Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2019-08-21
ECLI:NL:OGEAA:2019:552
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
852 tokens
Inleiding
Uitspraak van 21 augustus 2019
VrZ AUA201902297
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
van de rechter-commissaris belast met de behandeling
van administratiefrechtelijke inbewaringstelling,
op het verzoek van:
[ Verzoekster],
van Venezolaanse nationaliteit,
VERZOEKSTER,
gemachtigde: mr. J.F.M. Zara.
Procesverloop
Bij bevelschrift van 29 mei 2019 heeft de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie (hierna: de minister) de inbewaringstelling van verzoekster bevolen.
Op 3 juni 2019 heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat deze vrijheidsontneming rechtmatig is.
Op 10 juli 2019 heeft verzoekster bij dit gerecht een verzoekschrift als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 augustus 2019. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.M. Emerencia (DWJZ).
Uitspraak is bepaald op heden.
Beoordeling
1. Ingevolge artikel 16, derde lid, van de Ltu wordt de betrokkene binnen 72 uur voor een rechter-commissaris geleid, die de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming toetst. Een bevel tot inbewaringstelling kan door de rechter-commissaris te allen tijde op verzoek van de betrokkene worden opgeheven.
Beoordeling
3. Vaststaat dat verzoekster niet rechtmatig in Aruba verblijft, zodat op haar de rechtsplicht rust Aruba te verlaten. Die rechtsplicht brengt onder meer met zich dat zij volledige medewerking dient te verlenen aan iedere poging van de minister om terugkeer naar haar land van herkomst of enig ander land waar haar toelating is gewaarborgd, te bewerkstelligen. Ter zitting heeft de minister onweersproken te kennen gegeven dat verzoekster weigert medewerking te verlenen aan haar uitzetting. Voor het overige doet zich geen beletsel voor uitzetting voor.
4. Verzoekster betoogt dat zij in aanmerking komt voor verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf, nu zij een minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit heeft. Zij wenst dan ook in de gelegenheid te worden gesteld om een verzoek om verlening van een zodanige vergunning in te dienen.
5. De vraag of verzoekster voor verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf in aanmerking komt, dient niet in deze procedure beoordeeld te worden, maar in een eventuele procedure ter verkrijging van een zodanige vergunning. De enkele omstandigheid dat verzoekster, zoals ter zitting is gesteld, het voornemen heeft om een verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf in te dienen, maakt het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de minister ter zitting onbetwist te kennen heeft gegeven dat verzoekster gedurende de periode dat de inbewaringstelling voortduurt, een derde kan machtigen om dat verzoek namens haar in te dienen.
6. Bij afweging van alle betrokken belangen komt de rechter-commissaris tot het oordeel dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig is.
Dictum
De rechter-commissaris:
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter-commissaris, op 21 augustus 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.