld te stellen dat haar geen schuld treft, omdat zij niet op de hoogte was van de hier te lande geldende regels in verband met de invoer van geneesmiddelen, overweegt het Gerecht als volgt.
Voorop wordt gesteld dat voor strafbaarheid van een verdachte geen plaats is, indien de gedraging wordt verontschuldigd door een verkeerd inzicht (onbewustheid) van die verdachte in het verboden zijn – de ongeoorloofdheid – van de hem verweten gedraging naar Arubaans recht. Verontschuldigbare rechtsdwaling veronderstelt het doen van inspanningen om van de geldende normen op de hoogte te zijn.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte (met haar gezin) in Aruba woonachtig is. Dit brengt met zich dat de verdachte als Arubaans burger een zelfstandige verplichting heeft om zich omtrent de lokale geldende wet- en regelgeving te informeren én om aan die wet- en regelgeving te voldoen. Ter terechtzitting is echter niet gebleken noch aannemelijk geworden dat de verdachte vóór haar terugreis naar Aruba zich de moeite heeft getroost om de bevoegde Arubaanse overheidsinstantie(s) – de Douane of de Inspectie voor Geneesmiddelen – te raadplegen om zodoende zichzelf tijdig en adequaat op de hoogte te stellen van de in Aruba geldende wet- en regelgeving en de daarbij te volgen procedure voor de invoer van de geneesmiddelen in kwestie. Dat haar gebrek aan inspanning om zich op de hoogte te stellen van de desbetreffende vigerende normen is uitgemond in een verboden gedraging heeft de verdachte daarom aan zichzelf te wijten.
Naar het oordeel van het Gerecht is geen sprake van een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van het recht. Verdachtes verweer wordt derhalve verworpen.
Voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Dictum
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder het vijfde en zesde gedachte-streepje ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van Afl. 1.150,- (zegge: duizend-honderdvijftig florin), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door drieëntwintig (23) dagen hechtenis;
beveelt dat het bedrag van Afl. 150,- (zegge: honderdvijftig florin) die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak is betaald, op de geldboete in mindering wordt gebracht;
bepaalt dat het resterende deel van de geldboete in twintig (20) maandelijkse termijnen van elk Afl. 50,- (zegge: vijftig florin) mag worden voldaan.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. D.J. Jansen, bijgestaan door mr. E.M.J. Jandroep, (zittingsgriffier), en op 9 november 2020 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.
HR 31 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8322